5-1216/3

5-1216/3

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

30 APRIL 2013


Wetsvoorstel houdende bestraffing van de exploitatie van bedelarij, mensenhandel en mensensmokkel in verhouding tot het aantal slachtoffers


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW VERMEULEN


I. INLEIDING

Het wetsvoorstel 5-1216 houdende bestraffing van de exploitatie van bedelarij, mensenhandel en mensensmokkel in verhouding tot het aantal slachtoffers van de heer Bert Anciaux werd op 12 september 2012 ingediend en werd oorspronkelijk naar de commissie voor de Justitie verzonden. Op verzoek van de Commissie voor de Binnenlandse Zaken en administratieve Aangelegenheden werd het op 3 mei 2012 herverzonden naar deze commissie. Het wetsvoorstel werd besproken op de vergaderingen van 27 november 2012, 8 januari, 5 februari, 23 en 30 april 2013.

Het wetsvoorstel is gebaseerd op de verslagen van de twee werkgroepen « Mensenhandel » die door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en Administratieve Aangelegenheden werden uitgebracht.

Een eerste werkgroep « Mensenhandel » werd opgericht op 1 december 2009 en het verslag van de voorzitter, senator Dirk Claes, werd goedgekeurd door de commissie op 4 mei 2010 (stuk Senaat, nr. 4-1631/1).

De tweede werkgroep « Mensenhandel » werd opgericht op 3 mei 2011 en werd voorgezeten door senator Caroline Désir. Deze tweede werkgroep was een noodzakelijke aanvulling op de eerste die door de ontbinding van het Parlement zijn werkzaamheden niet volledig had kunnen beëindigen. Op die manier konden de geplande hoorzittingen volledig worden afgewerkt.

Voorliggend wetsvoorstel is bijgevolg gebaseerd op de hoorzittingen in het kader van de activiteiten van de werkgroep « Mensenhandel » en wil tegemoetkomen aan een van de problemen die tijdens de hoorzittingen werden aangekaart.

Op 23 april heeft de minister van Justitie, mevrouw Annemie Turtelboom, het standpunt van de regering gegeven over het wetsvoorstel. De regering heeft bij die gelegenheid eveneens amendementen ingediend op het wetsvoorstel.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER BERT ANCIAUX, INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

Het bestrijden van exploitatie van mensen via bedelarij, mensenhandel en mensensmokkel eist terecht een voortdurende scherpstelling. De overheid streeft naar een steeds performanter instrumentarium om deze strijd zo slagkrachtig mogelijk te maken. Dit vraagt een systematische en voortdurende analyse van de praktijk, opdat de bestaande instrumenten daartoe altijd doeltreffender kunnen worden georganiseerd en de wettelijke kaders deze aanpak optimaal faciliteren.

In deze bestrijding speelt de bestraffing van daders een cruciale rol. Een koppeling van de zwaarte van de straf aan de omvang van deze exploitatie biedt daartoe efficiënte afschrikking.

Momenteel bestraft artikel 433quinquies, § 2, de mensenhandel met een gevangenisstraf van één jaar tot vijf jaar en met een geldboete van vijfhonderd euro tot vijftigduizend euro. De artikelen 433sexies, 433septies en 433octies voorzien in drie categorieën van verzwarende omstandigheden. De eerste categorie van verzwarende omstandigheden leidt tot een opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en tot een geldboete van zevenhonderd vijftig euro tot vijfenzeventigduizend euro (artikel 433sexies). De tweede categorie wordt bestraft met opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar en met een geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro (artikel 433septies). De derde categorie tot slot wordt gestraft met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar en met geldboete van duizend euro tot honderd vijftig duizend euro. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel werd zo de oplegging van de boete losgekoppeld van het aantal slachtoffers.

Bij het bestraffen van de huisjesmelkers voorziet artikel 433undecies daarentegen dat de boete zo veel keer wordt toegepast als er slachtoffers zijn. Deze aanpak kiest bewust voor een koppeling van de straf aan de omvang van de huisjesmelkerij.

Tijdens de hoorzitting op 24 februari 2010 voor de werkgroep « Mensenhandel » stelde de heer Charles-Eric Clesse, eerste substituut bij het Arbeidsauditoraat van Charleroi, terecht dat het raadzaam is om een koppeling van de straf aan het aantal slachtoffers te voorzien. Dit kan door het bedrag van de geldboete te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers dat de bodemrechter erkende (zie verslag « Mensenhandel » namens de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de administratieve Aangelegenheden, uitgebracht door de heer Claes, 4 mei 2010, stuk Senaat, nr. 4-1631/1, blz. 72).

Deze logica kan rechtlijnig worden toegepast op de bestraffing van bedelarij omdat het in deze context handelt over een vergelijkbaar fenomeen.

Daarom beoogt dit voorstel een koppeling van de straffen voor bedelarij, mensenhandel en mensensmokkel aan het aantal slachtoffers. Dit betekent dat de boete voor mensenhandel en mensensmokkel zo veel keer wordt toegepast als er slachtoffers zijn.

III. UITEENZETTING VAN HET STANDPUNT VAN DE REGERING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE, MEVROUW ANNEMIE TURTELBOOM

De strijd tegen mensenhandel staat reeds meer dan vijftien jaar hoog op de nationale en internationale politieke agenda. Het Belgische beleid op het vlak van mensenhandel wordt gekenmerkt door een integrale, geïntegreerde en multisectoriële dimensie.

Hoewel dit Belgisch model nog steeds geldt als één van de meest ontwikkelde systemen binnen de EU en er op nationaal vlak een aantal belangrijke successen geboekt zijn — zowel op het vlak van justitieel optreden als op het vlak van bescherming en opvang van slachtoffers —, zijn er ook punten voor verbetering vatbaar.

Overigens is de strijd tegen de mensenhandel ook voor de Europese Unie al verscheidene jaren een prioriteit. In maart 2011 werd onder het Belgisch voorzitterschap een nieuwe richtlijn van de Europese Unie aangenomen. Het gaat om de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad.

De richtlijn neemt in grote lijnen de doorbraken over van het Verdrag van Warschau van de Raad van Europa in 2005. Op een aantal punten gaat ze echter een stap verder. De omzettingstermijn van de richtlijn is begin april verstreken. Onze wetgeving, die bij de wet van 10 augustus 2005 hervormd is, is weliswaar grotendeels in overeenstemming met dat nieuwe instrument, maar er moeten nog diverse technische aanpassingen worden aan aangebracht. Daarnaast is sinds de wet werd aangenomen vijf jaar verstreken. De spelers in het veld en de rechtsleer hebben gewezen op leemten en op toepassingsproblemen, onder andere inzake de strafbaarstelling van de mensenhandel. Sommige van de leemten of problemen vergen wetswijzigingen om ze te verhelpen en om de wetgeving optimaal toe te passen.

In die context werd in 2011 een werkgroep opgericht met de opdracht technische wijzigingsvoorstellen te formuleren. Die werkgroep bestond uit vertegenwoordigers van het DGWL en van de Dienst Strafrechtelijk Beleid van de FOD Justitie, van het Netwerk Mensenhandel van het College (de heer Frédéric Kurz), van parketten (mevrouw Catherine Collignon) en van een arbeidsauditoraat (de heer Charles-Eric Clesse), alsook uit een deskundige van het Centrum voor gelijkheid van kansen. De werkgroep boog zich zowel over de problemen die de diverse spelers in het veld hebben aangekaart en over de diverse evaluaties, als over de wetsvoorstellen en de verplichtingen die uit de Europese richtlijn voortvloeien. Hij heeft ook vergelijkingen gemaakt met buitenlandse wetgevingen. Eind december werden de voorstellen voor advies overgelegd aan de drie Opvangcentra, de Dienst Vreemdelingenzaken, de federale politie, de Sociale Inspectie, het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en aan de Vlaamse Wooninspectie. De werkgroep heeft half januari vergaderd en heeft zijn project op bepaalde punten aangepast.

Een reeks voorstellen van de groep is terug te vinden in het wetsontwerp nr. 5-711/4 dat in april 2013 in deze commissie en in plenaire vergadering van de Senaat werd aangenomen. Andere voorstellen ondersteunen diverse wetsvoorstellen die in de commissie zijn besproken.

De andere voorstellen van de groep zouden in de vorm van een voorontwerp van wet worden ingediend aangezien zij betrekking hebben op andere wettelijke bepalingen.

Wat de sancties betreft, vond de werkgroep wetsvoorstel nr. 5-1216 van de heer Anciaux, waarin wordt voorgesteld om in gevallen van mensenhandel en mensensmokkel, het bedrag van de geldboete te vermenigvuldigen met het aantal slachtoffers, wel een goed idee. Evaluaties van het strafrechtelijk beleid hebben vaak geleid tot de vraag of de boetes voor mensenhandel niet beter afgestemd moeten worden op het bestaande sociaal strafrecht. In tegenstelling tot het genoemde wetsvoorstel heeft de werkgroep deze werkwijze echter niet aanbevolen wanneer het gaat om de exploitatie van bedelarij. Indien men de vermenigvuldiging van de boete toepast voor exploitatie van bedelarij, dient men dat ook te doen voor exploitatie van prostitutie.

De regering zal dus amendementen indienen in die zin (stuk Senaat, nr. 5-1216/2).

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

Opschrift

De regering dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1216/2) dat ertoe strekt het opschrift van het wetsvoorstel aan te passen teneinde rekening te houden met de uitbreiding van het toepassingsgebied van het voorstel tot de exploitatie van prostitutie.

Amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Artikel 1

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Artikel 1/1 (nieuw)

De regering dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1216/2) dat ertoe strekt een artikel 1/1 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 1er/1. Artikel 380 van het Strafwetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 26 november 2011, wordt aangevuld met een § 7, luidende :

« § 7. De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn. » »

Het amendement heeft tot doel het toepassingsgebied van het wetsvoorstel uit te breiden tot de exploitatie van prostitutie, voor zover de exploitatie van bedelarij erin wordt beoogd.

Amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Artikelen 2 tot 11

Over de artikelen 2 en 11 worden geen opmerkingen gemaakt en ze worden achtereenvolgens eenparig aangenomen door de 13 aanwezige leden.

Geheel

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen bij eenparigheid van de 13 aanwezige leden.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Sabine VERMEULEN. Philippe MOUREAUX.