5-1947/1 | 5-1947/1 |
28 JANUARI 2013
A. Uitbreiding van de wet van 28 mei 2002 tot minderjarigen
Sinds 2002 laat België euthanasie onder bepaalde voorwaarden toe voor meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen. In de wet van 28 mei 2002 wordt euthanasie omschreven als « het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een ander dan de betrokkene, op diens verzoek ». De ander, dat is een arts.
De wet van 28 mei 2002 bepaalt dat meerderjarigen of ontvoogde minderjarigen :
— om euthanasie kunnen verzoeken indien ze handelingsbekwaam en bewust zijn op het ogenblik van het verzoek. Het verzoek tot euthanasie kan ingewilligd worden indien de meerderjarige of de ontvoogde minderjarige lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening;
— een wilsverklaring met het oog op het uitvoeren van euthanasie kunnen (laten) opmaken voor het geval ze hun wil niet meer kunnen uiten. De wilsverklaring met het oog op het uitvoeren van euthanasie kan gehonoreerd worden indien de meerderjarige of de ontvoogde minderjarige lijdt aan een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening en zich daarenboven in een onomkeerbare coma bevindt.
Indieners wensen de regeling met betrekking tot euthanasie voor minderjarigen te herzien omdat ze ervan overtuigd zijn dat er een maatschappelijk draagvlak is om de mogelijkheid tot euthanasie open te stellen voor minderjarigen indien dit past in een sluitend wettelijk kader.
Indieners wijzen erop dat in de minderjarige doorheen de afgelopen decennia steeds meer als een rechtssubject met een toenemende mate van beslissingsrecht erkend wordt (bijvoorbeeld met betrekking tot een omgangsregeling na een echtscheiding en in het kader van de patiëntenrechten (1) ).
De toenemende bekwaamheid van de minderjarige wordt vastgelegd in het principe dat passend belang moet worden gehecht aan de mening van de minderjarige. Dit passend belang is een evolutief begrip. Alle minderjarigen hebben in principe inspraakrechten, maar de draagwijdte van deze inspraak is gerelateerd aan de leeftijd en de rijpheid (dit zijn verschillende begrippen) van de minderjarige. Naarmate de minderjarige ouder en « rijper » is, worden deze inspraakrechten beslissingsrechten.
Met dit voorstel stellen de indieners een regeling voor waarbij :
a) het (niet te rechtvaardigen) onderscheid tussen ontvoogde minderjarigen (die wel om euthanasie kunnen vragen) en niet-ontvoogde minderjarigen (die dat niet kunnen) wordt opgeheven.
Er is geen enkele reden om niet-ontvoogde minderjarigen die voldoende matuur en mondig zijn en die in staat zijn op redelijke wijze de eigen belangen te beoordelen, uit te sluiten van de toepassing van de wet.
Een ontvoogde minderjarige zal voor de toepassing van deze wet behandeld worden als een niet-ontvoogde minderjarige;
b) een mondige en mature minderjarige die in staat is op redelijke wijze de eigen belangen te beoordelen, op een nuttige wijze een verzoek tot euthanasie kan formuleren indien — en enkel indien — hij of zij zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening.
Een euthanasieverzoek moet gebeuren door een wilsbekwame patiënt. Veeleer dan op basis van leeftijd moeten wilsbekwaamheid en onderscheidingsvermogen op een praktische wijze beoordeeld worden in verhouding tot de medische toestand van de patiënt. De mentale leeftijd is veel belangrijker dan de kalenderleeftijd.
Een minderjarige die voldoende matuur en mondig is en in staat is om de eigen belangen te overdenken, kan een verzoek tot euthanasie formuleren. Indien een aantal bijkomende voorwaarden vervuld zijn, kan op dat verzoek ingegaan worden.
Indieners benadrukken dat het verzoek tot het toepassen van euthanasie steeds moet uitgaan van de minderjarige zelf. Het verzoek moet vrijwillig, over- wogen en herhaald zijn en mag niet tot stand gekomen zijn als gevolg van enige externe druk.
Indieners wensen de mogelijkheid tot euthanasie voor minderjarigen bovendien uitdrukkelijk te beperken tot fysiek lijden. Voor het overige moet de minderjarige zich — net zoals de meerderjarige — in een toestand bevinden van aanhoudend en ondraaglijk lijden dat niet gelenigd kan worden en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening;
c) bijzondere en bijkomende voorwaarden worden ingevoerd ter bescherming van de minderjarige, met name een verplichte raadpleging van een kinderarts en een arts die gespecialiseerd is met betrekking tot de pathologie die het lijden veroorzaakt alsook het betrekken van de ouders en personen die instaan voor zijn of haar opvoeding bij het besluitvormingsproces.
Het euthanasieverzoek van de minderjarige kan enkel ingewilligd worden indien cumulatief de volgende voorwaarden worden nageleefd :
— de arts die de euthanasie zal toepassen, raadpleegt steeds een kinderarts alsook een arts die gespecialiseerd is met betrekking tot de pathologie die het lijden veroorzaakt (bijvoorbeeld een kinder- oncoloog);
— de arts die euthanasie zal uitvoeren, de kinderarts en arts die gespecialiseerd is met betrekking tot de pathologie die het lijden veroorzaakt beoordelen of de minderjarige zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening;
— de arts die de euthanasie zal uitvoeren, betrekt steeds de natuurlijke ouders van het kind of de perso (o)n(en) die instaat(n) voor de opvoeding van het kind bij het beslissingsproces.
Enkel indien alle betrokken artsen alsook de persoon of de ouders en de personen die instaan voor de opvoeding van het kind oordelen dat het om een minderjarige gaat die voldoende mondig en matuur is en in staat is om op redelijke wijze de eigen belangen te beoordelen, moet het verzoek gehonoreerd worden.
B. Medische hulp aan de patiënt die zelf de levensbeëindigende handeling stelt
De regeling zoals voorzien in de wet van 28 mei 2002 voorziet niet in de hypothese waarin de levensbeëindigende handeling door de patiënt zelf wordt gesteld (nadat de arts hem hiertoe en op zijn verzoek de nodige middelen heeft verstrekt).
Juridisch en medisch wordt de levensbeëindigende handeling door de patiënt zelf met hulp van een arts omschreven als « medische hulp bij zelfdoding ». In de praktijk worden — in voorkomend geval en bij gebrek aan wettelijk kader— deze situaties geassimileerd met de gevallen waarbij de arts de levensbeëindigende handeling uitvoert.
Indieners wensen medische hulp bij zelfdoding — voor meerderjarigen én minderjarigen — te regelen onder dezelfde strikte voorwaarden als euthanasie. Hiertoe dient de wet van 28 mei 2002 aangepast te worden.
Het gaat alleen om die situaties waar patiënten in dezelfde nood verkeren als bij euthanasie : ondraaglijk lijden dat niet kan gelenigd worden (voor minderjarigen dus enkel fysiek lijden), doch waarbij de patiënt zelf de handeling wenst uit te voeren. Bepaalde patiënten houden er immers aan om hun autonomie volledig te behouden, anderen willen hun arts niet voor een ethisch dilemma plaatsen.
In psychologisch opzicht kan de uitvoering van hulp bij zelfdoding door de arts als een minder ingrijpende handeling worden ervaren dan euthanasie omdat het de patiënt zelf is die de handeling stelt en op die manier uitdrukkelijk te kennen geeft dat het zijn eigen wil is, en niet die van de arts.
Medische hulp bij zelfdoding kan beschouwd worden als een alternatief voor euthanasie bij mensen die het initiatief liever in eigen hand hebben en daar ook nog toe bekwaam zijn. Medische hulp bij zelfdoding past voor heel wat mensen in het beeld van de waardige, zelfgekozen dood.
Indieners verwijzen ten slotte naar het advies van de Raad van State over het de huidige wet betreffende de euthanasie :
« Voor de toepassing van deze wet wordt onder euthanasie verstaan het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een andere dan de betrokkene, op diens verzoek. »
Volgens deze definitie dienen de volgende bestanddelen aanwezig te zijn opdat van euthanaserend handelen sprake kan zijn :
— het moet om een handeling gaan, wat wil zeggen dat het om een positief gedrag moet gaan, en niet om onthouding;
— de handeling moet door een derde worden gesteld;
— het moet om een opzettelijke handeling gaan;
— de handeling moet ertoe leiden dat de persoon in kwestie overlijdt;
— de persoon in kwestie moet om die handeling hebben verzocht.
Daaruit volgt dat de (voorgestelde) wet in principe niet van toepassing is op de volgende situaties met betrekking tot het levenseinde :
— het niet aanvatten of het stopzetten van nutte- loze of disproportionele medische handelingen
— medische handelingen die bedoeld zijn om de pijn te bestrijden en die een verkorting van het leven tot gevolg hebben;
— medische bijstand bij zelfdoding;
— de daad waarbij een arts opzettelijk het leven van een persoon beëindigt zonder dat deze daarom heeft verzocht.
De Raad van State zegt verder bovendien letterlijk : « Het is goed denkbaar dat begeleiding van zelfdoding verloopt met naleving van de voorwaarden die in het voorstel worden bepaald of van soortgelijke voorwaarden. In dat geval bestaat er bijna geen verschil wat de aard zelf betreft van het bedoelde gedrag en van de bedoelingen van de persoon die bijstand verleent aan een persoon met neigingen tot zelfdoding, tussen euthanasie in de zin van artikel 2 van het wetsvoorstel en medische begeleiding van zelfdoding. Het is dan ook niet duidelijk waarom de wet betreffende euthanasie geen betrekking heeft op het gedrag van de arts die dodelijke substanties ter beschikking stelt van de patiënt op diens verzoek, waarbij men hem de keuze laat van het ogenblik van zijn overlijden. »
De Raad van State bepleit verder dat deze discriminatie moet worden weggewerkt : « Het komt de wetgever toe om ook dat aspect van de stervensbegeleiding te regelen (ofwel aanvaardbare motieven aan te reiken die dit onderscheid kunnen verklaren). »
C. Invoering van de nieuwe misdrijven : aanzetten tot en hulp bij zelfdoding
Indieners zijn ervan overtuigd dat niemand moord wil faciliteren onder het mom van hulp bij zelfdoding en dat er bijgevolg beter voorzien wordt in een expliciete regeling die hulp bij zelfdoding strafbaar stelt.
Ze wensen de aanpassing van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie dan ook te koppelen aan een wijziging van het Strafwetboek door aanzetten tot zelfdoding en hulp bij zelfdoding te omschrijven als aparte misdrijven.
Het opzettelijk aanzetten tot zelfdoding alsook het opzettelijk behulpzaam zijn bij zelfdoding (eventueel door het verschaffen van middelen, onderrichtingen of een opleiding), zal strafbaar gesteld worden.
Er zal een enige uitzondering voorzien worden voor de arts die medische hulp bij zelfdoding verleent en handelt volgens de voorwaarden van de wet van 28 mei 2002.
Omdat het onderwerp (aanzetten tot en hulp bij) zelfdoding onvoldoende in te passen is in de logica van de bestaande hoofdstukken opzettelijke slagen en verwondingen of onopzettelijke slagen en verwondingen wensen indieners een afzonderlijk hoofdstuk in te voegen in het Strafwetboek. In titel VIII van boek II van het Strafwetboek wordt een nieuw hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidende : « Hoofdstuk II/1. Aanzetten tot zelfdoding en hulp bij zelfdoding ».
Voor de omschrijving van het misdrijf aanzetten tot zelfdoding baseren indieners zich op de terminologie van artikel 66 van het Strafwetboek, met name de omschrijving die gehanteerd wordt voor mededaderschap met name « door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden ».
Hoewel het misdrijf met voorbedachte rade wordt gesteld, kiezen indieners voor de strafmaat die — in hetzelfde wetboek — voorzien is voor doodslag (en niet voor moord) indien een zelfdoding door de ander volgt. Immers, de dader stelt de levensbeëindigende handeling niet zelf. De handeling gebeurt door de zelfdoder. Indien een poging tot zelfdoding door de ander volgt, zou een straf van vijftien tot twintig jaar opgelegd worden.
Voor de omschrijving van het misdrijf hulp bij zelfdoding baseren indieners zich op de terminologie van artikel 67 van het Strafwetboek, met name de omschrijving die gehanteerd wordt voor medeplichtigheid : « onderrichtingen geven, werktuigen of enig ander middel verschaffen en hulp of bijstand verlenen ».
Onderrichtingen zijn concrete aanwijzingen aan een persoon die zelfdoding wil uitvoeren of een persoon die deze wil doorgeven aan een persoon die zelfdoding wil uitvoeren. Onderrichtingen dienen onderscheiden te worden van het verschaffen van opleiding.
Opleiding is een georganiseerde sessie waarbij, zonder concrete aanwijzingen van een zelfdoding, aan personen opleiding wordt gegeven. Ook dit zal strafbaar gesteld worden. Dit alles uiteraard onder het voorbehoud van de Wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en hulp tot zelfdoding.
In tegenstelling tot de andere vormen van hulp bij zelfdoding kiezen indieners ervoor om bij opleiding en onderrichtingen niet te vereisen dat de persoon die onderrichtingen of opleiding geeft, weet dat hij deze onderrichtingen of opleiding geeft voor een concreet voornemen tot zelfdoding. Indieners willen immers voorkomen dat, buiten het toepassingskader van de euthanasiewet, algemene opleidingen of onderrichtingen zouden verschaft worden over zelfdoding.
Indieners wensen het misdrijf te bestraffen met een gevangenisstraf van twee tot vijf jaar, met geldboete van tweehonderd tot vijfhonderd euro of met een van deze straffen alleen. De keuze voor strafmaat is de volgende :
— de ondergrens start vanaf de maximumgrens van schuldig verzuim bij kwetsbare personen (persoon die kwetsbaar is ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid) zoals die bepaald is in artikel 422bis van het Strafwetboek.
— de bovengrens is begrensd op 5 jaar, wat nog steeds opschorting van veroordeling en uitstel van tenuitvoerlegging van de straf mogelijk maakt (wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie).
— tot slot is dezelfde strafmaat van toepassing indien de hulp bij zelfdoding gevolgd wordt door een poging tot zelfdoding door de ander. De strafmaat van gevangenisstraf van twee tot vijf jaar, met geldboete van tweehonderd tot vijfhonderd euro of met een van deze straffen alleen laat de rechter voldoende marge om in concreto te onderzoeken wat de best toepasselijke straf is op het gepleegde feit van hulp bij poging tot zelfdoding.
| Elke SLEURS. | |
| Louis IDE. | |
| Huub BROERS. | |
| Wilfried VANDAELE. | |
| Patrick DE GROOTE. | |
| Sabine VERMEULEN. | |
| Lieve MAES. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Het opschrift van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie wordt aangevuld met de woorden : « en de medische hulp bij zelfdoding ».
Art. 3
Aan artikel 2 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid luidende :
« Voor de toepassing van deze wet wordt onder « medische hulp bij zelfdoding » verstaan het opzettelijk behulpzaam zijn door een ander dan betrokkene op diens verzoek bij zelfdoding ».
Art. 4
In artikel 3 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt
« § 1. Indien het verzoek uitgaat van een meerderjarige, pleegt de arts die euthanasie of medische hulp bij zelfdoding toepast geen misdrijf wanneer hij er zich van verzekerd heeft dat :
1º de patiënt een meerderjarige is die handelingsbekwaam en bewust is op het ogenblik van zijn verzoek;
2º het verzoek vrijwillig, overwogen en herhaald is, en niet tot stand gekomen is als gevolg van enige externe druk;
3º de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening;
en hij de in deze wet voorgeschreven voorwaarden en procedures heeft nageleefd. »;
b) in het artikel wordt een § 1/1 ingevoegd, luidende :
« § 1/1. Indien het verzoek uitgaat van een minderjarige, pleegt de arts die euthanasie of medische hulp bij zelfdoding toepast geen misdrijf wanneer hij er zich van verzekerd heeft dat :
1º de minderjarige patiënt bewust is op het ogenblik van zijn verzoek en op redelijke wijze in staat is de eigen belangen te beoordelen;
2º het verzoek vrijwillig, overwogen en herhaald is, en niet tot stand is gekomen als gevolg van enige externe druk;
3º de patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening;
en hij de in deze wet voorgeschreven voorwaarden en procedures heeft nageleefd. »;
c) paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
« § 2. Indien het verzoek uitgaat van een meerderjarige, moet de arts, onverminderd de bijkomende voorwaarden die hij aan zijn ingrijpen wenst te verbinden, vooraf en in alle gevallen :
1º de patiënt inlichten over zijn gezondheidstoestand en zijn levensverwachting, met de patiënt overleg plegen over zijn verzoek tot euthanasie en met hem de eventueel nog resterende therapeutische mogelijkheden, evenals die van de palliatieve zorg, en hun gevolgen bespreken. Hij moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is en dat het verzoek van de patiënt berust op volledige vrijwilligheid;
2º zich verzekeren van het aanhoudend fysiek of psychisch lijden van de patiënt en van het duurzaam karakter van zijn verzoek. Daartoe voert hij met de patiënt meerdere gesprekken die, rekening houdend met de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van de patiënt, over een redelijke periode worden gespreid;
3º een andere arts raadplegen over de ernstige en ongeneeslijke aard van de aandoening en hem op de hoogte brengen van de redenen voor deze raadpleging. De geraadpleegde arts neemt inzage van het medisch dossier, onderzoekt de patiënt en moet zich vergewissen van het aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden. Hij stelt een verslag op van zijn bevindingen.
De geraadpleegde arts moet onafhankelijk zijn ten opzichte van zowel de patiënt als de behandelende arts en bevoegd om over de aandoening in kwestie te oordelen. De behandelende arts brengt de patiënt op de hoogte van de resultaten van deze raadpleging;
4º indien er een verplegend team is, dat in regelmatig contact staat met de patiënt, het verzoek van de patiënt bespreken met het team of leden van dat team;
5º indien de patiënt dat wenst, het verzoek van de patiënt bespreken met zijn naasten die hij aanwijst;
6º zich ervan verzekeren dat de patiënt de gelegenheid heeft gehad om over zijn verzoek te spreken met de personen die hij wenste te ontmoeten. »;
d) in het artikel wordt een § 2/1 ingevoegd, luidende :
« § 2/1. Indien het verzoek uitgaat van een minderjarige, moet de arts, onverminderd de bijkomende voorwaarden die hij aan zijn ingrijpen wenst te verbinden, vooraf en in alle gevallen :
1º de patiënt inlichten over zijn gezondheidstoestand en zijn levensverwachting, met de patiënt overleg plegen over zijn verzoek tot euthanasie en met hem de eventueel nog resterende therapeutische mogelijkheden, evenals die van de palliatieve zorg, en hun gevolgen bespreken. Hij moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is en dat het verzoek van de patiënt berust op volledige vrijwilligheid;
2º zich verzekeren van het aanhoudend fysiek lijden van de patiënt en van het duurzaam karakter van zijn verzoek. Daartoe voert hij met de patiënt meerdere gesprekken die, rekening houdend met de ontwikkeling van de gezondheidstoestand van de patiënt, over een redelijke periode worden gespreid;
3º een kinderarts alsook een arts specialist in de aandoening in kwestie raadplegen over de ernstige en ongeneeslijke aard van de aandoening en hem op de hoogte brengen van de redenen voor deze raadpleging. De geraadpleegde artsen nemen inzage van het medisch dossier, onderzoeken de patiënt en moeten zich vergewissen van het aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden. Beiden stellen een verslag op van hun bevindingen.
De geraadpleegde artsen moeten onafhankelijk zijn ten opzichte van zowel de patiënt als de behandelende arts en bevoegd om over de aandoening in kwestie te oordelen. De behandelende arts brengt de patiënt alsook de ouders en/of de personen die instaan voor de opvoeding van de minderjarige op de hoogte van de resultaten van deze raadpleging;
4º de ouders en/of de personen die instaan voor de opvoeding van het kind betrekken bij het beslissingsproces;
5º indien er een verplegend team is, dat in regelmatig contact staat met de patiënt, het verzoek van de patiënt bespreken met het team of leden van dat team;
6º indien de patiënt dat wenst, het verzoek van de patiënt bespreken met zijn naasten die hij aanwijst;
7º zich ervan verzekeren dat de patiënt de gelegenheid heeft gehad om over zijn verzoek te spreken met de personen die hij wenste te ontmoeten. »;
e) in de inleidende zin van § 3 wordt het woord « meerderjarige » ingevoegd tussen de woorden « van oordeel is dat de » en het woord « patiënt ».
Art. 5
In artikel 4, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « of ontvoogde minderjarige » opgeheven.
Art. 6
In artikel 5 van dezelfde wet worden de woorden « of hulp bij zelfdoding heeft geboden » ingevoegd tussen het de woorden « heeft toegepast » en de woorden « , bezorgt binnen ».
Art. 7
In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het tweede lid, 3º, wordt het woord « euthanasieverzoek » vervangen door de woorden « het verzoek tot euthanasie of medische hulp bij zelfdoding »;
b) in het vierde lid, 12º, worden de woorden « of medische hulp bij zelfdoding » ingevoegd tussen de woorden « euthanasie » en de woorden « is toegepast ».
Art. 8
In artikel 8, eerste lid, vijfde zin, van dezelfde wet, worden de woorden « of medische hulp bij zelfdoding » ingevoegd tussen het woord « euthanasie » en het woord « opvragen ».
Art. 9
In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º in het tweede lid worden de woorden « of medische hulp bij zelfdoding » ingevoegd,tussen de woorden « euthanasie » en de woorden « toe te passen »;
2º het derde lid wordt aangevuld met de woorden « of medische hulp bij zelfdoding »;
3º het vierde lid, worden na het woord « euthanasie » telkens de woorden « of medische hulp bij zelfdoding » ingevoegd.
4º in het vijfde lid wordt het woord « euthanasieverzoek » vervangen door de woorden « verzoek tot euthanasie of medische hulp bij zelfdoding ».
Art. 10
In artikel 15, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « of medische hulp bij zelfdoding » ingevoegd tussen het woord « euthanasie ».
Art. 11
In boek II, titel VIII, van het Strafwetboek wordt een Hoofdstuk II/1 ingevoegd, luidende :
« Hoofdstuk II/1. Aanzetten tot zelfdoding en hulp bij zelfdoding ».
Art. 12
In Hoofdstuk II/1, ingevoegd bij artikel 11, wordt een artikel 422quinquies ingevoegd, luidende :
« Art. 422 quinquies. § 1. Zij die, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de zelfdoding rechtstreeks hebben uitgelokt bij een ander, worden gestraft met opsluiting van twintig tot dertig jaar indien een zelfdoding van de ander volgt.
§ 2. Indien een poging tot zelfdoding volgt, is de straf opsluiting van vijftien tot twintig jaar.
§ 3. Behoudens in de gevallen bedoeld in de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en de medische hulp bij zelfdoding, worden gestraft met gevangenisstraf van twee tot vijf jaar, met geldboete van tweehonderd tot vijfhonderd euro of met een van deze straffen alleen :
a) zij die onderrichtingen geven of een opleiding verschaffen tot zelfdoding aan een ander, indien deze hulp wordt gevolgd door de zelfdoding of een poging tot zelfdoding van de ander;
b) zij die werktuigen of enig ander middel hebben verschaft aan een ander voor zelfdoding, indien deze hulp wordt gevolgd door de zelfdoding of een poging tot zelfdoding van de ander, wetende dat ze daartoe zouden dienen;
c) zij die met hun weten hulp of bijstand verlenen tot zelfdoding aan een ander, indien deze deze hulp of bijstand wordt gevolgd door de zelfdoding of een poging tot zelfdoding van de ander. »
11 januari 2013.
| Elke SLEURS. | |
| Louis IDE. | |
| Huub BROERS. | |
| Wilfried VANDAELE. | |
| Patrick DE GROOTE. | |
| Sabine VERMEULEN. | |
| Lieve MAES. |
(1) Artikel 12, § 2, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt stelt letterlijk : « De patiënt wordt betrokken bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De in deze wet opgesomde rechten kunnen door de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend. »