5-100

5-100

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 2 MEI 2013 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek der Filipijnen, anderzijds, gedaan te Phnom-Penh op 11 juli 2012 (Stuk 5-2024)

Algemene bespreking

De heer Bert Anciaux (sp.a), corapporteur. - Mijn corapporteur, Patrick De Groote, en ikzelf verwijzen naar ons schriftelijk verslag.

Mevrouw Sabine Vermeulen (N-VA). - Deze kaderovereenkomst, die zorgt voor een moderne en vruchtbare dialoog over de bilaterale betrekkingen tussen de Europese Unie en de Filipijnen, kan ik enkel toejuichen. De overeenkomst regelt de samenwerking op het vlak van handel en investeringen, milieu, klimaat, energie, wetenschap, maar ook van corruptie, georganiseerde misdaad en ontwikkelingssamenwerking. We mogen namelijk niet vergeten dat de Filipijnen nog steeds een ontwikkelingsland zijn waar de elite zowel economisch als politiek alle touwtjes in handen heeft, met verdere en grote ongelijke verdeling van de rijkdom tot gevolg.

De Filipijnen zijn echter ook een ondernemend land. Dat uit zich in de export van personeel, die een echte brain business is geworden. Wegens het specifiek belang dat de Filipijnen aan de migratiepolitiek hechten, bevat de kaderovereenkomst zelfs een apart hoofdstuk over maritieme arbeid. Dat is zeer noodzakelijk, want Filipijnse mannen worden grotendeels als exportproduct voor maritieme arbeid beschouwd. Vanuit die sector sturen Filipijnse expats jaarlijks miljoenen euro's naar huis. De export van arbeidskrachten levert de Filipijnse overheid weliswaar veel geld op, maar die gaat daarbij jammer genoeg nog te veel voorbij aan de behoeften van de eigen bevolking.

Dat de tweede poot van de Filipijnse brain business niet in de overeenkomst is opgenomen, is zeer opmerkelijk. De mannen zitten op zee, maar ook de vrouwen worden geëxporteerd, als verpleegster of verzorgende. Deze vorm van brain business in de gezondheidszorg verdient evenveel aandacht, want Europese lidstaten, ook België, aarzelen niet om het personeelsgebrek in de gezondheidszorg op te lossen door privébedrijven in te schakelen die gespecialiseerd zijn in het rekruteren van buitenlands personeel. De Filipijnse regering moedigt die vorm van migratie zelfs sterk aan, maar intussen heeft de meerderheid van de Filipijnse bevolking zelf geen toegang tot de gezondheidszorg. Uiteraard moet de Filipijnse overheid er zelf voor zorgen dat de financiële voordelen van de migratiepolitiek ten goede komen aan de eigen gezondheidszorg, maar ook de Europese "importlanden" kunnen helpen door sensibilisering en het opnemen van specifieke clausules in samenwerkingsovereenkomsten. Ook in deze kaderovereenkomst was er, naast de maritieme expats, beter plaats ingeruimd voor het gezondheidspersoneel en de daarbij behorende migratiepolitiek. De kaderovereenkomst is een stap vooruit, maar mist dit belangrijk onderdeel. We kunnen de Europese lidstaten nog oproepen de code of practice van de Wereldgezondheidsorganisatie over het internationaal aanwerven van gezondheidspersoneel te steunen, maar ik zal er blijven voor pleiten dat landen die hoogopgeleiden rekruteren steeds moeten nagaan wat het effect is op het land van herkomst. Als daar een schaarste is aan mensen met het gevraagde profiel, zoals dat het geval is met verpleegkundigen in de Filipijnen, dan moet van rekrutering worden afgezien en moet voldoende ondersteuning worden geboden om de omstandigheden waarin hogeropgeleiden in de landen van herkomst moeten werken, te verbeteren.

Artikel 45 van de overeenkomst spreekt over programma's ter verbetering van de gezondheidszorg. Europa kan deze problematiek zeker nog in dat artikel integreren en ik hoop dat er voldoende aandacht naar zal gaan.