5-102 | 5-102 |
Mevrouw Fauzaya Talhaoui (sp.a), corapporteur. - De heer Morael en ik verwijzen naar het schriftelijk verslag.
M. Richard Miller (MR). - Je souhaitais rappeler que la commission des Finances et des Affaires économiques a eu l'occasion d'entendre la CTIF - Cellule de traitement des informations financières - dans le courant de l'année 2011. Cet échange de vues a éclairé les membres de notre commission sur certaines lacunes de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins de blanchiment de capitaux et de financement du terrorisme.
À la suite de cette audition, notre excellent collègue, M. Vastersavendts, a pris l'initiative de rédiger un texte qui donne une réponse favorable à l'une des demandes formulées par la CTIF. Cette initiative parlementaire a été soutenue et cosignée par le groupe MR.
Jusqu'à présent, il n'existait aucune base légale permettant à la cellule de transmettre aux autorités judiciaires des informations relatives à des opérations de blanchiment ou de financement du terrorisme si la seule activité à la base de celles-ci se révélait être liée à l'extrémisme. La CTIF ne pouvait transmettre de telles informations que si un lien était établi entre l'extrémisme et des activités terroristes. Elle ne pouvait donc transmettre des informations que dans les cas de terrorisme et non d'extrémisme.
Le texte que nous voterons tout à l'heure et que le groupe MR soutient, prévoit une extension des táches et des missions de la CTIF afin que le terrorisme mais également l'extrémisme relèvent de sa compétence de contrôle. Nous sommes particulièrement heureux du travail réalisé pour mieux définir et mieux encadrer la notion d'extrémisme.
Le groupe MR salue donc cette mesure qui constitue un pas supplémentaire dans la lutte contre la criminalité. Elle permet également de réitérer l'engagement de notre groupe dans la lutte contre l'augmentation du radicalisme, de l'extrémisme et du terrorisme.
De heer Yoeri Vastersavendts (Open Vld). - Dit wetsvoorstel kwam tot stand op verzoek van de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). Ze vroeg reeds een wijziging in haar jaarverslag van 2010, en herhaalde haar vraag nadien meermaals.
Er werd vastgesteld dat bepaalde extremistische groeperingen die neigen naar terrorisme niet konden worden doorgelicht door de CFI. Vandaag is er nog steeds geen wettelijke basis om informatie in verband met de witwasverrichtingen of de financiering van terrorisme aan de gerechtelijke overheden te bezorgen wanneer de onderliggende activiteit van de financiers enkel verband lijkt te houden met extremisme. Die lacune in de wetgeving wordt weggewerkt door het huidige wetsvoorstel.
De Cel voor Financiële Informatieverwerking kan vandaag enkel een onderzoek verrichten naar reeds bekende organisaties die op een beperkende lijst staan. Extremistische organisaties blijven steeds buiten schot en blijven buiten het gezichtsveld waardoor mogelijke radicalisering niet of in ieder geval niet tijdig wordt opgemerkt. Het te laat detecteren van radicalisering kan mogelijk bijzonder nefaste gevolgen hebben voor de veiligheid van de Staat en vooral voor de veiligheid van onze burgers.
Extremisten kunnen vandaag terugvalbasissen of ondersteuningsnetwerken vormen om terroristische aanslagen te financieren, zonder dat de Cel voor Financiële Informatieverwerking hen kan doorlichten. Ik verwijs naar de steunnetwerken in verband met de jihadstrijders.
Om de bevoegdheid van de Cel voor Financiële Informatieverwerking duidelijk af te bakenen werd onder meer op aandringen van collega Etienne Schouppe, een amendement aangenomen dat de grenzen bepaalt waarbinnen de financiering van extremisme kan worden onderzocht. Voor die definitie werd teruggegrepen naar de bestaande definitie uit de wet houdende de regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Die definitie heeft reeds jarenlang haar nut bewezen. Door ze nu wettelijk te verankeren, zijn er duidelijke grenzen voor de CFI.
Het wetsvoorstel werd mede ingediend door collega's Ludo Sannen, Martine Taelman, Richard Miller en Louis Siquet.
De actualiteit leert ons dat lacunes in de wetgeving snel moeten worden gedicht, zeker wanneer de handhaving van de openbare orde in het gedrang komt. Ik wens de collega's daarom te danken voor de snelheid en de steun bij de behandeling van dit wetsvoorstel.
Mevrouw Lieve Maes (N-VA). - Met dit wetsvoorstel willen de indieners een beperkte uitbreiding van het takenpakket van de cel Financiële Informatieverwerking invoeren, waardoor niet enkel terrorisme onder haar bevoegdheid valt, maar ook extremisme. Het is zeker zo dat extremisme kan aanzetten tot terrorisme. Nochtans dient men voor ogen te houden dat terrorisme een misdrijf is en extremisme dit in de regel niet is.
Wanneer extremisme wordt ingevoegd in de preventieve witwaswet, is dat dus een bijzondere afwijking, daar tot op heden de illegale herkomst van het geld of de activa telkens verband houdt met een onderliggend misdrijf.
We hebben bedenkingen bij de vooropgestelde oplossing. Door het woord "extremisme" in te voegen in de lijst van onderliggende misdrijven aan het witwassen van geld, worden alle verplichtingen van de preventieve witwaswet van toepassing op de financiering van extremisme. In het bijzonder zullen alle meldingsplichtige personen en instellingen moeten nagaan of hun cliënten er extremistische opvattingen en bedoelingen op nahouden, alsook of de financiële transactie betrekking heeft op activiteiten die met dat gedachtegoed verband houden. Dat is noch realistisch, noch wenselijk. Ook verder in het proces zijn er punten die ons de wenkbrauwen doen fronsen. Onze fractie zal dan ook tegen het voorstel stemmen, daar ze de voorgestelde oplossing buiten proportie vindt voor het beoogde doel.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VB). - Wij zijn voorstander van dit wetsvoorstel en vinden dat er een aantal goede zaken inzitten. Persoonlijk zal ik mij onthouden, omdat ik een probleem blijf hebben met de definitie van het begrip extremisme.
Dit op zich goede voorstel gaat terug op de definitie die dateert van 1998. Daar ging ik toen niet mee akkoord en daar ga ik nog steeds niet mee akkoord.
De definitie die toen van extremisme werd gegeven luidt: "Activiteiten die erop gericht zijn racistische, xenofobe, anarchistische, nationalistische of totalitaristische doeleinden te bereiken". Men gooit anarchisme, nationalisme en totalitarisme op een hoop. Dat vind ik niet kunnen. Bovendien wordt in die definitie nergens het communisme vermeld, een politiek systeem dat verantwoordelijk was voor een heel groot aantal slachtoffers in de wereldgeschiedenis. Ook islamitisch fundamentalisme ontbreekt in de definitie van 1998.
Het wetsvoorstel dat vandaag voorligt, zal weliswaar een mouw passen aan de nog altijd geldende definitie van 1998, die niet goed is. Nu de cel Financiële Informatieverwerking de verduidelijking heeft gegeven - waarmee ik het eens kan zijn - dat het wetsvoorstel tegen de financiering van gewelddaden en terrorisme gericht is, en niets meer beoogt, zullen onze fractieleden het voorstel goedkeuren.
Mijn onthouding is niet alleen ingegeven door de definitie van het begrip "extremisme", maar ook door mijn overtuiging dat de vrijheid van meningsuiting in geen enkel opzicht beperkt mag worden. Omzichtigheid is dus geboden. De collega's van de N-VA hebben gelijk wanneer ze zeggen dat door dit wetsvoorstel de verplichtingen inzake preventie van witwaswet toepasselijk zullen zijn en dat financiële instellingen en zelfstandigen opgezadeld zullen worden met het onderzoeken van eventuele opiniedelicten en het melden ervan bij de cel Financiële Informatieverwerking. Dat kan de vrije meningsuiting inderdaad in het gedrang brengen.
-La discussion générale est close.