5-1626/1

5-1626/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

22 MEI 2012


Wetsvoorstel tot bevordering van de oprichting van werkgeversgroeperingen

(Ingediend door mevrouw Cécile Thibaut c.s.)


TOELICHTING


1. Situatieschets

De voorbije twintig jaar lijkt de kwaliteit van de jobs in België er alleen maar op achteruit te gaan. De werkgevers bieden arbeidsovereenkomsten aan die steeds vaker precair zijn en ze eisen steeds meer flexibiliteit; deeltijdwerk bijvoorbeeld heeft een steile opmars gekend en is momenteel goed voor haast 30 % van alle arbeidsovereenkomsten. Vooral vrouwen doen aan deeltijdwerk (42 % van de werkende vrouwen, tegenover 11 % van de werkende mannen doen aan deeltijdwerk), vaak noodgedwongen. Ook het aantal arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur (12 % van alle arbeidsovereenkomsten) en het aantal uitzendarbeidsovereenkomsten (dagelijks zijn meer dan 90 000 uitzendkrachten aan het werk) nemen gestaag toe.

Terwijl de arbeidsovereenkomsten precair worden, vinden sommige ondernemingen almaar moeilijker de juiste mensen in de periodes dat zij het hardst nodig zijn.

De kleinere ondernemingen, met name de kmo's waarvan de activiteiten niet kunnen worden verhuisd, beschikken over onvoldoende middelen (of aarzelen in elk geval) om de nodige mensen aan te trekken voor bepaalde taken, zoals voor ondersteunende functies (secretariaat, boekhouding, grafisch ontwerp, websitebeheer, logistieke ondersteuning), of om specifieke noden op te vangen.

Nochtans kan de onderneming die het erop waagt, een belangrijke stap zetten in het bestaan van de firma en aldus de bedrijfsactiviteit versterken. In dat opzicht biedt de werkgeversgroepering een interessante en originele kans om samen de behoeften aan te pakken en samen middelen in te zetten, en de banen aldus te « herreguleren ».

De werkgeversgroeperingen hebben tot doel de beschikbare mankracht over verscheidene werkgevers te spreiden en tegemoet te komen aan de behoeften van alle ondernemingen die deel uitmaken van een dergelijke groepering. Bij een werkgeversgroepering werkt de werknemer weliswaar voor verscheidene ondernemingen, maar hij heeft alleen een arbeidsovereenkomst met die groepering, die wettelijk zijn enige werkgever is.

Het begrip « werkgeversgroepering » werd in het Belgische arbeidsrecht ingesteld bij de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen (zie hoofdstuk XI, artikelen 186 tot 195).

Met name het Centre de ressources des groupements d'employeurs (CRGE) definieert de werkgeversgroepering als een onderneming (in de rechtsvorm van een economisch samenwerkingsverband) die door andere ondernemingen wordt opgericht om de arbeidstijd van hun werknemers te kunnen delen, om achterstand bij het werk in te halen of om bepaalde specifieke behoeften op te vangen.

Door die kenmerken onderscheidt de werkgeversgroepering zich dus van de ondernemingen die een beroep doen op onderaanneming.

Voorts is een werkgeversgroepering ook niet hetzelfde als een onderneming die een beroep doet op uitzendarbeid, aangezien zij geen winstoogmerk heeft en de werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur aan de slag zijn.

2. Voordelen van de werkgeversgroepering

De werkgeversgroepering biedt een aantal voordelen, zowel voor de ondernemingen (met name de kleine en middelgrote ondernemingen) als voor de werknemers.

2.1. Voordelen voor de ondernemingen

Dankzij de werkgeversgroepering kunnen de ondernemingen :

1. die anders helemaal niet over de middelen daartoe beschikken, één of meer extra mensen in dienst nemen voor welbepaalde taken of voor welbepaalde periodes (met name seizoensarbeid);

2. gezamenlijk gebruik maken van de knowhow van gespecialiseerde werknemers, die zij in hun eentje niet in dienst hadden kunnen nemen;

3. bepaalde werknemers aan zich binden en voort opleiden, terwijl zij in hun eentje die mensen niet in dienst hadden kunnen nemen of houden;

4. ertoe bijdragen dat mensen uit de nabije omgeving de weg naar de arbeidsmarkt vinden, met een volwaardige arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur;

5. zich lokaal sterk verankeren, wat zowel het interne als externe sociaal klimaat ten goede komt;

6. hun administratieve taken beperken en het HR-beheer stroomlijnen (de werkgeversgroepering zorgt immers voor de loopbaanontwikkelingsprogramma's, het opleidingsaanbod en het loopbaanbeheer);

7. deel uitmaken van een lokaal ondernemingsnetwerk;

8. periodes van plotse en tijdelijke drukte opvangen, bijvoorbeeld wanneer grote orders moeten worden verwerkt;

9. de afwezigheid van werknemers (door ziekte, opleiding, enz.) makkelijker opvangen.

2.2. Voordelen voor de werknemers

Dankzij de werkgeversgroepering kunnen de werknemers :

1. betere arbeidsvoorwaarden genieten doordat zij niet langer met een precaire uitzendarbeidsovereenkomst aan de slag zijn, maar met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;

2. betere arbeidsvoorwaarden genieten doordat zij een arbeidsovereenkomst sluiten met een meer solide partij, die hen meer zekerheid en een betere arbeidskwaliteit kan bieden;

3. een beter zicht krijgen op de realiteit van de arbeidsmarkt en hun vaardigheden aanscherpen (ze worden polyvalenter, ze leren nieuwe vaardigheden aan, ze vergroten hun aanpassingsvermogen, ze maken gebruik van de geboden opleidingskansen, enz.);

4. diverse taken verrichten voor de meest uiteenlopende werkgevers (qua bedrijfsgrootte, functie, sector, enz.) en aldus voor variatie in hun werk zorgen, wat routine voorkomt en hun netwerk van zakelijke contacten vergroot.

De werkgeversgroepering is volgens de indieners van dit wetsvoorstel een uitstekend middel om de lokale en regionale werkgelegenheid te ontwikkelen, door voor specifieke en/of sporadische noden tot echte arbeidsovereenkomsten te komen.

In tegenstelling tot de uitzendarbeid is de werkgeversgroepering een « win-winconcept ». Een dergelijke groepering biedt de afzonderlijke onderneming de mogelijkheid haar werking te verbeteren, zorgt voor vastheid van betrekking voor de in pools verenigde werknemers en steunt het werkgelegenheidsbeleid van de overheid. Met de werkgeversgroeperingen ontstaat dus een nieuwe vorm van arbeidsorganisatie, die collectief en solidair is. Ook kunnen de specifieke behoeften inzake bekwaamheden die voor de ontwikkeling van de ondernemingen zijn vereist, sporen met vastere banen en met de beroepsevolutie van de werknemers.

Ondanks die talrijke voordelen kennen de werkgeversgroeperingen, zoals ze voornamelijk in hoofdstuk XI van de voormelde wet van 12 augustus 2000 worden omschreven, maar een matig succes in België; dat ligt elders anders, bijvoorbeeld in Frankrijk, waar de werkgeversgroeperingen hebben geleid tot 35 000 nieuwe banen. Er zijn diverse oorzaken voor dat geringe succes, onder meer een aantal juridische verplichtingen (waaraan dit wetsvoorstel een einde beoogt te maken), maar ook een gebrek aan voluntarisme en aan steun vanwege de overheid.

De wet die de totstandkoming van werkgeversgroeperingen mogelijk maakt, heeft nog geen volle uitwerking gekregen. Bedoeling van de in dit wetsvoorstel opgenomen wijzigingen is dat alle in die wet vervatte mogelijkheden kunnen worden benut.

3. Doelstellingen van het wetsvoorstel

3.1. De categorieën mensen die een werkgeversgroepering in dienst mag nemen, op twee manieren verruimen

3.1.1. De beperking inzake de langdurig niet-werkende werkzoekenden

De huidige wetgeving beperkt de mogelijkheid inzake indienstneming door een werkgeversgroepering tot de langdurig niet-werkende werkzoekenden, die het bestaansminimum of financiële maatschappelijke hulp krijgen.

Dit wetsvoorstel beoogt de werkgeversgroeperingen toe te staan alle werkzoekenden in dienst te nemen. Doordat de ondernemingen soms op zoek zijn naar welbepaalde profielen bestaat er, naast het belang van de toegang van de zwaksten tot de arbeidsmarkt, geen echte reden om de toepassing van die regeling tot hen te beperken.

Als een werkgeversgroepering er niettemin voor opteert langdurig niet-werkende werkzoekenden in dienst te nemen, blijft die groepering uiteraard in aanmerking komen voor de op de zwakste werkzoekenden toegespitste werkgelegenheidsbevorderende maatregelen.

Die verruiming van de doelgroep gaat in dit wetsvoorstel gepaard met de afschaffing van de thans bestaande afwijkingen inzake opzegtermijn in geval van vrijwillig vertrek van de werknemer. In plaats van een termijn van zeven dagen geldt bijgevolg als opzegtermijn voor de werknemer die een einde maakt aan zijn arbeidsovereenkomst, de duur waarin wordt voorzien door de in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten vervatte bepalingen, die op alle werknemers van toepassing zijn. Doordat dit wetsvoorstel beoogt de doelgroep te verruimen en de werkgelegenheid duurzaam te maken in het kader van de werkgeversgroeperingen, achten de indieners het dan ook normaal dat een opzegtermijn wordt bepaald die lang genoeg is om de betrokken ondernemingen de mogelijkheid te bieden zich aan te passen aan de eventuele beslissing van een werknemer de groepering te verlaten.

3.1.2. De beperking inzake de soorten van voorgestelde overeenkomsten

Krachtens de vigerende wetgeving mag een werkgeversgroepering louter met voltijdse arbeidsovereenkomsten mensen in dienst nemen. Die verplichting strookt echter niet altijd met de behoeften van de leden van de groepering en/of met de wensen van de werknemers : de ondernemingen die lid zijn van de groepering hebben immers niet altijd samen nood aan een voltijdwerker (zo kunnen enkele zeer kleine ondernemingen (zko) zich in een groepering verenigen om bijvoorbeeld één boekhouder in dienst te nemen), en voorts kunnen of willen niet alle werknemers voltijds werken. Dit wetsvoorstel beoogt in dat kader de werkgeversgroeperingen toe te staan mensen deeltijds in dienst te nemen, op voorwaarde dat de betrokken arbeidsovereenkomsten op zijn minst halftijdse indienstnemingen betreffen.

3.1.3. De noodzaak beperkingen op te leggen

Om eventuele misbruiken te voorkomen en om voor kwalitatief goede banen te zorgen, gaan de voormelde verruiming van de potentiële werknemers en versoepeling van de contractuele voorwaarden gepaard met een aantal beperkingen.

A. Voorrangsregels

Dit wetsvoorstel voorziet in een voorrangsregel voor de werknemers van de werkgeversgroepering die niet over een voltijdse arbeidsovereenkomst beschikken. Het is de bedoeling hun arbeidsduur te verlengen als binnen die groepering mogelijkheden bestaan om mensen in dienst te nemen.

B. Versterking van de sociale dialoog

De ontwikkeling van de werkgeversgroepering zoals die in dit wetsvoorstel is bedoeld, kan vragen doen rijzen of bepaalde moeilijkheden veroorzaken inzake vertegenwoordiging van de werknemers en inzake sociale dialoog : zo zou een onderneming die tot een groepering behoort, kunnen weigeren bepaalde mensen in dienst te nemen, om onder de representativiteitsdrempel te blijven en op die manier de aanwezigheid van vakbonden binnen de onderneming te voorkomen. De werkorganisatie van de werkgeversgroepering zou ook kunnen leiden tot moeilijkheden in verband met de vertegenwoordiging van het personeel, omdat dit over meerdere plaatsen verspreid is. De ambulante aard van de arbeid verdient nochtans bijzondere aandacht. Dit wetsvoorstel bepaalt dus dat de door een werkgeversgroepering in dienst genomen werknemers die in een van de ondernemingen van die groepering prestaties verrichten, worden meegenomen in de berekeningen op grond waarvan wordt bepaald of er binnen de betrokken onderneming al dan niet een vakbondsafvaardiging moet bestaan en hoe die moet samengesteld zijn, en of er een ondernemingsraad en een comité voor preventie en bescherming op het werk moeten bestaan.

C. Loongelijkheid tussen de werknemers van de werkgeversgroepering en de werknemers van de ondernemingen die lid zijn van die groepering

Het is belangrijk te voorzien in regels die ervoor zorgen dat de werknemers van de werkgeversgroepering qua bezoldiging niet worden gediscrimineerd ten aanzien van de werknemers van de ondernemingen die tot de groepering behoren. Dit wetsvoorstel stelt het beginsel « gelijk loon voor gelijke functie » in, enerzijds via de uitwerking van een rapport waarin de bezoldigingsstructuur van de werknemers van de groepering wordt vergeleken met die van de werknemers van de ondernemingen die lid zijn van de groepering, en anderzijds door de invoering van een procedure die de vertegenwoordigers van de werknemers de mogelijkheid biedt zich in geval van discriminaties inzake bezoldiging, tot de minister van Werk te wenden. Die minister heeft dan de mogelijkheid om in te grijpen en, in voorkomend geval, de erkenning van de groepering op te heffen.

D. Erkenningsprocedure voor groeperingen van werkgevers

Voor de werkgeversgroeperingen bestaat thans weliswaar al een erkenningsprocedure. De indieners wensen die procedure echter te versterken naar het voorbeeld van die welke in het kader van de dienstenchequeregeling bestaat, en tegelijkertijd de sociale partners erbij te betrekken.

Die erkenningsprocedure moet een striktere controle en een grotere selectiviteit bij de toegang tot de regeling mogelijk maken, teneinde de misbruiken (bijvoorbeeld met het oog op sociale fraude) van de regeling op te sporen en tegen te gaan. Het is dus belangrijk sommige ondernemingen die zich weinig aan het sociaal recht gelegen laten, de toegang tot die regeling te kunnen ontzeggen.

3.2. Voorzieningen inzake btw en financiële steun, door instanties in te stellen die hen begeleiden en hun bestaan op lange termijn ondersteunen

3.2.1. Beginsel

Een groepering van werkgevers oprichten, veroorzaakt voor de werkgevers enige administratieve complexiteit en bijkomende kosten. Aangezien die formules het werkgelegenheidsbeleid dienen en tot de banencreatie bijdragen, moeten die worden ondersteund met stimuli en bijzondere voorzieningen en door de klemtoon te leggen op maatregelen die het voortbestaan ervan op lange termijn waarborgen.

3.2.2. Voorgestelde maatregelen

Dit wetsvoorstel voorziet dan ook, naast de al bestaande werkgelegenheidsondersteunende voorzieningen, in de volgende extra maatregelen.

A. Verbetering van de toepasselijke btw-regels

Momenteel kunnen de werkgeversgroeperingen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de btw. Een van die voorwaarden is dat de leden hetzelfde soort activiteit moeten uitoefenen. Gelet op de bedoeling van de werkgeversgroeperingen blijkt die voorwaarde in de praktijk echter vaak een grote en niet echt verantwoorde hindernis. Bovendien is die voorwaarde niet vereist in het licht van de EU-wetgeving inzake btw. Dit wetsvoorstel strekt er dus toe die voorwaarde af te schaffen.

B. Forfaitaire steun

Er is voorzien in de toewijzing van een forfaitaire steun ten bedrage van 2 500 euro bij de oprichting van een groepering van werkgevers; die steun moet worden terugbetaald wanneer die groepering twee jaar nadien niet meer bestaat.

C. Ondersteunende instanties

Het wetsvoorstel stelt ook in uitzicht dat in elk Gewest een hulpcentrum voor de werkgeversgroeperingen wordt opgericht, naar het voorbeeld van die welke al bestaan in Brussel en Wallonië. Zonder de steun van dergelijke centra, die ertoe strekken de aanpak te stimuleren en te begeleiden, komen weinig initiatieven op gang en tot stand.

Deze voorziening is nog onbekend bij de ondernemingen, en ten behoeve van die bedrijven moet nog veel werk worden gemaakt van voorlichting en bewustmaking. Zodra deze of gene onderneming te kennen geeft aan de formule nood te hebben en er belangstelling voor te betonen, moeten overigens nog andere partners worden gevonden om de vereiste omvang te bereiken, teneinde een of meer mensen met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur in dienst te nemen.

In dat verband moeten de hulpcentra van de werkgeversgroeperingen uitmaken en analyseren waaraan er precies nood is; voorts moeten zij tussen de potentiële partners een netwerk uitbouwen en bevestigen dat de aanvragen elkaar volmaakt aanvullen. Zodra het partnerschap gevormd is, kan begeleiding van de werkgeversgroeperingen door een hulpcentrum ook voordelig zijn ter regeling van de organisatorische, administratieve en juridische lasten die gepaard gaan met de oprichting van die specifieke ondernemingen.

3.3. Conclusies

De maatregelen waarin dit wetsvoorstel voorziet, zullen de uitbouw van werkgeversgroeperingen kunnen aanmoedigen. Zulks zal de banencreatie ondersteunen, de lokale en regionale arbeidsmarkt dynamischer maken en tegemoet komen aan een reeks nieuwe behoeften van ondernemingen en werknemers.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikelen 2 en 3

Deze bepalingen strekken ertoe de benamingen van de hoofdstukken en afdelingen van de voormelde wet van 12 augustus 2000 te verduidelijken, teneinde de bewoordingen ervan af te stemmen op de in dit wetsvoorstel geformuleerde voorstellen.

Artikelen 4, 5 en 8

Deze artikelen strekken ertoe een erkenningsprocedure uit te werken voor de groeperingen van werkgevers, naar het voorbeeld met die welke al voor de dienstenchequeregeling bestaat, alsmede de sociale partners bij de zaak te betrekken.

Artikel 6

Deze bepaling beoogt de werkgeversgroeperingen toe te staan ongeacht welke potentiële werknemer in dienst te nemen.

Artikel 7

Dit artikel is er enerzijds op gericht de thans bestaande afwijkingen inzake de opzeggingstermijn af te schaffen.

Anderzijds strekt het ertoe :

— de werkgeversgroeperingen toe te staan mensen halftijds in dienst te nemen;

— ten aanzien van de werknemers zonder voltijdse arbeidsovereenkomst maar die meer arbeidstijd wensen, een voorrangsregeling in te stellen indien er mogelijkheden bestaan om hen binnen de onderneming in dienst te nemen.

Artikelen 9, 13 en 15

Deze bepalingen strekken ertoe de sociale dialoog in de ondernemingen meer diepgang te geven. Daarom zal rekening worden gehouden met het aantal werknemers van een groepering van werkgevers dat aan de slag is in een onderneming van die groepering om te bepalen of een vakbondsafvaardiging, een ondernemingsraad en een comité voor preventie en bescherming op het werk vereist zijn, en om de samenstelling vast te stellen.

Artikel 10

Dit artikel beoogt krijtlijnen uit te tekenen om te voorkomen dat de werknemers van de groepering van werkgevers met betrekking tot hun bezoldiging kunnen worden gediscrimineerd ten aanzien van de werknemers van de ondernemingen die tot de groepering behoren.

Artikel 11

Het ligt in de bedoeling het opstarten van een nieuwe groepering van werkgevers te ondersteunen door die een forfaitaire startpremie van 2 500 euro toe te kennen. Dat bedrag moet worden terugbetaald indien de groepering binnen twee jaar wordt ontbonden. Als de groepering na twee jaar nog bestaat, is de steun verworven.

Artikel 12

Deze bepaling strekt ertoe in elk Gewest een hulpcentrum voor de groeperingen van werkgevers op te richten, op basis van de bestaande centra.

Artikel 14

Deze bepaling beoogt de voorwaarde af te schaffen die bepaalt dat de leden van een groepering van werkgevers dezelfde soort van activiteit moeten uitoefenen opdat de groepering van werkgevers voor btw-vrijstelling in aanmerking komt.

Cécile THIBAUT.
Mieke VOGELS.
Jacky MORAEL.
Zakia KHATTABI.
Freya PIRYNS.

WETSVOORSTEL


HOOFDSTUK 1

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2

Wijzigingen van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen

Art. 2

Het opschrift van hoofdstuk XI van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen wordt vervangen als volgt :

« Terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers in het kader van groeperingen van werkgevers, en tot organisatie van een invoeginterim ».

Art. 3

Het opschrift van afdeling I van voormeld hoofdstuk van de voormelde wet wordt vervangen als volgt :

« Terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers in het kader van groeperingen van werkgevers ».

Art. 4

In artikel 186 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1. in het eerste lid, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, worden tussen de woorden « kan de minister bevoegd voor Tewerkstelling en Arbeid aan werkgeversverbanden » en de woorden « de toelating verlenen », de woorden « , via een erkenning, » ingevoegd;

2. het tweede en het derde lid worden vervangen door een § 2, luidend als volgt :

« § 2. Om in aanmerking te komen voor de in paragraaf 1 bedoelde erkenning moeten de ondernemingen die een groepering van werkgevers vormen, meer bepaald voldoen aan de voorwaarden die in de volgende leden worden opgesomd :

1. de ondernemingen zijn geen achterstallige belastingen verschuldigd, noch door een met de inning van de sociale-zekerheidsbijdragen belaste instelling te vorderen achterstallige bijdragen, noch door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening gevorderde achterstallen; de bedragen waarvoor een aflossingsplan werd opgesteld dat in acht wordt genomen, worden niet als achterstallen beschouwd;

2. het ondernemingshoofd moet een document ondertekenen waarbij hij verklaart :

a. niet in staat van faillissement te verkeren;

b. onder zijn bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen die bevoegd zijn om de onderneming te binden, geen personen te hebben voor wie de uitoefening van die functies verboden is krachtens koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;

c. onder zijn bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen die bevoegd zijn om de onderneming te binden, geen personen te hebben die gedurende de voorbije 5 jaar aansprakelijk zijn gesteld voor de verbintenissen of schulden van een failliete onderneming, met toepassing van de artikelen 213, 229, 231, 265, 314, 315, 456, 4º, of 530 van het Wetboek van Vennootschappen, of voor wie de rechtbank op grond van artikel 80 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 geen verschoonbaarheid heeft uitgesproken;

d. onder zijn bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen die bevoegd zijn om de onderneming te binden, geen personen te hebben die gedurende de voorbije 3 jaar betrokken waren bij een faillissement, vereffening of gelijksoortige gebeurtenis.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijkomende voorwaarden vaststellen waaraan de onderneming moet voldoen om te worden erkend.

De in paragraaf 1 bedoelde erkenning en de intrekking ervan worden uitgevoerd door de minister die bevoegd is voor Werk, na advies van een adviescommissie erkenningen, waarin de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers gelijk zijn vertegenwoordigd. De Koning bepaalt de te volgen erkenningsprocedure, alsook de samenstelling en de nadere werkingsregels van de adviescommissie erkenningen.

De minister kan de erkenning ook intrekken, indien de werkgeversgroepering de haar bij wet, reglement en overeenkomst ten taste vallende verplichtingen niet nakomt. »

Art. 5

In artikel 187, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden « om te kunnen genieten van een toelating zoals bedoeld in artikel 186 » vervangen door de woorden « om een erkenning zoals bedoeld in artikel 186 te kunnen genieten ».

Art. 6

Artikel 188 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Art. 7

In artikel 189 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1. het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« Zij moet worden gesloten voor onbepaalde tijd en ten minste voor halftijdse arbeidsprestaties. De deeltijdse werknemers die in de werkgeversgroepering worden ingezet en die een voltijdse betrekking wensen uit te oefenen, hebben bij de toewijzing voorrang, indien een dergelijke tot hun beroepscategorie behorende betrekking of een gelijkwaardige betrekking vrijkomt of wordt gecreëerd. De werkgeversgroepering brengt de lijst van de overeenstemmende beschikbare betrekkingen ter kennis van haar werknemers. »;

2. het vierde lid wordt opgeheven.

Art. 8

In artikel 192, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden « goedkeuring » en « toelating » vervangen door het woord « erkenning ».

Art. 9

In dezelfde wet wordt een artikel 193/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 193/1. Teneinde het bestaan en de samenstelling van de vakbondsafvaardiging in een onderneming die behoort tot een werkgeversgroepering te bepalen, wordt rekening gehouden met de door de werkgeversgroepering in dienst genomen werknemers die in de onderneming prestaties verrichten. »

Art. 10

In dezelfde wet wordt een artikel 193/2 ingevoegd, luidende :

« Art. 193/2. De zaakvoerder van de werkgeversgroepering vergelijkt om de twee jaar in een rapport de bezoldigingsstructuur van de werknemers van de groepering met de bezoldigingsstructuur van de werknemers die werkzaam zijn bij de leden van de groepering, om te bepalen of de groepering haar werknemers bezoldigingen biedt die ten minste gelijk zijn aan die welke voor gelijkwaardige functies door de leden van de groepering worden geboden.

De zaakvoerder van de werkgeversgroepering zendt om de twee jaar dat rapport naar de algemene vergadering van de leden van de groepering, alsook naar de vakbondsafvaardigingen en de ondernemingsraad van de leden van de groepering, indien dergelijke organen bestaan.

Op basis van dat rapport kunnen de vertegenwoordigers van de werknemers van de werkgeversgroepering of de vertegenwoordigers van de werknemers van de leden van de werkgeversgroepering zich tot de minister van Werk wenden, als het in het eerste lid beschreven principe niet wordt nageleefd. In dat geval kan de minister van Werk, nadat hij het advies heeft ingewonnen van de bij artikel 186 bedoelde adviescommissie erkenningen, de erkenning van de werkgeversgroepering intrekken.

De maatregelen tot uitvoering van dit artikel worden genomen door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. »

Art. 11

In dezelfde wet wordt een artikel 193/3 ingevoegd, luidende :

« Art. 193/3. Elke nieuwe werkgeversgroepering heeft bij de start recht op een premie van 2 500 euro. Die premie moet ingeval de werkgeversgroepering binnen twee jaar wordt ontbonden, worden terugbetaald volgens door de Koning bepaalde nadere voorwaarden. »

Art. 12

In dezelfde wet wordt een artikel 193/4 ingevoegd, luidende :

« Art. 193/4. In elk gewest wordt een hulpcentrum voor werkgeversgroeperingen opgericht en erkend. Die centra hebben met name de opdracht :

— de ondernemingen over het bestaan van de werkgeversgroeperingen te informeren en te sensibiliseren;

— ondersteuning te bieden bij de oprichting en de begeleiding van werkgeversgroeperingen die daar om verzoeken;

— tegen vergoeding mee te werken aan het dagelijks beheer van de werkgeversgroeperingen die daar om verzoeken.

De uitbreiding en de toekenning van nieuwe taken voor de hulpcentra voor werkgeversgroeperingen die bestaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, worden geregeld bij door de Koning bepaalde maatregelen, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. »

HOOFDSTUK 3

Wijziging van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven

Art. 13

Artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven wordt aangevuld met een § 7, luidende :

« § 7. Indien de onderneming deel uitmaakt van een werkgeversgroepering zoals bedoeld in artikel 187 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en diverse bepalingen, wordt voor de berekening van het aantal werknemers dat de onderneming gewoonlijk gemiddeld tewerkstelt, zoals bedoeld in paragrafen 1 en 2, rekening gehouden met de werknemers van de werkgeversgroepering die prestaties verrichten in de betreffende onderneming. »

HOOFDSTUK 4

Wijziging van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten

Art. 14

Artikel 2, 2º, van het koninklijk besluit nr. 43 van 5 juli 1991 met betrekking tot de vrijstelling op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de door zelfstandige groeperingen van personen aan hun leden verleende diensten, wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 5

Wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk

Art. 15

In de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk wordt een artikel 51/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 51/1. Indien de onderneming deel uitmaakt van een werkgeversgroepering zoals bedoeld in artikel 187 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en diverse bepalingen, wordt voor de berekening van het aantal werknemers dat de onderneming gewoonlijk gemiddeld tewerkstelt, zoals bedoeld in artikelen 49, 50 en 51, rekening gehouden met de werknemers van de werkgeversgroepering die prestaties verrichten in de bedoelde onderneming. »

4 mei 2012.

Cécile THIBAUT.
Mieke VOGELS.
Jacky MORAEL.
Zakia KHATTABI.
Freya PIRYNS.