5-1906/2 | 5-1906/2 |
20 DECEMBER 2012
I. INLEIDING
Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering op 19 november 2012 (stuk Kamer, nr. 53-2509/1).
Het werd op 20 december 2012 aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers met 98 stemmen en 38 onthoudingen, overgezonden aan de Senaat en geëvoceerd.
De commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 20 december 2012.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE VICE-EERSTEMINISTER EN MINISTER VAN ECONOMIE, CONSUMENTEN EN NOORDZEE, DE HEER JOHAN VANDE LANOTTE
Vanaf einde 2008 is er een dramatische toename geweest van maritieme piraterij, vooral in de golf van Aden, de Arabische zee en de Indische oceaan, door piraten die hun land — en uitvalsbasis hebben in Somalië.
Piraten vallen met zwaar en driest geweld, met gebruik van zware en automatische wapens, koopvaardijschepen aan. De aanvallen gebeuren tot honderden mijlen uit de kust, waar de piraten moederschepen inzetten. Zij gijzelen schepen en de bemanning om losgeld te bekomen. Ze kunnen er ook op gericht zijn om vracht, uitrusting van het schip of persoonlijke bezittingen van de bemanningsleden te stelen.
De toenemende piraterij vormt ontegensprekelijk een bedreiging voor :
— het wereldvoedselhulp programma voor Somalië;
— de veiligheid en het welzijn van de bemanning van schepen als gevolg van het zwaar geweld en de soms langdurige gijzelingen;
— de veiligheid van scheepsroutes die essentieel zijn voor de wereldhandel en voor de Belgische welvaart;
— de waarde van de Belgische koopvaardijvloot voor de Belgische economie. Het aantal uitvlaggingen naar andere landen die hetzij een wettelijk kader hebben, hetzij een gedoogbeleid voeren is reëel.
De internationale maatregelen tegen piraterij voor de kust van Somalië
De Internationale gemeenschap heeft verschillende initiatieven genomen om de toenemende piraterij in de wateren voor de kust van Somalië te bestrijden.
De Veiligheidsraad heeft door middel van resoluties een internationale rechtsgrond gecreëerd voor internationale actie in de zone.
Verschillende Staten zenden oorlogsschepen naar de zone, onder meer ook in het kader van de NATO of in het kader van ATALANTA, de actie van de Europese Unie (EU).
Sommige Staten plaatsen, op vraag van de reders, gewapende militaire beschermingsteams (Vessel Protection Detachment — de zogenaamde VDP's) aan boord van schepen. Sommige landen hebben daartoe basissen in de zone.
De industrie heeft maatregelen genomen op het vlak van de planning en operaties van schepen die door risicogebied varen, met het oog op de preventie en adequate reactie op aanvallen (de zogenaamde « Best Management Practices »).
Er wordt in toenemende mate beroep gedaan op private gewapende veiligheidsondernemingen aan boord van schepen.
Staten namen in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) onder meer de volgende initiatieven :
— de versterking van de regionale samenwerking in het gebied en van de capaciteit van de betrokken landen voor de bestrijding van piraterij op het vlak van de kustwacht, de vervolging en de bestraffing van piraterij (de zogenaamde « Djibouti Code of Conduct »);
— de bevordering wereldwijd van aangepaste nationale wetgevingen om piraterij te kunnen vervolgen;
— de richtsnoeren voor het beroep doen op private maritieme veiligheidsondernemingen.
De Belgische maatregelen
De Belgische regering heeft ook meerdere maatregelen genomen.
In 2009 werd een wettelijk kader opgesteld om het optreden van militaire schepen in de betrokken zone te regelen. Een Belgische fregat heeft al twee keer deelgenomen aan missies en voert momenteel een derde uit.
Bovendien werd er in een stevige juridische grondslag voorzien voor de vervolging van piraterij in België. Hierdoor konden twee piraten die betrokken waren bij de gijzeling van het Belgische schip de Pompei, vervolgd en veroordeeld worden in België.
In 2010 nam de regering ook de beslissing om militairen (VPD) ter beschikking te stellen van reders. Die militairen mogen worden ingezet aan boord van schepen die de Belgische vlag voeren om die schepen te beschermen tegen piraterij.
De voorgestelde maatregelen
De huidige voorgestelde maatregelen vullen het geheel van maatregelen ter bestrijding van piraterij op zee aan. De praktijk heeft aangetoond dat gewapend toezicht aan boord van schepen doeltreffend is. Het inzetten van Belgische militairen om bescherming te bieden aan boord van schepen kampt echter met problemen van logistieke en financiële aard. In de lijn van de internationale ontwikkelingen, heeft de regering bijgevolg beslist een wettelijk kader op te stellen om de reders in staat te stellen een beroep te doen op maritieme veiligheidsondernemingen die door de Belgische staat worden erkend om schepen te beschermen tegen piraterij in bepaalde zones.
De voorgestelde maatregel is gebaseerd op een aantal belangrijke beginselen :
Maritieme veiligheidsondernemingen kunnen enkel worden ingezet in zones die vastgesteld worden door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. De Ministerraad heeft een ontwerp van koninklijk besluit goedgekeurd waarbij de kust van Somalië wordt aangeduid.
De onderneming moet door de Belgische Staat vergund zijn zodat ze kan worden gecontroleerd op kwaliteit, personeel en opdrachten.
De reder moet een risicoanalyse opmaken.
De kapitein en de eigenaar passen « Best Management Practices » toe.
Gewapend toezicht is in beginsel preventief, de geleidelijke toevlucht tot geweld valt onder een duidelijk wettelijk kader.
De onderneming moet de buitenlandse wetgeving naleven in het kader van haar opdrachten, met name de buitenlandse wetgeving inzake wapengebruik.
De verantwoordelijkheid van de maritieme veiligheidsploeg en van de kapitein, die het gezag over alle handelingen aan boord behoudt, worden duidelijk gedefinieerd.
De Belgische Staat wordt op de hoogte gebracht van elke opdracht en van alle incidenten zodat indien nodig, via een crisiscel, de nodige maatregelen kunnen worden genomen.
De toepassing van de voorgestelde maatregel is beperkt in de tijd, namelijk tot 31 december 2014. De toepassing moet worden verlengd, na een evaluatie, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit dat een wettelijk bekrachtiging vereist.
Aangezien er dringend een wettelijk kader nodig is voor het inzetten van maritieme veiligheidsondernemingen en gelet op de tijd die nodig is voor de uitvoering en toepassing van de betrokken wetgeving (vergunning voor de ondernemingen, opleiding van het personeel, ...), wordt er in een overgangsregeling voorzien. Bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit mogen reders voor één of meerdere reizen een beroep doen op maritieme veiligheidsondernemingen onder bepaalde bij koninklijk besluit vastgestelde voorwaarden.
De voorgestelde maatregel moet voorkomen dat dat schepen onder commerciële druk van bevrachters nog verder uitvlaggen naar ander Staten waar het gebruik van maritieme veiligheidsondernemingen reeds toegestaan, geregeld of gedoogd wordt. Deze maatregel moet er zelfs toe bijdragen dat bepaalde schepen weer invlaggen naar de Belgische vlag. De regering blijft daarnaast de andere maatregelen zoals de ontwikkeling van een rechtsstaat in Somalië, de inzet van nationale militaire beschermingsploegen en de deelname aan internationale militaire acties steunen.
Dit ontwerp werd behandeld op de zittingen van 12 en 18 december 2012 in de commissie Binnenlandse Zaken van de Kamer en vandaag in de plenaire vergadering van de Kamer gestemd. Tijdens de kamerbesprekingen werden een reeks technische vragen en vragen om verduidelijking gesteld waarop door de regering werd geantwoord en die zijn opgenomen in het verslag.
III. ALGEMENE BESPREKING
De heer Deprez verklaart dat zijn fractie steeds voorstander is geweest van dit wetsontwerp. Hij heeft echter een welbepaalde vraag : wanneer hij artikel 14 van het wetsontwerp, dat de voorwaarden opsomt waaraan de erkende ondernemingen moeten voldoen, onderzoekt, vraagt hij zich af of er wel Belgische ondernemingen aan al die vereisten zullen voldoen. Zal men aanvankelijk geen beroep moeten doen op buitenlandse ondernemingen ?
Is het in het licht van deze lastige procedure en gezien het feit dat de ingestelde regeling in 2014 afloopt realistisch concrete resultaten te verwachten ?
Mervouw Thibaut is niet heel enthousiast over het wetsontwerp. Ze is principieel gekant tegen het uitoefenen van geweld door privé-ondernemingen, zoals in de gevangenissen is gebeurd. Men privatiseert teveel en het is niet onrealistisch dat op een dag clandestiene migranten op zee worden aangehouden door private veiligheidsondernemingen.
De openbare ordestrijdkrachten daarentegen worden gecontroleerd door hun hiërarchie en de staat is aansprakelijk voor hun daden. Haar fractie vreest dus het gevaar op ontsporingen, dat inherent is aan het wetsontwerp.
De minister heeft verklaard dat het heel gecompliceerd was een beroep te doen op militairen en dat voor de vereiste diplomatieke toelatingen veel tijd verloren ging. Ook het transport van militairen per vliegtuig blijkt problemen met zich te brengen. Wat voor diplomatieke toelatingen werden gevraagd ? Aan welke overheden werden ze gevraagd ? Waarom is het vervoer van private veiligheidsondernemingen eventueel sneller en goedkoper dan dat van een militair detachement ?
Spreekster komt ook terug over het spoedeisend karakter van het wetsontwerp. Verscheidene Europese landen hebben hiervoor nog geen reglementering en de vereiste spoed lijkt haar dus heel relatief. De minister verantwoordde de spoedbehandeling met een probleem van verzekeringen. Geeft de regering soms toe aan de verzekeringslobby ? Of wordt hier een toestand geregulariseerd die in het verleden al bestond ?
De heer Claes vraagt of de voorwaarde dat de maritieme veiligheidsonderneming over ervaring moet beschikken. Hij vraagt zich af of een dergelijke voorwaarde niet marktverstorend werkt. Waarom zou een beginnende onderneming niet geleidelijk de nodige ervaring kunnen opdoen ?
In de tweede plaats wijst hij op het belang van de in het ontwerp voorziene evaluatie zodat zonodig kan worden bijgestuurd.
De heer Buysse steunt het wetsontwerp. Reeds verschillende landen maken gebruik van vergelijkbare veiligheidsondernemingen (Spanje, Denemarken, Italië) en dit tot grote tevredenheid van de rederijen die onder deze vlaggen varen.
De heer Moureaux stelt vast dat hier eens te meer sprake is van een terugkeer naar de Middeleeuwen, toen privélegers voor de veiligheid instonden. Hij vindt het treurig, maar de openbare macht volstaat ongelukkigerwijze niet.
De minister komt terug op de vraag of Belgische ondernemingen aan de voorwaarden van de wet kunnen voldoen. Het gaat om twee soorten ondernemingen : ofwel Belgische ondernemingen die reeds enige ervaring terzake hebben, ofwel Belgische ondernemingen die zullen samenwerken met een buitenlandse onderneming die de nodige ervaring heeft. In Groot-Brittannië bijvoorbeeld doen een aantal ondernemingen aan outplacement van gewezen Britse militairen en geven hun training voor dat soort maritieme activiteiten. In België bestaat dat nog niet, maar Belgische ondernemingen hebben in die optiek reeds samenwerkingsakkoorden gesloten met het buitenland.
Er komt dus een overgangsperiode waardoor onze veiligheidsondernemingen de vereiste deskundigheid zullen kunnen ontwikkelen.
Het aangeworven personeel moet ook de vereiste ervaring hebben. De regering heeft kwaliteitseisen vooropgesteld, aan de hand van de voorwaarden in artikel 14, om de veiligheid te garanderen. Het gaat er immers om de reders en het personeel op de schepen te beschermen.
Door het instellen van een dergelijk veiligheidsapparaat heeft men de gevallen van piraterij in de getroffen gebieden met een derde kunnen verminderen. Men stelt immers vast dat de piraterij zich naar de onbeschermde gebieden verplaatst.
De regering wenst dat de besproken maatregelen overgangsmaatregelen zijn en dat de diplomatieke toelatingen voor de militaire detachementen eind januari 2013 kunnen worden afgegeven.
De minister ontkent niet dat het gevaar op ontsporing bestaat. Precies daarom beschrijft de wet de procedure heel gedetailleerd. In Luxemburg volstaat men met een brief van de minister van Binnenlandse Zaken.
De minister herinnert er ook aan dat het essentieel is dat de bescherming van het personeel en de reders van de koopvaardij wordt gegarandeerd.
Van een regularisering is geen sprake. Hij stelt daarentegen vast dat vele schepen die onder Belgische vlag varen ons grondgebied verlaten naar landen die beschikken over een rechtssysteem dat voldoende bescherming biedt tegen piraterij.
De minister is het er mee eens dat de evaluatie belangrijk is. Hij herinnert aan de wetgeving rond de private veiligheidsondernemingen. Voor deze wetgeving had deze sector een zeer kwalijke reputatie. Door de sector te reglementeren zijn er thans veel minder problemen dan in het verleden. Wat de bescherming tegen de piraterij betreft heeft men de keuze : ofwel zullen onze rederijen steeds meer uitvlaggen, ofwel zullen zij bescherming organiseren buiten elke regeling om. Daarom meent hij dat een correcte regulering, met de mogelijkheid van sancties, een betere oplossing biedt voor het probleem van de piraterij. Dit is wellicht niet de beste oplossing maar gelet op de huidige situatie is dit de best mogelijk oplossing.
De heer Moureaux betreurt dat artikel 30 bepaalt dat de Ministerraad deze regeling kan laten eindigen na 31 december 2014 valt. Dat kan dus binnen vijftig of honderd jaar zijn.
Het was beter geweest een verlenging van jaar tot jaar vast te leggen.
De heer De Padt herinnert er aan dat hij als minister van Binnenlandse Zaken zelf is geconfronteerd is geweest met de kaping van een boot van de firma De Nul door Somalische piraten. Het vergt ontzettend veel inspanningen om militaire schepen ter plekke te sturen omdat de afstanden enorm groot zijn. Hij meent dan ook dat het voorliggend ontwerp een bevredigende oplossing biedt om het economisch luik van die transportsector te ondersteunen. Terecht doet men niet altijd beroep op overheidsdiensten om die schepen te beveiligen. De voorgestelde regulering is voor hem dan ook een bevredigende oplossing.
Mevrouw Vermeulen vraagt wat het geschatte tijdsverloop zal zijn tussen de indiening van de aanvraag tot erkenning en de eigenlijke erkenning als maritieme veiligheidsonderneming. In de tweede plaats wenst zij te vernemen hoe onze regelgeving zal worden afgestemd op de buitenlandse regelgeving inzake de beroepsuitoefeningsvoorwaarden.
De minister antwoordt dat in de wet een termijn van twee maanden is opgenomen maar hij verwacht dat dit in de praktijk twee weken zal duren.
Op de tweede vraag antwoordt de minister dat de algemene regels worden gevolgd, de « Best Practices » die in het kader van de internationale organisaties zijn vastgelegd. In werkelijkheid verwacht hij dat wat België doet in heel wat landen zal worden nagevolgd. Hij verwijst hierbij naar de Belgische wetgeving inzake de private veiligheidsondernemingen die in heel Europa gekopieerd is.
IV. STEMMINGEN
Over de artikelen van het wetsontwerp worden geen opmerkingen gemaakt.
Bijgevolg wordt het geheel van het wetsontwerp aangenomen met 9 stemmen bij 3 onthoudingen.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Gérard DEPREZ. | Philippe MOUREAUX. |
De door de commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp (zie stuk Kamer, nr. 53-2509/4 — 2012/2013).