5-96 | 5-96 |
De voorzitster. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)
De heer Jean-Jacques De Gucht (Open Vld). - Nederland heeft op 13 maart jongstleden beslist het terreuralarm te verhogen van `beperkt' naar `substantieel', de op één na hoogste alarmfase. Onze noorderburen vrezen voor aanslagen van geradicaliseerde jongeren met Nederlandse achtergrond die naar het Syrische front trekken. Volgens de Nederlandse nationaal coördinator Terrorismebestrijding zorgen de Arabische Lente en de naweeën ervan voor een stijging van het aantal strikt islamitische organisaties die hun weg richting Europa vinden. Ook in Frankrijk geldt er sinds januari een verhoogd terreuralarm als gevolg van de inzet van Franse troepen in Mali. Deze landen hebben over de verhoogde staat van alertheid ook open gecommuniceerd, opdat elkeen binnen de ordediensten en daarbuiten - metro, bussen, treinen - waakzamer zal zijn.
Ook ons land heeft zich geëngageerd in de operatie Serval in Mali, waarbij de strijd wordt aangebonden met de jihadisten aldaar. Bovendien blijken ook bij ons meer dan zeventig jongeren naar Syrië te zijn getrokken, waar een groot deel zich heeft aangesloten bij de extremistische beweging al-Nusra om te vechten tegen het regime van Assad. Deze jongeren dreigen verder te radicaliseren en volgen er bovendien allerhande gevechtstraining.
De redenen waarom in onze buurlanden het terreuralarm werd opgetrokken, gelden eveneens in ons land. Ook voor onze landgenoten in Mali en vooral in de buurlanden van Mali dreigt er gevaar.
Heeft OCAD ook in ons land het dreigingsniveau onlangs opgetrokken en, zo ja, naar welk niveau en op welke gronden? Zo neen, hoe verklaart de minister dit, nu ons land zich net als Frankrijk inzet in Mali en ons land eveneens geconfronteerd wordt met jongeren die zich aansluiten bij extremistische bewegingen in Syrië en er ook bij ons nieuwe extremistische organisaties opgang maken? Werden er specifieke maatregelen getroffen voor onze landgenoten in Mali en zijn buurlanden? Kan de minister dat toelichten?
De heer Filip Dewinter (VB). - Collega De Gucht heeft de problematiek al geschetst. Zo'n zeventig jongeren uit ons land hebben zich bij de Syrische oppositie gevoegd. Dat wekt heel wat onrust en ook vragen. Hoe is het zover kunnen komen? Hoe worden die jongeren hier gerekruteerd?
Er zijn vooral vragen bij de ouders van die jongeren. Eén van hen, Brian De Mulder, staat de jongste dagen centraal in het nieuws. Zijn ouders trachten via de media het lot van hun zoon in positieve zin te beïnvloeden.
Ook ik kreeg mails van zijn zuster, zijn moeder en zijn tante. Zij hebben vragen bij het optreden van de overheid in deze zaak. Het gaat eigenlijk vooral over het niet optreden van de overheid. Die mensen hebben immers ook naar de minister mails gestuurd, alsook naar de burgemeester van Antwerpen en naar de minister van Justitie.
Ik lees voor uit een mail van de moeder: "Wij stellen ons de vraag, als moeder van Brian De Mulder, komen onze jongens nog wel levend terug? Want we stellen vast dat het in dit land onwaarschijnlijk is dat iemand zoals Abu Imran, leider van Sharia4Belgium, vanuit zijn luie zetel met een enkelband aan, jongeren kan indoctrineren en mobiliseren voor de jihad in Syrië, terwijl de overheid werkloos toekijkt. Mijn e-mailverkeer met de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken krijgt spijtig genoeg geen gehoor, integendeel, nul op het rekest." De ouders en de familieleden van die jongeren hebben al vaak een beroep gedaan op de diensten van de minister.
Wat gebeurt er op het ogenblik? Welke initiatieven neemt de minister om deze jongeren veilig in ons land te krijgen? Wat doet de minister om te voorkomen dat deze jongeren gerekruteerd worden door extremistische organisaties zoals de Sharia4Belgium en soortgelijke fundamentalistische moskeeën in onze grootsteden? Hoe begeleidt de minister de ouders van deze kinderen van 17-18 jaar die gemobiliseerd worden voor de jihad, op wie ze geen greep meer hebben en die blijkbaar geen gehoor vinden bij de kabinetten en de diensten van de bevoegde ministers? Deze ouders geven toch wel een schrijnend signaal. Ik hoop dat de minister meer doet dan alleen een technische uitleg geven en hen een antwoord biedt op hun prangende vragen naar wat de overheid doet om hun kinderen veilig terug naar ons land te halen.
Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - De Belgische inlichtingendiensten, de politie, het federaal parket, het OCAD en uiteraard ook de Veiligheid van de Staat volgen van bij het begin de situatie op de voet. Op mijn voorstel werd de coördinatie tussen deze diensten versterkt om de problematiek van de aanwezigheid van Belgen in Syrië te volgen. Ik sta in nauw contact met deze diensten. De verschillende diensten en mijn kabinetsmedewerkers hebben al heel wat vergaderingen gehouden over dit onderwerp. De verdeling van de taken tussen de diensten is duidelijk en de nodige maatregelen werden genomen.
Verschillende diensten zijn ermee belast de families die bekend zijn, te contacteren. Ik ben verbaasd over het feit dat de ouders geen gehoor zouden vinden, want ik heb tot hiertoe de mail die ze mij zouden hebben gestuurd, nog niet ontvangen. Ik zal dit nagaan. Als ik meer informatie krijg, zal ik uiteraard contact opnemen met de dienst die daarvoor bevoegd is, want we doen ons best om die families te begeleiden. De regering is op de hoogte van het aantal personen over wie exacte gegevens bekend zijn; dat aantal verandert elke week. Die cijfers zijn echter een vertrouwelijk operationeel gegeven en daarom heeft de regering beslist daarover niet te communiceren.
Het systeem van het dreigingsniveau is niet eenvormig op Europees niveau. Het OCAD heeft uiteraard de verhoging van het dreigingsniveau in Nederland grondig bestudeerd. Het OCAD en zijn Nederlandse tegenhanger houden immers contact. Het dreigingsniveau in België is niveau 2; het is voorwerp van een nauwkeurige analyse en een regelmatige evaluatie. Wat Syrië betreft, heeft het OCAD een verhoogde waakzaamheid gevraagd aan de betrokken diensten. We houden ook nauw contact met specifieke gemeenten en met de verschillende korpschefs. Het dreigingsniveau is niet het belangrijkste, maar wel het feit dat de betrokken diensten de nodige maatregelen hebben genomen.
We vergaderen minstens eenmaal per week en dan wordt er gesproken over een nieuwe taakverdeling, nieuwe acties enzovoort. Die gegevens zijn evenwel nog vertrouwelijk.
De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken. - Het departement van Buitenlandse Zaken heeft meerdere maatregelen genomen voor de veiligheid van Belgen in Mali en in de Sahelregio.
Het reisadvies is veel strikter geworden; we vragen we om niet meer naar Mali te reizen. De Belgen die in die regio verblijven, worden gecontacteerd en hen wordt aangeraden om te vertrekken indien hun aanwezigheid niet essentieel is. Voor het overblijvende essentieel personeel is er een evacuatienoodplan, dat in samenwerking met Frankrijk is opgezet. De veiligheid van het Belgisch bureau in Bamako wordt verhoogd; er is hiervoor een directe verbinding met de Belgische soldaten van de Servaloperatie en van de EUTM.
Dan kom ik tot de vraag van de heer Dewinter over Syrië, al ben ik niet zeker dat ik de precieze strekking van zijn vraag goed begrijp.
Door de burgeroorlog in dat land hebben we er geen diplomatieke vertegenwoordiging meer. Het is dus duidelijk dat ons land maar beperkte middelen heeft voor consulaire bijstand. Hetzelfde geldt voor de meeste van onze westerse partners. We raden reizen naar Syrië af. Het is evident dat elke Belgische burger die er heen zou willen gaan om er te vechten, groot gevaar loopt als hij gewond raakt of gevangen genomen wordt door regeringstroepen. De FOD Buitenlandse zaken heeft nog geen vragen om hulp gekregen betreffende Belgische burgers in Syrië.
De gematigde Syrische oppositie deelt onze bezorgdheid over de aanwezigheid van steeds meer jihadistische aspirant-strijders in Syrië. Dat draagt bij tot een verandering in de krachtsverhoudingen binnen de oppositie, die het extremistische gedeelte van de oppositie ten goede komt en de perceptie van het conflict vanuit het westen dreigt te veranderen. We onderhouden contact met de gematigde oppositie, die evenwel weinig of geen kans maakt om de politiek van rekrutering van buitenlandse strijders door de extremistische groepen te kunnen beïnvloeden.
Tijdens de trilaterale bijeenkomst met Turkije op 22 januari jongstleden werd de doortocht van jihadistische aspirant-strijders over het Turkse grondgebied besproken. België drukte de wens uit om een bilaterale samenwerking te ontwikkelen om dit fenomeen tegen te gaan en de kanalen op te rollen. Dankzij de aanwezigheid van de Europese vertegenwoordiger ter plaatse is er wel nog enig contact met de jihadi's mogelijk, op voorwaarde dat we over precieze gegevens beschikken.
Ik heb contact gehad met collega's in Irak, in Algerije en in Mali. Ik krijg steeds meer informatie gekregen over Belgen die in Syrië bij extremistische groepen verblijven. Dat geldt misschien ook voor het noorden van Mali.
We proberen om dergelijke geradicaliseerde personen een stap voor te zijn door de uitwisseling van inlichtingen met tal van andere diensten in de wereld, maar ook met specifieke acties in België, zoals blijkt uit het antwoord van mijn collega van Binnenlandse zaken. Deze geradicaliseerde individuen die bereid zijn om aan de zijde van extremistische groeperingen te vechten, zijn een groeiend probleem in Europa. We moeten alle mogelijke maatregelen nemen om die evolutie tegen te gaan.
De heer Jean-Jacques De Gucht (Open Vld). - De minister pleegt geregeld overleg, maar hoe gebeurt de communicatie met, bijvoorbeeld, privébewakingsfirma's of het openbaar vervoer? Wordt met hen ook geregeld overlegd? Stemt niveau 2 in ons land overeen met de niveaus die momenteel in Nederland en Frankrijk worden gehanteerd?
Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. - Jammer genoeg bestaat er geen harmonisatie tussen de Europese landen en behoort de veiligheid nog steeds tot de nationale bevoegdheid. Het OCAD mailt bijna dagelijks met de diverse diensten, waaronder de lokale politiekorpsen en andere veiligheidsdiensten. Bovendien stelt het nota's op met een beschrijving van mogelijke dreigingen en details. Het OCAD is dus bijzonder actief. Het geeft geregeld bijkomende informatie over mogelijke dreigingen en het dreigingsniveau en het verstrekt aanbevelingen inzake te nemen maatregelen.
De heer Filip Dewinter (VB). - Allereerst dank ik de minister van Binnenlandse Zaken voor haar bereidheid een antwoord te geven aan de ouders en familie van Brian De Mulder. Ik zal haar dan ook alle mails en mailadressen bezorgen.
Dat neemt niet weg dat ik vind dat meer moet worden gedaan dan antwoorden à la tête du client. Ik acht de oprichting van een meldpunt noodzakelijk, aangezien het nu toch al om zeventig gevallen gaat. Via die weg kunnen ouders van die geïndoctrineerde, gebrainwashte en gerekruteerde jongeren worden opgevangen en begeleid. Nu staan ze voor een muur, krijgen ze geen hulp en kunnen ze alleen maar hun ergernis kwijt in de media. De overheid heeft hierin een rol te spelen. De overheid moet ook het proces van radicalisering van jongeren trachten tegen te gaan dat hen ertoe brengt de stap zetten om via Turkije naar Syrië of een ander land te trekken en daar militair actief aan de jihad mee te werken.
De minister van Buitenlandse Zaken verklaart dat mensen vrij zijn om in het buitenland te doen en te laten wat ze willen. In de Kamer deelde de minister van Binnenlandse Zaken vorige week nochtans mee dat het Strafwetboek elke deelname aan een terroristische groep bestraft, evenals het aanzetten tot, het trainen en het werven voor terroristische daden. De vermelde feiten vallen wel degelijk onder die wetgeving. Ik ben dan ook van oordeel dat die jongeren er met nadruk moet op worden gewezen dat ze strafbare feiten dreigen te plegen, die enorme gevolgen kunnen hebben voor het verder verloop van hun leven. Het gaat immers over heel jonge mensen die nauwelijks volwassen zijn.
Het antwoord van minister Reynders vind ik dan ook verrassend en in schril contrast met wat minister Milquet hierover heeft verklaard.
De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken. - Ik ken de praktijken van de heer Dewinter en allicht is mijn antwoord overbodig. Desalniettemin zal ik repliceren.
Ik heb nooit beweerd dat iemand in het buitenland vrij is om te doen en te laten wat hij wil. Ik heb alleen gezegd dat we geen middelen hebben om bijvoorbeeld in Syrië op te treden.
Binnenkort nemen we contact op met de Europese vertegenwoordiging in Syrië. Daar kunnen we geen beroep meer doen op diplomaten. We hebben er ook geen soldaten en voeren er geen activiteiten uit.
Met mijn standpunt sta ik op dezelfde lijn als de overige regeringsleden.