5-161COM | 5-161COM |
De heer Peter Van Rompuy (CD&V). - Tegen de achtergrond van de uitdijende overheidsschuldencrisis in de EU gaat er steeds meer aandacht naar de nationale begrotingskaders. Zo heeft ook een essentiële component van de versterkte EU-governance betrekking op de verbetering van de nationale begrotingskaders. De in november 2011 goedgekeurde richtlijn 2011/85/EU van de Raad legt een reeks minimumvereisten vast waaraan alle EU-lidstaten uiterlijk tegen eind 2013 moeten voldoen. De landen van het eurogebied hebben zich ertoe verbonden deze vereisten ten laatste tegen eind 2012 na te leven.
De richtlijn stelt dat de bij de begrotingsopmaak gebruikte macro-economische en budgettaire ramingen realistisch of voorzichtig dienen te zijn. In België speelt de economische begroting van het Instituut voor de nationale rekeningen, INR, een belangrijke rol. Hoewel er twijfel kan bestaan over de vraag of dit een wettelijke verplichting is, fungeren deze vooruitzichten traditioneel als uitgangspunt voor de opmaak van de begroting van de federale overheid, de sociale zekerheid en de gewesten en gemeenschappen. Algemeen beschouwd kan een gebrek aan voorzichtigheid op dit vlak alleen voortvloeien uit een vertraging bij de opmaak van de begroting, waardoor sommige macro-economische hypothesen kunnen achterhaald zijn. De transparantie en de mate van voorzichtigheid bij het opstellen van de raming van de overheidsontvangsten, in het bijzonder betreffende de inschatting van de begrotingsimpact van nieuwe maatregelen, zouden daarentegen aanzienlijk kunnen worden verbeterd. De Hoge Raad van Financiën heeft trouwens al aangedrongen op een grondige evaluatie van de gehanteerde methodes.
Meer algemeen zouden we in België beter ook nagaan of de procedures voor de opmaak van de diverse uitgavenbegrotingen, waarin formele en informele indexmechanismen vaak nog een grote rol spelen, voldoende zijn afgestemd op de noodzaak om de uitgavenefficiëntie te verhogen.
Welke initiatieven overweegt de minister te nemen om het gebrek aan transparantie en voorzichtigheid, bij het opstellen van de raming van de overheidsontvangsten in de toekomst te verbeteren?
Is hij van plan na te gaan of de procedures voor de opmaak van de diverse uitgavenbegrotingen voldoende zijn afgestemd op de noodzaak om de uitgavenefficiëntie te verhogen?
De heer Olivier Chastel, minister van Begroting en Administratieve Vereenvoudiging. - In de eerste plaats wil ik een drietal algemene opmerkingen maken.
De opmaak van een begroting is per definitie omgeven door onzekerheid. Uiteraard wil de minister van Begroting bij de opmaak van de begroting liefst kunnen voortbouwen op zo realistisch mogelijke hypothesen en de onzekerheid minimaal houden. Zowel bij de opmaak van de initiële begroting als bij de begrotingscontrole heeft de regering uit voorzichtigheidsoverwegingen een conjunctuurbuffer ingebouwd.
De heer Van Rompuy verwijst in zijn vraag naar richtlijn 2011/85. De interministeriële conferentie van 27 maart heeft beslist om een administratieve werkgroep op te richten die moet rapporteren over de wijze waarop de Europese verplichtingen naar de Belgische context kunnen worden vertaald.
In de periode van lopende zaken was er een monitoringcomité, samengesteld uit hoge ambtenaren, dat op geregelde tijdstippen rapporteerde over de budgettaire toestand. De ministerraad van 13 januari 2012 heeft beslist om in voorbereiding van de begrotingscontrole en ook voor de daaropvolgende begrotingsrondes telkens een rapport te vragen aan dat monitoringcomité. De taken van het comité worden dus verlengd na de periode van lopende zaken. Het monitoringcomité blijft daarmee een belangrijke rol spelen in de voorbereiding van de begrotingscijfers. De rapporten van het comité vormen een goede, objectieve basis voor het starten van de politieke discussie.
Zoals de heer Van Rompuy in zijn vraag aangeeft, is de methode die gebruikt wordt voor de raming van de fiscale ontvangsten relatief transparant, in die zin dat de concrete berekeningswijze voor de belangrijkste belastingontvangsten wordt opgenomen en toegelicht in de algemene toelichting bij de begroting. Het wordt inderdaad een stuk moeilijker als het gaat over het inschatten van de impact van nieuwe maatregelen.
De evaluatie van de impact van de maatregelen gebeurt nu ook al bij elke begrotingsoefening. Het volstaat om er de verslagen van het Rekenhof op na lezen. Bij elke begrotingsronde gaat het Rekenhof vrij gedetailleerd in op de raming van de impact van de belangrijkste maatregelen en formuleert het desgevallend opmerkingen. Ik verwijs als voorbeeld naar het naar aanleiding van de begrotingscontrole gepubliceerde verslag, waarin het Rekenhof vaststelt: `Naar aanleiding van het onderzoek van de aangepaste begroting werd wel de nodige informatie overgemaakt. De budgettaire raming van deze maatregelen lijkt nu voldoende onderbouwd te zijn, behalve voor de maatregelen inzake fraudebestrijding en de opheffing van het bankgeheim.'
Dit maar om aan te geven dat er al zekere evaluaties gebeuren. Ik ben het er wel mee eens dat deze op een veel systematischer manier moeten gebeuren. In het kader van de omzetting van richtlijn 2011/85 zal er in ieder geval een kader moeten worden gecreëerd om op regelmatige basis de gehanteerde ramingen te evalueren. Dit zou in de toekomst kunnen worden toevertrouwd aan de Hoge Raad van Financiën.
Bij de vragen over de uitgavenbegroting heb ik twee bedenkingen.
Het streven naar efficiëntiewinsten is opgenomen in het regeerakkoord: `Het was de bedoeling zo ver mogelijk te gaan in de vermindering van de overheidsuitgaven, onder meer dankzij de versterking van de strijd tegen verspilling en het streven naar efficiëntiewinst, waardoor er tegen een lagere kostprijs een goede openbare dienstverlening kan worden blijven versterkt.' In dit kader kunnen twee initiatieven worden aangehaald. De cel Optifed moet concrete voorstellen uitwerken om te komen tot een beter interdepartementaal beheer. In het zelfde kader past het voorstel van het college van de voorzitters van de FOD's tijdens de begrotingscontrole. De voorzitters van de FOD's engageerden zich om de bijkomende besparing op de werkingsmiddelen die voor 2013 gepland was, al in 2012 te realiseren op voorwaarde dat een deel van de besparing kan worden geherinvesteerd worden in efficiëntieverhogende initiatieven. Voor dit laatste werd een bedrag van 10 miljoen euro in de interdepartementale provisie ingeschreven.
In de circulaire over de opmaak van de begroting wordt de inspecteurs van Financiën gevraagd verschillende prestatieanalyses van de overheidsfinanciën te maken en aanbevelingen te doen om de uitgaven te beheersen.