5-1629/1

5-1629/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

23 MEI 2012


Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering met het oog op de schijn van partijdigheid ter terechtzitting

(Ingediend door mevrouw Martine Taelman en de heer Bart Tommelein)


TOELICHTING


In aanbeveling 2.4 (stuk Kamer, nr. 52-1711/007, 72) stelt de Fortis-commissie het volgende :

« Bij het uitoefenen van de rechtsprekende functie moet worden voorkomen dat enige schijn van partijdigheid wordt gewekt. Het advies dat de Hoge Raad voor de Justitie in 2003 heeft uitgebracht over « de plaats van het openbaar ministerie ter terechtzitting in strafzaken », moet uit dat oogpunt in de commissie voor de Justitie onderzocht worden. »

De plaats van het openbaar ministerie in strafzaken is inderdaad problematisch. Zij bevindt zich in strafzaken rechts van de zetelende magistraat, waar de griffier links van de zetelend magistraat plaats neemt. Over de plaats van de griffier kan in deze geen discussie zijn, hij vormt het verlengde van de rechter. Hij is als het ware de secretaris van de rechter(s), en vormt zo dus een geheel met de rechter(s) die moet(en) oordelen.

De plaats van het openbaar ministerie is voor een buitenstaander verwarrend. Daar waar de partijen in strafzaken, hun pleidooien voor de balie houden, pleit het openbaar ministerie van op een plaats naast de rechter(s). Die wekt op zijn minst de illusie als zou het openbaar ministerie geen partij zijn in de strafzaak, en dat ze deel uitmaakt van de rechterlijke macht. Dit is geenszins het geval. Het openbaar ministerie oordeelt niet in strafzaken, het is een partij als een ander.

Het is bovendien niet enkel de zitplaats van het openbaar ministerie die de schijn van partijdigheid ophoudt, als zou zij als partij een gepriviligeerde verhouding hebben met de zetelende rechter. Dezelfde schijn van partijdigheid is er wanneer de rechter(s) en griffier, samen met het openbaar ministerie, uit de achterste raadkamer de zaal binnenkomen, allen tezamen. Na afloop van de zitting gaan ze opnieuw samen, door de achterdeur de zaal buiten, en hangen ze samen hun toga's aan dezelfde kapstok. De advocaten van de andere partijen moeten steeds, wat normaal is, de zaal verlaten via de hoofdingang. Het openbaar ministerie schijnt zo een privilege-positie te bekleden, als partij in strafzaken.

Indieners van dit voorstel willen benadrukken dat het gaat om een schijn van partijdigheid en dat ze niet op de minste wijze de onpartijdigheid van het openbaar ministerie in vraag willen stellen. Zij zijn er zich ten zeerste van bewust dat, in tegenstelling tot wat sommigen dan wel mogen denken, de magistraten van het parket moeten voldoen aan zeer hoge eisen inzake onpartijdigheid. Niet alleen voor het instellen van de vervolging, maar evenzeer voor de mondelinge vorderingen. Het openbaar ministerie mag niet de minste inschikkelijkheid ten overstaan van de rechter tonen en heeft de plicht de rechter bij te staan, dat wil zeggen onpartijdig voor te lichten over de oplossing die het proces in de ogen van de wet moet krijgen. Advocaten daarentegen zijn niet onderworpen aan deze plicht tot onpartijdigheid.

Het openbaar ministerie mag dan wel een partij zijn van een andere orde dan de andere partijen in een strafzaak, het is en blijft een partij. Vandaar dat er voorzichtigheid aan de dag gelegd moet worden om te vermijden dat er een schijn van partijdigheid optreedt. Deze visie wordt trouwens gedeeld door de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) :

« Het openbaar ministerie bekleedt dan ook een bijzondere positie in het strafproces, zodat het uitgesloten is dat zijn vertegenwoordiger « bij de bank van de burgerlijke partij » zou plaatsnemen, op hetzelfde niveau als de beklaagde, of de zittingzaal zou betreden « via de toegangsdeur van de advocaten en het publiek ». Wanneer de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie de zittingzaal zou verlaten via dezelfde deur als de advocaten en het publiek, is daaraan een zeker risico op het vlak van veiligheid verbonden : de magistraat kan immers het doelwit zijn van een vijandige reactie van iemand uit de omgeving van de partijen ofwel de beklaagde tegen wie die magistraat de veroordeling heeft gevorderd ofwel de burgerlijke partij, wanneer het openbaar ministerie de vrijspraak heeft gevorderd. Natuurlijk is het denkbaar dat voor de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie wordt voorzien in een andere toegangsdeur tot de zittingzaal dan de advocaten en het publiek, en ook in een andere, speciale plaats in de zittingzaal, niet de plaats waar hij momenteel zit en evenmin bij de andere partijen. Maar daartegenover staat de vraag of er voor de hand liggende redenen zijn om alle zittingzalen in die zin aan te passen, nu het ministerie van Justitie slechts over beperkte financiële middelen beschikt om een goede werking van de gerechtelijke instellingen te waarborgen. De HRJ ziet die materiële aanpassingen niet als een prioritaire kost. » (HRJ, Advies over de plaats van het openbaar ministerie ter terechtzitting in strafzaken, 2003, 6).

De indieners delen dezelfde bekommernis als de aanbeveling van de Fortis-commissie en als de bekommernissen die ook de Hoge Raad meegaf, namelijk dat men van het openbaar ministerie niet kan verwachten dat het zich onder de andere partijen in de zaal begeeft. Daarom dat dit wetsvoorstel wil voorzien in een duidelijke scheiding tussen de plaats van de rechter en de plaats van het openbaar ministerie, waarbij de scheiding minstens een afstand van open ruimte is. Anderzijds dient het openbaar ministerie de zaal vroeger te betreden dan de zetelende rechter en ook na zitting de zaal niet samen met de zetelende rechter te verlaten via de achterste raadkamer.

Tot slot dient opgemerkt te worden dat niet enkel in strafzaken het openbaar ministerie een plaats zou moeten innemen die visueel gescheiden is van de plaats van de rechter. Het principe geldt immers algemeen, waarbij ook de plaats van het openbaar ministerie in burgerlijke zaken gescheiden moet worden.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit nieuwe artikel moet vermijden dat de schijn van partijdigheid optreedt in politiezaken. Daarom dient het openbaar ministerie plaats te nemen op een plaats die duidelijk gescheiden is van de plaats van de rechter, doordat er een ruimte tussen beide tafels is. Het openbaar ministerie dient er ook zorg voor te dragen dat het niet gelijktijdig met de rechter de zittingszaal binnentreedt. Er dient hier minstens een korte tijd tussen te zijn, indien het openbaar ministerie zich ook via de raadkamer een toegang verschaft tot de zittingszaal. De sanctie op een schending van de bepalingen van dit artikel kan geenszins de nietigheid van de procedure zijn, daar ermee geenszins partijdigheid is aangetoond. Het betreft een artikel dat de vormelijke terechtzitting regelt. Een schending moet eventueel wel kunnen leiden tot tuchtrechtelijke sancties tegen degene die schendt.

Artikel 3

Dit artikel regelt hetzelfde principe in correctionele zaken.

Artikel 4

Dit artikel regelt hetzelfde principe in assisenzaken.

Artikel 5

Dit artikel regelt hetzelfde principe algemeen in burgerlijke zaken.

Martine TAELMAN.
Bart TOMMELEIN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 153 van het Wetboek van strafvordering, laatst gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, luidende :

« Op de terechtzitting treedt het openbaar ministerie op, gescheiden van de plaats van de rechter, en verschaft het zich niet gelijktijdig toegang tot de zittingszaal als de zetelend rechter. »

Art. 3

In artikel 190 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :

« Op de terechtzitting treedt het openbaar ministerie op, gescheiden van de plaats van de rechter, en verschaft het zich niet gelijktijdig toegang tot de zittingszaal als de zetelend rechter. »

Art. 4

In artikel 280, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden « artikel 190, eerste lid » vervangen door de woorden « artikel 190, eerste lid en tweede lid ».

Art. 5

In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 757/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 757/1. Op de terechtzitting treedt het openbaar ministerie op, gescheiden van de plaats van de rechter, en verschaft het zich niet gelijktijdig toegang tot de zittingszaal als de zetelend rechter. »

Art. 6

Deze wet treedt in werking 1 januari van het jaar na dat waarin ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

29 maart 2012.

Martine TAELMAN.
Bart TOMMELEIN.