5-2132/1

5-2132/1

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

3 JUNI 2013


Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot de rechtspersonenbelasting van lokale besturen op inkomsten uit roerende goederen en kapitalen

(Ingediend door de heer Guido De Padt)


TOELICHTING


Vele lokale besturen worden sinds enige tijd geconfronteerd met fiscale controles waarbij zij (plots) worden belast op inkomsten uit standgelden van markt- en foorkramers, uit het verhuren van CD's in een bibliotheek, uit het ter beschikking stellen van terrassen ten behoeve van cafés en restaurants, uit het ter beschikking stellen van openbaar domein naar aanleiding van bijvoorbeeld verbouwingswerken aan een woning, uit het verhuren van sommige gebouwen, enz.

Deze aanslagen gebeuren in toepassing van artikel 221, 2º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat luidt als volgt :

« De aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van :

[1º ...].

2º inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in artikel 21, 5º, 6º en 10º, vermelde eerste inkomstenschijven, evenals in artikel 90, 5º tot 7º en 11º, vermelde diverse inkomsten. »

Het artikel 220, 1º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de gemeenten onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting.

De essentie en de grondslag van de in dit wetsvoorstel behandelde problematiek is terug te vinden in onderstaande nota van de fiscus :

« Artikel 221, 2º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen belastbaar zijn ter zake van inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen.

Krachtens artikel 17, § 1, 3º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden als inkomsten uit roerende goederen en kapitalen beschouwd :

« inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen. »

Onder de term concessie wordt verstaan elke overeenkomst die, zonder eigendomsoverdracht mede te brengen, onder bezwarende titel het recht verleent een goed of een recht uit te baten of er gebruik van te maken (Hof van beroep van Gent, 30 maart 1965, Bulletin der belastingen, nr. 427, blz. 225).

De uitdrukking « roerende goederen », die in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 niet nader bepaald is, dekt zowel lichamelijke als onlichamelijke goederen, dit wil zeggen roerende rechten zomede goederen die uit hun aard roerend zijn » (artikel 17/2 van het Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

De administratie is van mening dat rechten die worden overgedragen met betrekking tot een tijdelijk monopolie van een exploitatie als onlichamelijke roerende rechten moeten worden beschouwd.

Het arrest van 20 februari 2008 van het hof van beroep van Luik bepaalt inzonderheid dat het weinig belang heeft of de dienstenconcessie gedeeltelijk betrekking heeft op een dienstverlening van algemeen belang of verplichtingen van publieke aard omvat, zodra de concessie toelaat om winstgevende commerciële en technische activiteiten uit te oefenen.

Geen enkel « attractiebeginsel » regelt de overeenkomsten van diensten die door openbare besturen worden gesloten; het zou ongegrond zijn om aan te nemen dat het recht om een activiteit uit te oefenen, dat per definitie onlichamelijk en roerend is, een onroerend karakter zou verkrijgen enkel en alleen wegens het feit dat de bedoelde activiteit wordt uitgeoefend in een onroerend goed dat toebehoort aan het openbaar domein.

Concreet komen volgende inkomsten van de gemeenten in aanmerking :

— verhuur van roerende goederen;

— huurovereenkomsten-concessieovereenkomsten;

— standgelden (marktgelden/kermiswagens);

— overeenkomsten met GSM operatoren.

Onder inkomsten van verhuring van roerende goederen zijn onder meer begrepen de inkomsten van verhuring of verpachting van stoelen, zetels, enz., mat andere woorden, de verhuring alle roerende goederen (Commentaar op het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, artikel 17/3, 2º).

Onder netto-inkomen van verhuring, enz., van roerende goederen wordt verstaan het bruto-inkomen verminderd met de kosten die zijn gedragen om die inkomsten te verwerven of te behouden; bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden die kosten forfaitair geraamd volgens percentages die de Koning bepaalt (artikel 22, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992), in casu 15 % (artikel 3 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

Met betrekking tot de standgelden (marktgelden/kermiswagens) :

De gemeente verleent het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen op een locatie ter beschikking gesteld door de gemeente.

Deze inkomsten zijn te kwalificeren als roerende inkomsten.

Het hof van beroep in Antwerpen heeft in zijn arrest van 5 mei 2010 geoordeeld dat « de vergoeding voor het verkrijgen van het verkooprecht een vergoeding is voor het verkrijgen van een recht om iets te doen, dus een vergoeding voor een roerend goed ».

Deze inkomsten zijn niet te kwalificeren als onroerende inkomsten.

Er wordt verwezen naar een arrest van het hof van beroep in Brussel van 28 september 2001 (FJF 2002/105).

Hierin staat dat « de goederen die deel uitmaken van het openbare domein niet kunnen worden verhuurd », derhalve geen onroerende inkomsten kunnen opleveren en dat er bijgevolg ook geen sprake kan zijn van onderverhuring.

Besluit : de inkomsten met betrekking tot de marktgelden vallen onder het toepassingsgebied van artikel 17, § 1, 3º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. »

Voor de gemeenten geeft de toepassing van deze bepalingen evenwel aanleiding tot problemen.

Eerst en vooral is het zo dat de meeste gemeenten inkomsten ontvangen uit de verhuur of het gebruik van roerende goederen, zoals bijvoorbeeld de verhuur van tafels, stoelen, tenten, sportmateriaal, wegenmateriaal en dergelijke meer. Vele gemeenten beschikken zelfs over een aparte uitleendienst voor het gemeentelijk materiaal. Alle roerende goederen die eigendom zijn van de gemeenten en die tegen een bepaald bedrag worden verhuurd, leveren roerende inkomsten op waarop roerende voorheffing betaald moet worden. Volgens de fiscale administratie zijn het in principe de huurders van de materialen die de roerende voorheffing aan de bron moeten inhouden en voldoen op het ontvangkantoor. Indien dit echter niet is gebeurd, zal de administratie vaak geneigd zijn om de gemeenten aan te spreken als verkrijger van de inkomsten. Dezelfde situatie doet zich voor wanneer gemeenten concessies toestaan voor bijvoorbeeld de uitbating van sporthallen en gemeentelijke centra, waarbij de roerende voorheffing ingehouden en gestort moet worden door de concessiehouder. Het is niet billijk dat de fiscale administratie zich richt tot de gemeenten wanneer blijkt dat de werkelijke schuldenaars van de roerende voorheffing verzaakt hebben aan hun verplichting om deze roerende voorheffing in te houden aan de bron en te voldoen op het ontvangkantoor.

Verder lijkt het ons al even onbillijk dat wanneer gemeenten bijvoorbeeld gebouwen in concessie geven of markten organiseren, dit aanleiding kan geven tot belastbare roerende inkomsten, omdat dergelijke activiteiten gekaderd moeten worden binnen hun bevoegdheden en verplichtingen als overheid. Het feit dat gemeenten gevolg geven aan bepaalde noden van hun inwoners situeert zich immers binnen de publieke dienstverlening en kan geenszins aanzien worden als het verschaffen van roerende rechten met belastbare roerende inkomsten voor gevolg. Activiteiten van gemeenten zoals het in concessie geven van gebouwen, het organiseren van markten, het laten plaatsvinden van kermissen en dergelijke meer, kaderen binnen hun opdracht als overheid en mogen bijgevolg geen aanleiding kunnen geven tot belastbare roerende of diverse inkomsten. Het lijkt ons inderdaad merkwaardig dat de lokale overheden roerende voorheffing moeten betalen op inkomsten die mee moeten dienen om ervoor te zorgen dat diensten van algemeen (inclusief federaal) belang worden aangeboden aan de burgers. De Staat roomt aldus niet alleen inkomsten af van steden en gemeenten om zijn eigen financiële situatie te verbeteren, maar stelt zich ook op als een ondankbare overheidspartner.

Deze vaststelling knelt des te meer wanneer men vaststelt dat de taken en de lasten die de federale overheid zelf oplegt aan de gemeenten, nauwelijks of niet vergoed worden.

Zo denken we aan de aflevering van rijbewijzen (de federale vergoeding om de rijbewijzen uit te reiken werd recent afgeschaft — de gemeenten mogen een toeslag aanrekenen aan de burger om hun eigen kosten te dekken — ligt het in de bedoeling om ook op die vergoedingen een roerende voorheffing te innen ?), aan de uitreiking van de identiteitskaarten en paspoorten (die onbetaalbaar zouden worden mochten de gemeenten de personeelskosten volledig doorrekenen), de bestaffing van en werkingskosten voor de vreemdelingendiensten, het bijhouden van allerlei registers, inclusief de strafregisters, de behandeling en financiering van leefloondossiers, enz.

Het onderling respect dat van toepassing zou moeten zijn op de verschillende overheidsniveaus in ons land, strijdt met het belasten (voor een stad als Geraardsbergen komt dit neer op ongeveer 100 000 euro over vijf jaar — voor heel België mag men wellicht rekenen op ongeveer 7 miljoen euro per jaar) van elkaars inkomsten. Anders oordelen zou er toe leiden dat het sociaal en maatschappelijk leven van de ene overheid moet worden afgebouwd tengevolge van de belastingdruk van een andere (hogere) overheid.

Guido DE PADT.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet

Art. 2

Artikel 221, 2º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en laatst gewijzigd bij de wet van 14 december 2004, wordt aangevuld met de volgende zin :

« Deze bepaling is, met ingang van het aanslagjaar 2009, niet van toepassing op steden en gemeenten. »

3 mei 2013.

Guido DE PADT.