5-1931/4 | 5-1931/4 |
5 MAART 2013
I. INLEIDING
De commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 19 en 27 februari en 5 maart 2013.
Op 19 februari 2013 had in de commissie een gedachtewisseling plaats met de heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over de situatie in de DRC in het kader van :
— het voorstel van resolutie inzake het conflict in Oost-Congo en de betrokkenheid van Rwanda en Uganda (stuk Senaat, nr. 5-1931/1);
— het voorstel van resolutie betreffende het verslag van de Verenigde Naties (VN) over de moordpartijen in de Democratische Republiek Congo (stuk Senaat, nr. 5-494/1).
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR MEVROUW NELE LIJNEN, HOOFDINDIENER VAN HET VOORSTEL VAN RESOLUTIE
Mevrouw Lijnen stipt aan dat er opnieuw hevige gevechten in Oost-Congo worden gesignaleerd. De druk op Uganda en Rwanda moet worden opgevoerd. Er wordt opheldering gevraagd wat betreft de actieve betrokkenheid van hooggeplaatsten bij de bewapening van de M23-rebellen en er wordt gevraagd al het nodige te ondernemen om deze steun onmiddellijk te laten ophouden.
Er moet bij de Europese en internationale partners worden aangedrongen het debat te openen over het opnieuw instellen van een wapenembargo, overeenkomstig resolutie 918 van de VN-Veiligheidsraad, indien Rwanda niet onmiddellijk overgaat tot de stopzetting van de militaire escalatie in Oost-Congo.
Er moet zeker ook bij de Europese en internationale partners worden gepleit om het Monusco-mandaat te versterken.
Er moet verder ook worden aangedrongen om de inspanningen op te voeren om te komen tot een gemeenschappelijk standpunt zowel op Europees als op internationaal vlak, wat betreft de gevolgen die aan de toestand in Oost-Congo en de gerapporteerde oorzaken daarvan moeten worden verbonden op vlak van de ontwikkelingssamenwerking met Rwanda en Uganda.
De budgetten die vrijgemaakt worden voor ontwikkelingssamenwerking met Rwanda en Uganda, en die de burgerbevolking niet direct ten goede komen moeten worden omgezet in budgetten ter ondersteuning van de vele vluchtelingen in Oost-Congo. Dit zou ook voor de buurlanden een zeer krachtig signaal zijn.
III. UITEENZETTING DOOR DE HEER DIDIER REYNDERS, VICE-EERSTEMINISTER EN MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN EUROPESE ZAKEN OVER DE SITUATIE IN CONGO
De huidige situatie in Congo is zeer onstabiel. Er is een opstand in Noord Kivu en in Goma. De gevechten in Goma met M23 zijn nu min of meer gestopt sinds het begin van de bespreking tussen de regering en de rebellen in Kampala maar de situatie blijft gespannen. Er zouden nog M23 elementen in burger actief zijn in Goma. Er wordt over een kaderakkoord onderhandeld met de heer Bank Ki-moon, secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Dit zou op 24 februari 2013 in Addis-Abeba worden ondertekend.
In een akkoord zoals de Secretaris-generaal voorstelt kan men verschillende aspecten onderscheiden. Er zijn onder meer een aantal verzoeken aan de DRC zelf, in het bijzonder op het vlak van de versterking van de rechtsstaat en de hervorming van de veiligheidsdiensten. Dit zijn de hoofdproblemen in de conflicten in Oost-Congo.
Hoewel België geen zitting heeft in de VN-Veiligheidsraad, wordt ons land geregeld geraadpleegd en geïnformeerd over het proces.
Er zijn ook verzoeken aan de buurlanden. Dit blijft een probleem binnen de Verenigde Naties, al was het maar om — zoals de minister al jaren doet — duidelijk te vragen dat deze landen, inzonderheid Rwanda, een deel moeten zijn van de oplossing en niet van het probleem. Bovendien is Rwanda sinds begin dit jaar lid van de VN-Veiligheidsraad.
De minister is veeleer voorstander van een uitgebreider mandaat voor Monusco, als het erom gaat de troepen toe te voegen die in principe door de Southern African Development Community (SADC), vooralsnog in de eerste plaats door Zuid-Afrika en Tanzania, worden aangeboden. Het zou gaan om 2 000 soldaten die een offensievere rol zouden spelen met logistieke steun van Monusco. De minister meent dat men het huidige aantal leden van Monusco (17 000) kan verminderen en vervangen door deze nieuwkomers. Dit alles moet worden gefinancierd, en het is niet zeker dat de huidige 17 000 manschappen absoluut nodig zijn. Bovendien zijn de Verenigde Naties sterk aanwezig in Ivoorkust. Men werkt ook aan een vredesmissie die de fakkel zou overnemen van de Franse operatie Serval in Mali en van de internationale steunmissie voor Mali onder Afrikaans gezag (Misma), omdat de opeenstapeling van dit soort missies inspanningen vergt op financieel en organisatorisch vlak.
Het is zeer belangrijk dat er een goede samenwerking is niet alleen tussen de actoren op het terrein maar ook tussen de verschillende instanties. Dit kan bereikt worden via een kaderakkoord en het zenden van een speciale gezant. Eerst en vooral moet het geweld in Oost-Congo worden stopgezet en daarna zal de lange weg van de dialoog moeten bewandeld worden. Er moet een oplossing voor de vluchtelingen en voor de grenscontrole worden gevonden. De economische problemen, waaronder de mijnbouw, moeten eveneens opgelost worden.
Zoals de minister reeds meermaals in het parlement heeft verklaard, is Oost-Congo momenteel een soort grabbelton waar iedereen zich komt bedienen. Zolang men de veiligheid niet kan verzekeren, de toestand van de ontheemden niet verbetert, de grenzen niet beter controleert met behoud van de integriteit van het Congolese grondgebied, zullen de grondstoffen in het Oosten bedreigd blijven.
De minister dankt de Franse collega's die steeds het Europese standpunt bij de VN-Veiligheidsraad hebben verdedigd. Er bestaat immers een gemeenschappelijk standpunt van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en men heeft steeds kunnen rekenen op de heer Laurent Fabius, Frans minister van Buitenlandse Zaken, tijdens deze besprekingen. Dit alles mag echter niet doen vergeten dat de toestand op het terrein onrustwekkend blijft. Men vreest voor een zekere destabilisering binnen de DRC, en een verzwakking van de Congolese overheid als het dossier niet geregeld wordt. De minister hoopt dat er in Addis Abeba op 24 februari beslissingen worden genomen.
Onze ambassadeur heeft al meermaals gereageerd, omdat wij steeds meer berichten ontvangen over een toename van het aantal willekeurige aanhoudingen, wat, als dit bevestigd wordt, wijst op toenemende spanningen. De minister heeft geregeld telefonische contacten met de Congolese eerste minister om erop aan te dringen dat de DRC een actieve rol speelt in het zoeken naar een oplossing voor het Oosten en de naleving van de mensenrechten.
Er wordt een nationale dialoog aangekondigd, die alle betrokkenen bijeenbrengt in een debat over de voornaamste thema's, waaronder goed bestuur en decentralisatie.
Ook het kiesproces kampt met problemen. De Onafhankelijke Nationale Kiescommissie (CENI) werd bij wet grondig hervormd. Een aantal organisaties, waaronder ngo's, acht deze hervorming nog niet helemaal afdoende. De nieuwe Commissie is nog niet opgericht, maar sommigen vragen om ze weer in het parlement onder te brengen en om de basistekst in die zin te herzien. Hierbij moeten wij eerst trachten een oplossing te vinden voor het Oosten, via een hervatting van de dialoog tussen de buurlanden en hun presidenten. Momenteel dreigt de situatie te verrotten als er geen initiatief wordt genomen om ze te deblokkeren. De secretaris-generaal heeft daartoe een poging ondernomen. Ook de president van de Verenigde Staten heeft bij president Kagame aangedrongen om een positieve rol te spelen.
Wat de voorstellen van resolutie betreft, is de bestrijding van de straffeloosheid een vaak voorkomend discussiepunt. Dit maakt integraal deel uit van het dossier, en er bestaan al lijsten met sancties tegen onder meer de leiders van M23. Men moet hierin verdergaan, ook al is de minister ervan overtuigd dat er moet worden nagedacht over internationale gerechtshoven voor Afrika. Men kan zich inbeelden dat sommige debatten over mogelijke sancties en veroordelingen binnen Afrikaanse instanties worden gevoerd. Er bestaan al verdragen die dit mogelijk maken.
Men heeft de indruk dat het Internationaal Strafhof in Den Haag vooral bedoeld is voor Afrika, dat andere regio's eraan ontsnappen, en dat de keuze er uiteindelijk in bestaat om ofwel verkiezingen te winnen en het presidentieel paleis te betrekken, ofwel ze te verliezen en naar Den Haag te gaan.
Men kan niet genoeg hameren op de noodzaak om de straffeloosheid of het gevoel van straffeloosheid te bestrijden. Er moeten dus lijsten zijn met sancties en voorwaarden voor vervolging.
De minister legt uit dat er verschillende punten in verband met het nieuwe kaderakkoord op de agenda staan. Men wacht op het groen licht om een versterkt mandaat te geven aan de Monusco, ditmaal met inbreng van nieuwe Afrikaanse troepen.
Wat Rwanda betreft, is er een gesprek aan de gang over het rapport van de Verenigde Naties. Het Sanctiecomité en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zijn ermee bezig. België is geen lid van dit Sanctiecomité en wacht dus de beslissing af. Ons land is vooral bekommerd om de bescherming van de plaatselijke bevolking en de Belgische ontwikkelingssamenwerking moet dan ook de lokale projecten verderzetten. De minister verwijst in dit verband naar zijn collega, bevoegd voor ontwikkelingssamenwerking.
De situatie lijkt momenteel veeleer te verslechteren in Congo. Er is trouwens ook sprake van incidenten met Maï-Maï-groeperingen, vlakbij belangrijke sites in Katanga. De situatie is dus erg onstabiel omdat de problemen in het Oosten niet opgelost geraken. De minister blijft ervan overtuigd dat men in het Oosten druk moet blijven uitoefenen op de buurlanden, zoals Rwanda of Uganda, om hen actief te laten deelnemen aan het vredesproces. De Verenigde Naties kunnen dit pad volgen via een speciale gezant. België werd in dit hele proces betrokken en zal dat waarschijnlijk ook zijn bij de controle van de evolutie van de toestand, indien men een speciale gezant kan aanwijzen en het ontwerp van raamovereenkomst kan goedkeuren.
De minister concludeert dat er tot nu toe geen echt gunstige evolutie is geweest behalve dan de laatste weken. Het blijft moeilijk het vertrouwen te herstellen tussen de onderscheiden presidenten van de landen van de regio van de Grote Meren.
IV. ALGEMENE BESPREKING
De heer De Decker verheugt zich erover dat de commissie, dankzij het indienen van een resolutie, een diepgaande bespreking voert over de situatie in de regio.
Spreker benadrukt het grote belang van de invloed die België heeft in de internationale instellingen wanneer het om Congo gaat en de regio van de Grote Meren in het algemeen.
Geen enkel ander land ter wereld heeft zo'n invloed als ons land, zelfs Frankrijk niet, de Verenigde Staten niet of andere landen die belangstelling hebben voor de Afrikaanse politiek.
Voor er bepaalde keuzes worden gemaakt, soms na het nemen van bepaalde gewaagde, ongelukkige of dramatische (cf. Frankrijk in Rwanda) initiatieven, wordt er naar België geluisterd, want iedereen weet dat geen enkel ander land een gelijkwaardige ervaring heeft met die regio van de wereld. Wij dragen dus een grote verantwoordelijkheid in die regio. Spreker is verheugd over de belangstelling van de minister hiervoor en over de belangstelling van de Senaat voor de situatie ter plaatse.
Het probleem moet regionaal worden bekeken, zoals de minister net heeft gedaan.
Het probleem van de Grote Meren is immers absoluut niet terug te voeren tot de oude problemen tussen Congo en Rwanda. Uganda speelt een fundamentele rol, net zoals Kenia en Tanzania. Verschillende landen uit de regio dragen een collectieve verantwoordelijkheid die de minister heeft benadrukt, waarbij hij erop wees dat de staatshoofden het beter met elkaar moeten kunnen vinden.
Spreker heeft voormalig minister Guy Verhofstadt vergezeld bij zijn laatste vergadering in de VN-Veiligheidsraad in 2007, toen België lid was. De heer Verhofstadt heeft toen een uiterst belangrijke uiteenzetting gegeven over de vreselijke situatie die de « Lord's resistance army » veroorzaakte in het noorden van Uganda. Hij deelde mee dat het fundamenteel onaanvaardbaar is dat een bende van ongeveer 3 000 personen jongeren en kinderen aanvalt om van de jongens kindsoldaten te maken en van de vrouwen slaven, terwijl het probleem in enkele maanden tijd kan worden opgelost door een kordate interventie van de internationale gemeenschap. Die strijd moet worden voortgezet want de verslechtering van de situatie in het oosten van Congo wordt veroorzaakt door het noorden van de regio. De invloed van het moslimfundamentalisme uit die regio is zeer groot. Het klimt als het ware op naar de bronnen van de Nijl en ligt al jaren aan de oorsprong van een verslechtering van de situatie waarbij het optreden van de « Lord's resistance army » het meest schandalige element is. Wanneer men het over een oplossing heeft voor de situatie in het oosten van Congo en in de regio van de Grote Meren, moet men naar Noord-Uganda kijken waar VN-gezanten zijn geweest en/of onderhandelingen werden gevoerd maar waar de politieke wil en moed om in te grijpen, ontbraken. Men weet hoe moeilijk het is om landen te overtuigen om in te grijpen, maar aangezien een kleine militaire inspanning een enorme impact kan hebben op de situatie in de regio, wordt het hoog tijd om dat dossier nieuw leven in te blazen.
Wij weten dat het overleg, de omgang en de samenwerking tussen president Kagamé en president Kabila een moeilijk en delicaat onderwerp zijn.
Toen spreker minister voor Ontwikkelingssamenwerking was, heeft hij gedurende maanden en jaren veel inspanningen geleverd om toenadering tussen hen tot stand te brengen. Dat was niet eenvoudig maar in die periode werd voorkomen dat de oorlog opnieuw uitbrak en dat de rechtstreekse militaire aanwezigheid van Rwanda op Congolees grondgebied werd opgevoerd. Momenteel gebeurt dat door bemiddeling van M23 wat de zaken nog moeilijker maakt. Spreker vraagt dat er verder inspanningen worden geleverd om de contacten tussen beide presidenten op gang te houden en te verbeteren, ook al stelt president Kagamé onaanvaardbare daden. Zonder politieke dialoog en door eenvoudigweg het ene land te veroordelen ten opzichte van het andere, wordt er niets opgelost.
Het wapenembargo voor Congo is volgens spreker contraproductief en draagt niet bij tot vrede en veiligheid in de regio. Er zal geen vrede in de regio komen indien de DRC uiteindelijk geen bekwaam, goed opgeleid leger heeft dat uitgerust is met militair materieel waarmee de veiligheid en de integriteit van het grondgebied afgedwongen kan worden. Daartoe moeten die middelen enkel aan de regeringen worden toegekend en tegelijk moet de opleiding van het leger ernstiger worden genomen dan in het verleden.
Ten slotte is er het enorme probleem van de tienduizenden verkrachtingen in het oosten van Congo en het probleem van het mandaat van Monusco dat niet toestaat dat wordt ingegrepen, op zijn minst telkens als Monusco er getuige van is.
Toen hij als parlementslid deelnam aan de werkzaamheden van de Onderzoekscommissie Rwanda in 1997, heeft spreker de terugkeer van de Belgische troepen uit Rwanda meegemaakt. Zij verscheurden hun blauwe baret op de tarmac van Zaventem omdat zij hadden gezien hoe vrouwen werden verkracht en afgeslacht en hun UNO-mandaat hen verhinderde de verkrachter af te maken. De Verenigde Naties dragen een collectieve verantwoordelijkheid voor die passiviteit.
Bij de Verenigde Naties kreeg het internationaal recht, na de Rwandese genocide, een nieuwe dimensie, namelijk de verantwoordelijkheid om te beschermen. Maar indien de UNO-troepen die ter plaatse zijn, niet ingrijpen, zelfs niet tegen dergelijk gewelddadig gedrag, dan is er een probleem. De secretaris-generaal van de UNO stuurt gezanten naar de regio maar naast die maatregelen en alle toespraken moet men proberen om minstens de onveiligheid in te regio te temperen door een kordater optreden tegenover dergelijke situaties.
Mevrouw Vermeulen wijst erop dat de Belgische diplomatie internationale en Europese erkenning geniet voor haar expertise inzake Congo. Spreekster heeft echter de indruk dat de vier betrokken departementen hun eigen Congo-beleid uitzetten, met name het kabinet van de eerste minister, Defensie, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Daarom moet er dringend een beleidsnota worden opgesteld om alle actoren te integreren tot een coherent geheel. Op 5 februari 2013 werd er in de pers gewag gemaakt van een verklaring van de minister van Buitenlandse Zaken om opnieuw soldaten te sturen naar ex-kolonies, waarbij niet uitgesloten wordt dat er ook soldaten naar Rwanda en Congo kunnen gezonden worden, mits enige evaluatie. Klopt dit persbericht ?
Mevrouw Arena meent inderdaad dat het belangrijk is om geregeld de balans op te maken over de situatie in de DRC, in bijzonder in het kader van de Regio van de Grote Meren.
Congo is één van de grootste Afrikaanse landen dat tegelijk heel erg rijk is en toch tot de armste landen behoort. Al twintig jaar hebben opeenvolgende oorlogen tot miljoenen doden geleid. Die situatie wordt echt onhoudbaar en wij kunnen met de minister akkoord gaan wanneer hij vreest dat de situatie erger zal worden.
Wij spreken van Oost-Congo maar, zoals de minister zei, zijn er ook problemen in Katanga en men voelt aan dat men de Congolese Staat wil destabiliseren. We kunnen ons voorstellen wat een escalatie van de situatie in het hele land zou betekenen. De huidige gebeurtenissen moeten dus meer dan nauwlettend in het oog worden gehouden.
Spreekster stelt zich vragen over de geloofwaardigheid van de Verenigde Naties voor wat die regio betreft. In een VN-verslag staat immers duidelijk dat na een onderzoek over M23 de rol van Rwanda in het conflict in het Oosten niet te negeren valt. Tegelijk werd Rwanda lid van de Veiligheidsraad. Dat roept vragen op en ontneemt de Verenigde Naties elke geloofwaardigheid voor wat het conflict in Oost-Congo betreft. Hetzelfde geldt voor de evaluatie van het Monusco-mandaat. Er zijn effectief 17 000 manschappen aanwezig momenteel en men zou er 2 000 aan willen toevoegen via de Afrikaanse legers. Men dient veeleer de huidige missie van Monusco te evalueren en na te gaan hoe de doeltreffendheid met de huidige 17 000 manschappen kan worden verbeterd.
De Grote Meren-conferentie zou de dialoog bevorderen over het probleem van de grenzen, stromen en grondstoffen. Hoever staat het met die conferentie ? Is er sprake van een mislukking, een stilstand of een stand-by ?
Er is effectief een probleem van politieke vertegenwoordiging binnen de Congolese instanties en de Congolese Staat, maar er is ook het probleem van de grondstoffen en de exploitatie ervan in samenhang met de buurlanden. De Congolese regering had aangekondigd dat de controle van het leger op de mijnen zou worden opgeheven. Is dat gebeurd ? Moet er niet worden overwogen om Monusco ook een rol te laten vervullen bij de bescherming van de ontginning van de grondstoffen, de traceerbaarheid ervan en het toezicht aan de grenzen ? Er is immers veel handel tussen de DRC en de buurlanden.
Het klopt dat er naar België wordt geluisterd in de multilaterale instanties. Maar in de DRC is dat steeds minder het geval. Andere spelers, zoals China, die ook in de Veiligheidsraad zit, of de Verenigde Staten, hebben ook een belangrijke rol te vervullen. De Verenigde Staten hebben de Dodd-Frank-wet goedgekeurd waarin om de traceerbaarheid werd verzocht maar die negatieve gevolgen heeft gehad in de DRC. Wat is hun standpunt over dat grondstoffenprobleem ? Hoe staat het met China ?
Blijven de Verenigde Staten Rwanda steunen ?
De heer De Groote verwijst naar zijn mondelinge vraag van 31 januari 2013 aan de vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Europese Zaken over « de uitwijzing van onze Belgische defensieattaché in Rwanda » (stuk Senaat, nr. 5-833). Hij wenst uitleg te krijgen over dit recente conflict tussen België en Rwanda waarbij de Belgische attaché in Kigali om onduidelijke redenen werd teruggeroepen.
De heer Verstreken stelt vast dat Rwanda in dit conflict met de vinger wordt gewezen maar welke rol speelt Uganda hierin ? Voorziet de VN-Veiligheidsraad eventueel in sancties tegen dit land ?
De heer Vanlouwe is van oordeel dat de problemen inzake Oost-Congo niet alleen hun oorsprong vinden in de buurlanden Rwanda en Uganda maar dat ook Congo zelf hierin een rol speelt. De rechtstaat en de rechten van de mens moeten gerespecteerd worden. Het leger en de veiligheidsdiensten moeten ook hervormd worden. Ondanks aanbevelingen van België op dit vlak zijn weinig resultaten geboekt. In recente rapporten van NGO's wordt trouwens eveneens verwezen naar de enorme verantwoordelijkheid van Kinshasa zelf. De verkiezingskalender wordt niet nageleefd : de provinciale en lokale verkiezingen die in maart 2012 hadden moeten doorgaan, hebben uiteindelijk niet plaatsgevonden. De Congolese Senaat is trouwens niet legitiem samengesteld want hij omvat een vertegenwoordiging van de provincies die nog steeds niet verkozen zijn. Er is dus duidelijk een democratisch deficit.
Ons land heeft zo'n 16,5 miljoen euro bijgedragen om de presidents- en parlementsverkiezingen mogelijk te maken onder voorwaarde van een correct en transparant verloop ervan. Een tweede schijf van zo'n 3,5 miljoen euro zou pas in een latere fase gestort worden.
De Monusco is de grootste militaire operatie ter wereld. Er zijn op dit ogenblik 17 000 militaire en burgerlijke manschappen aanwezig. Voor ons land is er een detachement van een honderdtal personen actief in Kisangani en er is een C130 ingezet. Hoe kan de doelmatigheid van de Monusco verbeterd worden en is er al een evaluatie gebeurd van de Belgische bijdrage ?
V. ANTWOORDEN VAN DE MINISTER
Wat de terugroeping betreft van de militaire attaché in Rwanda, werd door de minister informatie gevraagd maar er werden hem tot nu toe nog geen redenen medegedeeld.
Ons land wacht op de beslissingen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het Sanctiecomité betreffende de rol van Rwanda en de, weliswaar, kleinere rol van Uganda. Tot nu is daarover nog geen beslissing genomen. Ons land staat trouwens een dialoog voor met alle betrokken partijen dus ook met Uganda.
De Conferentie van de Grote Meren heeft bijvoorbeeld een rol gespeeld in de terugtrekking van de M23 uit Goma. Het is duidelijk dat zolang men geen echte dialoog kan heropstarten op het niveau van de Regio van de Grote Meren, in het raam van de Conferentie of op een andere manier, men er niet uitkomt.
Spreker maakte zich overigens nogal zorgen toen hij zag dat het aantal vergaderingen onder presidenten opliep, omdat er een aantal beslissingen moest worden genomen, bijvoorbeeld over de internationale strijdmacht waarover men al maanden spreekt. Zonder een bijzonder gezant zal men geen vooruitgang boeken. Maar op bepaalde ogenblikken kan de conferentie een rol spelen. Wat de andere mogelijke actoren betreft, heeft iedereen kunnen vaststellen dat de aanwijzing van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken in de Verenigde Staten aanleiding heeft gegeven tot enkele debatten in het Amerikaans Congres en in de pers over de mogelijke keuzes en de relaties van bepaalde Amerikaanse diplomaten met Rwanda, zelfs op het hoogste niveau.
Wat de natuurlijke rijkdommen betreft, heeft België met Gabon op een forum in New York een initiatief genomen, in de marge van de vergadering van de Algemene Vergadering. Steeds meer partners zijn bereid rond de tafel te zitten en NGO's hebben dat initiatief gesteund. Het doel is meer transparantie te brengen in de mijnsector. In een eerste fase is het de bedoeling te weten wie een concessie krijgt, tegen welke prijs en voor welke hoeveelheid. Als men al een resolutie over transparantie kon hebben met die basisgegevens, al is het zonder verdere details, dan zou men een proces op gang brengen.
De ministers van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten nemen geregeld contact op met België. Ons land neemt deel aan de internationale debatten wegens zijn rol als stichtend lid van de Europese Unie, zijn transatlantisch bondgenootschap en zijn deelname aan de operaties waartoe in die context wordt beslist en wegens zijn deskundigheid en de rol die het in Congo kan spelen.
Spreker heeft de aanwezigheid van China bij verschillende gelegenheden naar aanleiding van de Top van de Francofonie kunnen vaststellen : reparatie van wegen, renovatie van hotels, Chinese arbeiders op de openingszitting.
Men probeert met China tot samenwerking en partnerschap te komen en de aanvaarding van een aantal regels te verkrijgen inzake financiering, contracten, ontwikkeling.
Het is treffend dat men het overal over de opkomende landen heeft, maar dat men heel verrast lijkt wanneer men in de praktijk met die opkomst geconfronteerd wordt ...
Wat de rol betreft die China kan spelen, is er nog een weg af te leggen. Spreker verwijst naar het Syrische dossier, waar China op dezelfde lijn zit als Rusland.
Mevrouw Arena wijst erop dat de Congolese regering de neiging heeft zich tegen elke transparantie in verband met China te verzetten. Een Congolees journalist was bijvoorbeeld zo ongelukkig de werking van een Chinees ziekenhuis te onderzoeken. Hij werd door de Congolese overheid opgesloten.
De minister antwoordt dat het genoemde initiatief in de mijnsector om die reden is genomen. Transparantie op dat gebied botst met grote belangen van bepaalde landen en maatschappijen. Men probeert ook op te treden bij de staten. Spreker is in 2012 bij al zijn contacten met de Chinese overheidsinstanties teruggekomen op het dossier van Centraal Afrika en van Afrika in het algemeen.
Soms kan ook samenwerking van ondernemingen de zaken doen vooruitgaan. Maar er wordt ook gewerkt met bepaalde Europese partners. De minister wijst in dat verband op de mogelijkheden van de exploratie van olievindplaatsen naast of in het Virungapark, zonder het al over de exploitatie ervan te hebben. Spreker heeft hierover contact gehad met zijn Britse collega. Dat heeft ook de reactie van maatschappijen als Total met zich gebracht, die zelf naar de Belgische ambassade in Parijs is gekomen om te zeggen dat ze in de regio geen exploratie- of exploitatiebeleid wenste te ontwikkelen. Het laatste nieuws dat de minister over het Virungapark vernomen heeft blijft echter ietwat verontrustend inzake het risico dat er zich een exploratiefase ontwikkelt.
Wat de verkiezingen betreft, is er een bevriezing van de tweede fase voor financiering van de ontwikkelingshulp. Er zal geen geld meer gegeven worden als er geen gunstige evolutie van de verschillende parameters en hervormingen is.
Vervolgens komt de minister terug op de rol van België. In alle internationale dossiers, en vooral in de Afrikaanse dossiers, volgen fasen van belangstelling en van zeer hevige reactie van de internationale gemeenschap en fasen van « vermoeidheid » elkaar op. Een van de taken van België is het dossier van Centraal Afrika voortdurend weer op tafel te leggen, wanneer anderen, soms om historische redenen, de blik op Somalië, Syrië, Mali of het Midden Oosten gericht hebben. Dat is geen gemakkelijke taak.
België kan moeilijk sancties opleggen aan Rwanda. Het is noch lid van de Veiligheidsraad noch van het Sanctiecomité. De UNO-Veiligheidsraad heeft trouwens geen intentie om zover te gaan.
Dat was overigens de reden van onze onthouding toen er werd gestemd over het lidmaatschap van Rwanda aan de VN-Veiligheidsraad. De onthoudingen waren echter niet erg talrijk, ook in de Europese Unie niet.
Ons land zal wel de ontwikkelingshulp met Rwanda bespreken evenwel in een Europees of internationaal kader.
België vraagt steeds aan de internationale gemeenschap om meer te doen voor Centraal Afrika maar kan zelf geen troepen sturen door de aanbevelingen van de Rwanda Senaatscommissie van 1997. Kan hier geen debat over gevoerd worden ? België wordt geapprecieerd om zijn samenwerking met Libië en om zijn optreden in Mali bijvoorbeeld.
De minister herhaalt dat de vertegenwoordiger van de Economic Community of West African States (ECOWAS) in Bamako verklaard had dat de operatie in Mali door Mali aan Frankrijk, een gewezen kolonisator, gevraagd was, en dat het om een Afrikaanse operatie ging omdat ze door de Afrikanen gewild en georganiseerd werd. Juridisch klopt die redenering misschien wel, maar concreet is het het Franse leger dat handelt.
Een debat daarover zou volgens de minister interessanter zijn dan veel uitleg te geven over het Afrikabeleid van België in het algemeen, waarvan men duidelijk ziet dat het ook afhankelijk is van de gebeurtenissen die we dag na dag meemaken.
Men mag evenmin het probleem van de huidige destabilisering in Congo onderschatten.
Talrijke andere groeperingen dan de M23 zijn het geweld aan het aanwakkeren en de toestand van destabilisering aan het gebruiken om nog meer chaos te scheppen. Allerlei factoren spelen een rol, ook de misdaad, de exploitatie van de rijkdommen en, helaas, geweld.
Dr. Mukuege is naar zijn ziekenhuis in Panzi kunnen terugkeren, ook al moet hij momenteel waarschijnlijk in het ziekenhuis wonen en kan hij niet naar huis gaan. We hebben verkregen dat de Monusco voor zijn bescherming instaat, met teams die zich ter plaatse bevinden, wat niet uitsluit dat het Congolese leger dat ook doet.
Congo heeft een zeer grote verantwoordelijkheid voor de situatie waarin het nu verkeert.
VI. TOESPRAAK VAN DE HEER JEAN-PASCAL LABILLE, MINISTER VAN OVERHEIDSBEDRIJVEN EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, BELAST MET GROTE STEDEN, OVER HET VOORSTEL VAN RESOLUTIE INZAKE HET CONFLICT IN OOST-CONGO EN DE BETROKKENHEID VAN RWANDA EN UGANDA (stuk Senaat, nr. 5-1931)
Het is jammer dat de tekst beperkt blijft tot de oprichting van M23, want het conflict in de regio is veel ruimer en ingewikkelder en moet in een historische context worden bekeken. Om de oprichting van M23 en de waarschijnlijke betrokkenheid van Rwanda en Uganda te begrijpen, moet men dit plaatsen in het kader van etnische discriminatie in de regio, van het onvermogen en de zwakte van de Staten en hun instellingen (vooral Congo maar ook Rwanda), van particuliere belangen en dus soms onverwachte bondgenootschappen van de elites van de verschillende betrokken partijen.
Het is jammer dat de tekst geen rekening houdt met de politieke en diplomatieke ontwikkelingen in de regio (CIRGL, Afrikaanse Unie, inspanningen van de SADC-landen), die ertoe geleid hebben dat elf landen in de regio een kaderovereenkomst hebben ondertekend die weliswaar vooral symbolische waarde heeft, maar niettemin relevant is.
Bovendien heeft België de bilaterale samenwerking nooit opgeschort. Het heeft alleen een beslissing betreffende een nieuw programma van sectorale begrotingshulp (gezondheid) uitgesteld, in de eerste plaats in het raam van de besparingsmaatregelen.
De internationale gemeenschap heeft onlangs (de vorige weken, en laatst nog op 26 februari in het FED-comité) besloten de maatregelen tegen Rwanda te versoepelen. Wat Uganda betreft, heeft de internationale gemeenschap nooit overwogen de hulp op te schorten wegens zijn betrokkenheid in het conflict. Dit voorstel van resolutie bevindt zich dus buiten de hervonden internationale consensus.
Er zijn al veel inspanningen geleverd om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, dat op 26 februari 2013 bevestigd werd in het PSC en het FED-comité. Het resultaat is net een versoepeling als gevolg van de positievere huidige situatie. Men blijft echter waakzaam en men voegt een gemeenschappelijke politieke boodschap van de Europese Unie toe.
De heroriëntering van de regeringsprogramma's (ISP) en de vluchtelingenhulp zijn niet evident : het gaat om verschillende begrotingslijnen en verschillende logica's. Bovendien komt elk ontwikkelingsproject of -programma ten gunste van de bevolking van de partnerlanden, soms onrechtstreeks, soms op langere termijn.
VII. BESPREKING VAN DE AMENDEMENTEN
Considerans
Punt H
Amendement nr. 4
De dames Arena en Lijnen dienen amendement nr. 4 in, teneinde op het einde van punt H de volgende woorden te doen vervallen :
« alsook de recente beslissing om een deel van de bilaterale hulp tijdelijk te schorsen ».
Mevrouw Arena legt uit dat België de bilaterale hulp met die landen nooit heeft opgeschort, zoals de minister van Ontwikkelingssamenwerking heeft aangegeven. Er is alleen een beslissing bekend betreffende een nieuw programma van sectorale (gezondheidszorg)begrotingshulp, maar dat was hoofdzakelijk om technische redenen.
Amendement nr. 4 wordt aangenomen met 8 stemmen en 1 onthouding.
Punt M (nieuw)
Amendement nr. 5
De dames Arena en Lijnen dienen amendement nr. 5 in, dat in de considerans, een punt M wil toevoegen, luidende :
« M. gelet op de kaderovereenkomst over de terugkeer van de vrede in Congo, die op zondag 24 februari 2013 in Addis-Abeba door elf Afrikaanse landen is ondertekend en de landen in de regio oproept om geen enkele gewapende groep in de DRC te gedogen, bij te staan of te steunen, en die de terugkeer van de vrede beoogt in het door binnenlandse en buitenlandse gewapende groepen geteisterde Oost-Congo. »
Mevrouw Arena legt uit dat het gaat om een actualisering van de tekst na de diplomatieke vooruitgang van de laatste weken.
Amendement nr. 5 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Amendement nr. 7
De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 7 in dat er toe strekt in de considerans een punt M (nieuw) toe te voegen, luidende :
« M. verwijzend naar het kaderakkoord voor vrede, veiligheid en samenwerking in DRC en de ruime regio van de Grote Meren dat op 24 februari 2013 werd ondertekend door elf Afrikaanse staten in Addis Abeba en waarin wordt aangehaald dat : (i) de Congolese regering werk moet maken van de hervorming van de veiligheidssector en haar overheidsapparaat en de ontwikkeling van democratie en de rechtsstaat, (ii) de landen in de regio er zich toe verbinden niet langer te interfereren in Congolese aangelegenheden en (iii) de internationale gemeenschap haar engagement moet vernieuwen, een review doen van de Monusco en een VN-speciale gezant moet aanduiden, ».
De heer Vanlouwe legt uit dat het kaderakkoord van Addis Abeba verwijst naar drie componenten die vervuld moeten worden opdat een duurzame vrede in Oost-Congo mogelijk is.
Amendement nr. 7 wordt verworpen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Dispositief
Punt 2bis (nieuw)
Amendement nr. 1
De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 1 in dat ertoe strekt om in het dispositief een punt 2bis in te voegen, luidend als volgt :
« 2bis. er bij de machtshebbers in Kinshasa, en meer bepaald bij president Joseph Kabila, op aan te dringen, werk te maken van de opbouw van de rechtsstaat, de democratie, een veiligheidsapparaat en de strijd tegen de corruptie ter harte te nemen. »
De heer Vanlouwe wijst erop dat het oneerlijk is en onjuist om de oorzaken van het conflict in Oost-Congo alleen maar te plaatsen bij buurlanden Rwanda en Uganda. Beide landen zijn ontegensprekelijk betrokken in de gevechten, zoals het VN-rapport bewijst. Andere oorzaken die in Kinshasa liggen mogen immers ook niet over het hoofd worden gezien, met name het gebrek aan democratie (onvrede na de chaotische en oneerlijke presidentiële verkiezingen in 2011), het gebrek aan « rechtsstaat », de straffeloosheid en de corruptie. Volgens Transparency International blijft de DRC nog steeds één van de meest corrupte landen ter wereld. Een hervorming van de FARDC (het Congolees leger) zonder een functionerend veiligheidsapparaat zal de straffeloosheid in stand houden.
Spreker verwijst naar de hoorzitting met de heer Kengo wa Dondo, voorzitter van de Congolese Senaat, die op 5 maart 2013 werd georganiseerd door de gezamenlijke commissies voor de Buitenlandse Betrekkingen van Kamer en Senaat. Tijdens deze hoorzitting werd het probleem van corruptie zowel door de heer Kengo wa Dondo als door de parlementsleden aangehaald.
Amendement nr. 1 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Amendement nr. 8
De heer Hellings dient amendement nr. 8 in, dat ertoe strekt in het dispositief een punt 2bis in te voegen, luidende :
« 2bis. er bij Rwanda, Uganda, de Democratische Republiek Congo en de andere betrokken landen op aandringen dat ze de akkoorden van Addis Abeba van 24 februari naleven en uitvoeren, in het bijzonder wat betreft de niet-inmenging van de buurlanden in de binnenlandse aangelegenheden van de Democratische Republiek Congo, het niet steunen van gewapende groepen of tijdelijk huisvesten van personen die zich aan oorlogsmisdaden schuldig hebben gemaakt. Ook vraagt men de regering van de Democratische Republiek Congo om de hervorming van haar politie en leger te bespoedigen teneinde het overheidsgezag snel te versterken, naast de reeds begonnen acties om de Staat te decentraliseren en te hervormen. »
De heer Hellings legt uit dat het belangrijk is dat de resolutie verwijst naar deze belangrijke kaderovereenkomst, ook in het dispositief zelf. Men moet de dingen bij hun naam noemen en de buurlanden van de Democratische Republiek Congo tot verantwoordelijkheid oproepen, en tegelijk wijzen op de moeilijkheden van de Congolese regering om de noodzakelijke hervormingen voor de herstructurering van haar veiligheidsapparaat door te voeren.
Het amendement heeft dezelfde strekking als de amendementen van mevrouw Arena en de heer Vanlouwe. Het enige verschil is dat de verwijzing naar het akkoord van Addis Abeba wordt opgenomen in het dispositief van de tekst, tussen de punten 2 en 3. Het gaat immers om een fundamenteel akkoord dat een reeks voorwaarden vaststelt om de interventie van landen zoals Rwanda en Uganda in de DRC te stoppen.
Het amendement verbiedt in de eigenlijke tekst de steun aan gewapende groepen en het huisvesten van personen die zich aan oorlogsmisdaden schuldig hebben gemaakt. Het herinnert er tevens aan dat de regering van de DRC wordt gevraagd om de hervorming van politie en leger te bespoedigen teneinde de rechtsstaat snel te versterken. Voorts wordt gevraagd om verder werk te maken van de decentralisering en de hervorming van de Staat, waarover de voorzitter van de Congolese Senaat tijdens de hoorzitting heeft gesproken.
Amendement nr. 8 wordt verworpen met 7 tegen 2 stemmen.
Punt 4
Amendement nr. 9
De heer Hellings dient amendement nr. 9 in, dat ertoe strekt punt 4 van het dispositief aan te vullen als volgt :
« en ervoor te zorgen dat dit effectief wordt toegepast. ».
De heer Hellings herinnert eraan dat het mandaat van de Monusco reeds bepalingen bevat die de burgerbevolking moeten beschermen. Een versterking van dat mandaat is natuurlijk wenselijk, maar het is in de eerste plaats van belang dat het mandaat effectief wordt uitgevoerd, in al zijn aspecten.
Amendement nr. 9 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Punt 4bis (nieuw)
Amendement nr. 2
De heer Vanlouwe c.s. dient amendement nr. 2 in dat ertoe strekt om in het dispositief, een punt 4bis in te voegen, luidende :
« 4bis. parallel aan een verlenging en versterking van het Monusco-mandaat, er bij de Congolese autoriteiten voor te pleiten, om werk te maken van de opbouw van het veiligheidsapparaat. »
De heer Vanlouwe legt uit dat de hervormingen binnen de FARDC (het Congolees leger) minstens even belangrijk zijn voor de veiligheid van de bevolking in Oost-Congo. De Monusco is nu al de grootste VN-operatie ter wereld (ongeveer 17 000 militairen op dit ogenblik, onder andere uit België), maar is geen duurzame oplossing. De DRC moet op termijn zelf verantwoordelijk worden voor de veiligheid van haar eigen bewoners.
Amendement nr. 2 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Punten 5 en 6
Amendement nr. 10
De heer Hellings dient amendement nr. 10 in, dat ertoe strekt de punten 5 en 6 van het dispositief te vervangen door een punt 5 (nieuw), luidende :
« 5. om de buurlanden van de Democratische Republiek Congo ertoe aan te zetten de kaderovereenkomst na te leven en uit te voeren, in geval van flagrante en behoorlijk vastgestelde schending of niet-naleving, te trachten tot een gemeenschappelijk standpunt van de partners van de Europese Unie te komen teneinde sancties te treffen met betrekking tot de voortzetting van onze ontwikkelingssamenwerkingsprojecten inzake Rwanda en Uganda. Bij gebrek aan een akkoord op Europees niveau moet de regering vergelijkbare stappen ondernemen op unilateraal niveau. Deze sancties moeten uiteraard betrekking hebben op de begrotingshulp en natuurlijk niet op de projecten die de burgerbevolking rechtstreeks ten goede komen. De vrijgemaakte budgetten kunnen niet enkel dienen om de bedragen te verhogen voor ontwikkelingssamenwerking in Oost-Congo (vluchtelingenhulp), maar ook om de lokale burgerbevolking in Rwanda of Uganda te steunen. »
De heer Hellings wijst erop dat het feit dat er voortaan een kaderovereenkomst bestaat, een nieuw politiek feit is en dat daarom deze twee artikelen achterhaald zijn. Het is belangrijk dat de internationale gemeenschap druk op deze landen blijft uitoefenen. Om die reden behoudt dit amendement het opzet van de oorspronkelijke artikelen, maar versterkt het de effecten (unilaterale sancties) in geval van schending of niet-toepassing van de akkoorden door Rwanda en Uganda.
Onze regering was bijzonder weinig daadkrachtig toen het erop aankwam sancties tegen Rwanda te treffen vóór het bestaan van de kaderovereenkomst. Andere EU-landen hebben hun begrotingshulp echter al geschrapt, Groot-Brittannië onder andere. Wanneer er geen sancties op Europees niveau worden getroffen, hoeft dat niet te betekenen dat het niet op Belgisch niveau kan gebeuren. Ons land speelt een voortrekkersrol in het gebied van de Grote Meren.
In het licht van de verschillende amendementen die werden ingediend en de hoorzitting met de voorzitter van de Congolese Senaat, stelt mevrouw Arena vast dat er voor Congo natuurlijk werk aan de winkel is wat de rechtsstaat, de veiligheid en de organisatie van politie en leger betreft. Wanneer men dit opneemt in deze resolutie, die specifiek betrekking heeft op de rol van de buurlanden in de conflicten in Oost-Congo, komt dat er bijna op neer dat men deze landen verzachtende omstandigheden verschaft.
Over de verantwoordelijkheid van Congo kan er een afzonderlijke resolutie worden uitgewerkt.
Mevrouw Lijnen is dezelfde mening toegedaan.
De heer Hellings legt uit dat het slechts gaat om een verwijzing naar de veiligheidssituatie in Congo, die zeer beperkt blijft ten aanzien van de volledige tekst. Het gaat slechts over een element uit de context, dat niet op hetzelfde niveau wordt geplaatst als de rol van de buurlanden. Dit betreft enkel amendement nr. 8. De andere amendementen leggen zeer sterk de nadruk op zeer strenge sancties voor Rwanda en Uganda, maar niet voor Congo.
De heer Vanlouwe zegt dat de resolutie in de eerst plaats betrekking heeft op het ganse conflict in Oost-Congo en op de rol van Rwanda en Uganda hierin. Wanneer men dit conflict wil oplossen, mag men naast de onbetwistbare rol van de buurlanden de verantwoordelijkheid van Congo zelf en de rol van de internationale gemeenschap niet uit het oog verliezen. De drie elementen die in het akkoord van Addis Abeba worden vermeld, zijn van belang, zoals de NGO's hebben benadrukt.
Amendement nr. 10 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Punt 6
Amendement nr. 3
De heer Vanlouwe dient amendement nr. 3 in dat ertoe strekt punt 6 van het dispositief aan te vullen met de woorden : « via multilaterale en indirecte initiatieven. »
De heer Vanlouwe stipt aan dat indien de indieners van de resolutie de ontwikkelingssamenwerking met Rwanda of Uganda wensen op te schorten, en indien dit vrijgemaakte geld ten goede komt aan de vluchtelingen in Oost-Congo, moet worden verzekerd dat deze budgetten de bevolking ook bereiken. Dit is alleen mogelijk door te werken via multilaterale en indirecte actoren, niet via de Congolese overheid, om redenen die reeds aangehaald zijn, met name problemen inzake de rechtsstaat, de bestaande straffeloosheid, de bestaande corruptie in het land en het gebrek aan democratische legitimiteit.
De heer Hellings vindt dat er een vorm van tegenstrijdigheid heerst tussen de amendementen nrs. 1 en 2 van de heer Vanlouwe, die voorzien in een versterking van het veiligheidsapparaat (leger en politie) van Congo, en amendement nr. 3 van dezelfde indiener, dat voorstelt om de directe hulp aan Congo op te schorten en veeleer samen te werken met verenigingen die de Congolese bevolking kunnen helpen. Tijdens de hoorzitting van 5 maart 2013 met de heer Kengo wa Dondo werd opnieuw vastgesteld hoe moeilijk het is om de Congolese Staat op te bouwen en hoezeer het land wordt geteisterd door corruptie. Spreker deelt deze zienswijze. Hij kan zich voorstellen dat de directe bilaterale hulp aan Rwanda en Uganda wordt stopgezet indien deze landen de akkoorden overtreden die ze ondertekend hebben, maar hij vindt dat voor Congo deze hulp behouden moet blijven teneinde deze Staat te versterken tegenover buitenlandse groepen die het land in gevaar brengen. Spreker zal bijgevolg tegen amendement nr. 3 stemmen.
De heer Vanlouwe zegt dat het gaat om een amendement op de oorspronkelijke versie van de tekst van het voorstel van resolutie, die op een zeer voorwaardelijke manier opgesteld lijkt. Spreker zou de voorkeur geven aan multilaterale en indirecte initiatieven. Hij ziet geen fundamentele tegenstrijdigheid tussen de amendementen nrs. 1 en 2 enerzijds en amendement nr. 3 anderzijds.
Amendement nr. 3 wordt verworpen met 7 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.
Amendement nr. 6
Mevrouw Arena en mevrouw Lijnen dienen amendement nr. 6 in, dat ertoe strekt punt 6 van het dispositief te vervangen als volgt :
« 6. indien blijkt dat er verdere steun wordt verleend aan gewapende groepen, waaronder M23, sancties te overwegen tegen Rwanda en Uganda, inzonderheid via de begrotingshulp en dit voor programma's die de burgerbevolking niet ten goede komen. »
Mevrouw Arena meent dat de heroriëntering van regeringsprogramma's voor vluchtelingenhulp technische problemen met zich meebrengt. Het betreft verschillende begrotingslijnen, verschillende logica's. Het overdragen van de logica van het ene programma naar het andere is bijna onmogelijk.
De regeringen moeten de mogelijkheid behouden om de sancties te treffen die het relevantst lijken, zonder daarbij ooit de burgerbevolking te raken.
Amendement nr. 6 wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
VIII. VERKLARINGEN VOOR DE EINDSTEMMING
Mevrouw Lijnen vindt het jammer dat terwijl de collega's van de N-VA de leden van de meerderheid verwijten zich bezig te houden met politieke spelletjes, zij het nodig vonden om bij wijze van vergelding de commissie te verlaten op het moment dat de dramatische situatie van Congo werd aangekaart, waar honderdduizenden mensen zijn moeten vluchten, medische verzorging ontberen en het slachtoffer zijn van een humanitaire ramp. Spreekster vindt dat ronduit schandalig.
De heer Vanlouwe antwoordt dat niets de vorige spreekster belet om een beroep te doen op de leden van de meerderheid om het vereiste quorum te halen.
Mevrouw Lijnen antwoordt dat dit ook zo zal gebeuren, maar dat ze enkel kan vaststellen dat het de N-VA is die zich met politieke spelletjes bezighoudt, ten koste van de bevolking in Oost-Congo.
De heer Vanlouwe antwoordt dat het een illusie is te denken dat de goedkeuring van het voorstel van resolutie een onmiddellijk effect zal hebben voor deze bevolkingsgroepen. De situatie in Congo heeft dikwijls op de agenda van de commissie gestaan en de vorige spreekster was daarbij afwezig. De verwijten die ze aan het adres van de fractie van spreker maakt, zijn dan ook ongegrond.
Mevrouw Lijnen antwoordt dat ze zich heeft laten vervangen toen ze niet aanwezig kon zijn wegens andere verplichtingen.
IX. EINDSTEMMING
Het geamendeerd voorstel van resolutie in zijn geheel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteurs, | De voorzitter, |
| Sabine VERMEULEN. Olga ZRIHEN. | Karl VANLOUWE. |
Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat, nr. 5-1931/5 — 2012/2013).