5-1894/4 | 5-1894/4 |
21 DECEMBER 2012
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd op 12 december 2012 door de regering in de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend (stuk Kamer, nr. 53-2561/1).
Het werd er op 20 december 2012 aangenomen door de plenaire vergadering met 84 stemmen tegen 44.
Het ontwerp werd dezelfde dag nog overgezonden aan de Senaat en geëvoceerd.
In toepassing van artikel 27.1., tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, die zich diende te buigen over de Titel 7. Financiën, van het wetsontwerp, de bespreking reeds aangevat voor de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 18 en 21 december 2012.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER SERVAIS VERHERSTRAETEN, STAATSSECRETARIS VOOR STAATSHERVORMING EN REGIE DER GEBOUWEN : TITEL 7. FINANCIËN, HOOFDSTUKKEN 1 TOT 5
De voorliggende programmawet bevat een eerste reeks maatregelen in uitvoering van de begroting 2013, die uiterst dringend en in ieder geval vóór 1 januari 2013 moeten worden genomen. Ze kunnen worden opgedeeld in zes groepen.
A. Maatregelen inzake roerende inkomsten
De regering heeft beslist om een echte harmonisering door te voeren inzake roerende inkomsten. De regel wordt vrij eenvoudig : in principe is er een uniforme roerende voorheffing van 25 %. De eindbelasting wordt eveneens op 25 % bepaald, zodanig dat het bevrijdend karakter als principe terug kan worden hersteld.
Deze regel geldt in principe voor alle roerende inkomsten en ook voor de diverse inkomsten van roerende aard en de inkomsten uit roerende goederen. Toch blijven er nog enkele uitzonderingen, zij het dat ze strikt beperkt zijn, namelijk :
— de liquidatieboni die op 10 % blijven;
— de inkomsten uit de zogenaamde Letermebon (15 %);
— de gereglementeerde spaardeposito's (15 %);
— de auteursrechten (15 %).
Omwille van deze grondige vereenvoudiging, is een centraal aanspreekpunt niet langer nodig om een juiste heffing van de belasting te verzekeren. De regering heeft het dan ook niet opportuun gevonden om een dergelijk centraal aanspreekpunt op te richten voor slechts één jaar. Het zogenaamde CAP4 zal dus niet worden opgestart.
Anderzijds heeft de regering wel beslist om de belastingheffing op de roerende inkomsten voor inkomstenjaar 2012 integraal te behouden. Dit betekent dat, wanneer de grens van 20 020 euro aan roerende inkomsten wordt overschreden, er toch nog 4 % zal zijn verschuldigd op de interesten en dividenden waarvoor geen 4 % is ingehouden aan de bron.
Om deze heffing te verzekeren, is een soepele overgangsregeling bedacht die zo weinig mogelijk administratieve rompslomp inhoudt voor burgers, financiële instellingen en administratie. De belastingplichtige zal een verklaring dienen te onderschrijven waaruit blijkt dat hij geen inkomsten heeft genoten in het jaar 2012 waarop de 4 %-heffing nog van toepassing kan zijn. Om iedere belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om in deze situatie terecht te kunnen komen, wordt nog tot 31 december 2012 de mogelijkheid geboden aan de belastingplichtigen om vooralsnog de 4 % vooraf te nemen en te laten doorstorten door de instelling die als betaler van de inkomsten is opgetreden.
Deze maatregelen maken dat de administratieve last voor de schuldenaars van de bijkomende heffing gevoelig wordt verlaagd en dat het invullen van de aangifte in de personenbelasting voor de meeste belastingplichtigen eenvoudiger wordt. Op die manier zal het immers ook mogelijk blijven om de vooraf ingevulde aangifte optimaal te gebruiken.
Ten slotte wordt ook duidelijkheid geschapen in het regime van de residentiële vastgoedbevaks. Voortaan is er een roerende voorheffing van 15 % en die voorheffing werkt bevrijdend. Meteen is er ook gebruik van gemaakt om de onverenigbaarheid van de regeling met het Europees verdrag, weg te werken.
B. Maatregelen voor een betere heffing en inning
In het ontwerp worden ook al twee maatregelen voorgesteld uit het afgesproken pakket aan maatregelen om een betere belastingheffing en inning te verzekeren. Ze zullen al van toepassing zijn voor het aanslagjaar 2013.
In de eerste plaats gaat het om het uitbreiden van de bestaande aangifteplicht voor buitenlandse bankrekeningen tot de in het buitenland afgesloten individuele levensverzekeringsovereenkomsten.
De andere maatregel gaat over de wijze van berekening van de belastingverhogingen. Volgens de huidige regeling kan de belastingplichtige die dode letter maken door voldoende vooraf te betalen of bij een overschot aan voorheffingen. Daar wordt nu een einde aan gemaakt.
Anderzijds wordt de drempel waarbij geen verhoging wordt toegepast en die al jaren ongewijzigd is gebleven, in belangrijke mate opgetrokken, namelijk tot 2 500 euro.
C. Heffing op verzekeringen
Om een zeker parallellisme te bewaren tussen de verhoging van de heffingen op beleggingen in bancaire producten en deze in verzekeringsproducten, heeft de regering beslist om de taks op de levensverzekeringscontracten op te trekken van 1,1 % naar 2 %. Het gaat hier in principe om de individuele levensverzekeringscontracten van tak 21, 22 en 23.
Om echter de bouw van een eigen woning niet te ontmoedigen, zal de verhoging niet gelden voor de schuldsaldoverzekeringen die gekoppeld zijn aan een hypothecaire lening.
D. Accijnzen en milieutaksen
In dit kader worden er drie maatregelen genomen.
Vooreerst worden de accijnzen op tabak verhoogd. Voor rooktabak gebeurt dit door het optrekken van de specifieke accijns van 11 euro naar 12 euro per kg. Voor sigaretten wordt een eerste stap gezet naar een minder prijsafhankelijke accijns door de ad valorem accijns licht te verminderen en de specifieke accijns behoorlijk op te trekken. De minimumaccijns wordt opgetrokken.
Een tweede maatregel bestaat er in om de accijnzen op alcohol, met uitzondering van bier, met gemiddeld 12 % op te trekken. Deze accijnzen waren sinds 1993 nog nauwelijks aangepast.
Ten slotte worden de milieutaksen afgeschaft. Deze waren in principe van toepassing op batterijen, wegwerpfototoestellen en op verpakkingen van inkten, lijmen of oplosmiddelen. De opbrengst daarvan was behoorlijk miniem geworden door de vele vrijstellingsregels die bij hergebruik zijn uitgewerkt. De administratieve rompslomp voor bedrijven en administratie overtreffen ondertussen de mogelijke opbrengst, zodat het een inefficiënte belasting is geworden.
E. Belasting op meerwaarden
De regering heeft ook beslist om een belasting van 0,4 % in te stellen op de vrijgestelde meerwaarden op aandelen die worden gerealiseerd door vennootschappen die geen KMO zijn. Deze maatregel is via een regeringsamendement in de kamercommissie ingebracht.
Het advies van de Raad van State over dit amendement, noodzaakt dat er nog een verduidelijking van de maatregel wordt gegeven. Immers, de Raad van State heeft in zijn advies van 11 december 2012 twee opmerkingen gemaakt. Een over het onderscheid dat wordt gemaakt tussen KMO's en andere vennootschappen en een over de inwerkingtreding.
In dit verband worden de volgende twee zaken verduidelijkt :
1. Het gemaakte onderscheid tussen de KMO's, die zijn vrijgesteld van deze heffing en de andere vennootschappen is gerechtvaardigd door het feit dat, in het kader van het relanceplan van de regering er bijzondere aandacht is geschonken aan de situatie van de KMO's, die meer dan andere vennootschappen behoefte hebben aan steun en bijstand bij het doorstaan van de economische en financiële crisis. Meerdere maatregelen zijn reeds genomen, worden in stand gehouden of zullen worden genomen. Men denkt bijvoorbeeld aan :
— de verruiming van het begrip onderzoekcentra ten gunste van de KMO's bij de aftrek octrooi-inkomsten;
— het handhaven van een hoger tarief bij de aftrek voor risicokapitaal;
Overigens is het een constante politiek van de regering om een KMO-beleid te voeren, en dit minstens ook in de fiscaliteit. Er is daarom op meerdere plaatsen een duidelijk onderscheid gemaakt in de belastingheffing tussen enerzijds de KMO's en anderzijds de andere vennootschappen. Naast de hierboven aangehaalde recente voorbeelden, is er ook op volgende vlakken een verschillende regeling : de investeringsreserve, de afschrijvingen (artikel 185quater en artikel 196, § 2) en de vermeerdering wegens onvoldoende voorafbetalingen gedurende de eerste drie jaar.
Telkens wordt het onderscheid gemaakt op basis van het criterium van kleine vennootschap zoals bedoeld in artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen.
In het kader van de huidige maatregel, bestaat het voordeel dat gegeven wordt aan de KMO's erin dat zij niet worden onderworpen aan deze belasting.
2. De Raad van State wenste ook een betere uitleg bij de wijze waarop de belasting op de meerwaarde zal worden berekend indien de afsluitdatum van de jaarrekening zich bevindt of wordt gewijzigd in de periode tussen 21 november 2012 en 31 december 2013. De opmerking van de Raad van State lijkt beter uitgedrukt indien ze als volgt wordt geformuleerd : « welke impact heeft deze neutraliserende maatregel op een wijziging van de afsluitdatum van het boekjaar ? ».
Op deze vraag kan als volgt worden geantwoord :
« Vennootschappen die vanaf 21 november 2012 een wijziging in de afsluitdatum van het boekjaar hebben doorgevoerd en die op basis van artikel 192, § 1, eerste lid, WIB 92 vrijgestelde meerwaarden hebben verwezenlijkt in het aanslagjaar 2013, zullen in hetzelfde aanslagjaar onderworpen worden aan de belasting aan het afzonderlijk tarief van 0,40 pct. voor zover zonder deze verandering van het boekjaar, deze meerwaarden zouden zijn verwezenlijkt in het aanslagjaar 2014. »
F. Belastingkrediet voor kinderen ten laste
Ten slotte is er ook nog een meerderheidsamendement aanvaard in de bevoegde Kamercommissie waarbij een fout is rechtgezet die in de laatste wet houdende fiscale en financiële bepalingen (stuk Senaat, nr. 5-1867) is geslopen. De wijziging die daar is aangebracht aan het belastingkrediet, kon in een aantal gevallen leiden tot een minder voordelig belastingkrediet dan vóór de wijziging. Deze anomalie is met het amendement rechtgezet.
III. BESPREKING
Mevrouw Maes vraagt of de minister de geschatte opbrengst van een aantal van de voorgestelde maatregelen kan toelichten. Meer specifiek wenst ze de impact te kennen van de maatregelen voorgesteld in de artikelen 102, 104 en 106.
De staatssecretaris verschaft volgend overzicht van de budgettaire effecten van de belangrijkste in deze programmawet opgenomen fiscale maatregelen :
— wijzigingen inzake roerende inkomsten, 361,3 miljoen euro;
— residentiële vastgoedbevaks, + 4,3 miljoen euro;
— vermelden levensverzekeringen op aangifte, 0 euro;
— wijziging berekening belastingverhoging (artikel 444), 3,0 miljoen euro
— verzekeringstaks, 139,2 miljoen euro;
— accijnzen alcohol, 63,8 miljoen euro;
— accijnzen tabak, 98,1 miljoen euro;
— afschaffen milieutaks, - 2,4 miljoen euro.
De heer Laaouej feliciteert de regering met de voorgestelde begrotingsmaatregelen. Gelukkig is de bevolking ontsnapt aan een verhoging van de BTW-voet, aan een indexsprong, ... Tegelijkertijd is de regering er toch in geslaagd om het noodzakelijke bedrag van 3,7 à 4 miljard euro te vinden om de in Europees verband afgesproken begrotingsdoelstelling te halen. Daarbij heeft de regering van de gelegenheid gebruik gemaakt om een beter evenwicht te vinden tussen de fiscaliteit op arbeid en op vermogen. Spreker merkt op dat de geschatte inkomsten van de wijziging inzake de roerende inkomsten ongeveer zullen aangewend worden voor de toekomstige, nog met de sociale partners te overleggen, netto loonsverhoging voor de lage en middeninkomens.
Spreker merkt nog op dat momenteel ongeveer 12 miljard van de staatsuitgaven aan interestlasten wordt besteed. Gezien de recente daling van de langetermijnrente, die een jaar geleden nog ongeveer 6 % bedroeg en nu de 2 % nadert, kan, zoals afgesproken, in 2015 het budgettaire evenwicht worden bereikt. Hierdoor onstaat er opnieuw een budgettaire ruimte en kunnen de toekomstige regeringen beslissen aan welke maatregelen ze de voorkeur wensen te geven. Met dank aan de veranwoordelijkheidszin van de huidige regeringsploeg.
Spreker wenst tot slot nog te vermelden dat hij verheugd is over de oplossing die werd uitgewerkt met betrekking tot het belastingkrediet voor kinderen ten laste. Hiermee werd een fout rechtgezet die in de laatste wet houdende fiscale en financiële bepalingen was geslopen.
De heer Miller wenst eveneens de regering te feliciteren met de geleverde, evenwichtige inspanningen. Het lid apprecieert ten zeerste de maatregelen met betrekking tot de auteursrechten en met betrekking tot een evenwichtigere spreiding tussen inkomen uit arbeid en uit vermogen.
De heer Sannen, voorzitter, waardeert eveneens de eerste aanzet naar een verschuiving van de belastingen op arbeid naar de belasting op vermogenswinst. Verdere stappen moeten hier nog wel genomen worden.
IV. BESPREKING VAN HET AMENDEMENT
Artikel 110
Amendement nr. 1
Mevrouw Maes dient een amendement in dat ertoe strekt de inwerkingtreding van de voorgestelde artikelen 106 tot 109 met een maand uit te stellen. Daarom wenst het de woorden « op 1 januari 2013 » te vervangen door de woorden « op 1 februari 2013 ».
De indienster stelt dat het de bedoeling is dat zowel de tabakssector als de wijnhandelaren voldoende tijd moeten krijgen om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving. Immers, de eindejaarsperiode is voor de wijnhandelaren een bijzonder intense periode en het is de bedoeling dat hen dezelfde faciliteit wordt verleend als aan de tabakssector.
De heer Bogaert, staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Modernisering van de Openbare Diensten, toegevoegd aan de minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken verklaart dat de sector dergelijke logistieke aanpassingen in het verleden snel kon doorvoeren. Bovendien zou het voorgestelde uitstel resulteren in een daling van de ontvangsten en een minderontvangst van 5 miljoen euro inhouden. Hij vraagt dan ook om het voorgestelde amendement niet goed te keuren.
V. STEMMINGEN
Het amendement nr. 1 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1.
De artikelen verwezen naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden worden in hun geheel aangenomen met 9 stemmen tegen 1.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Ahmed LAAOUEJ. | Ludo SANNEN. |
De tekst van de door de commissie aangenomen artikelen is dezelfde als de tekst van het wetsontserp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers (zie stuk Kamer, nr. 53-2561/12 — 2012/2013).