5-146COM

5-146COM

Commission de la Justice

Annales

MERCREDI 2 MAI 2012 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Demande d'explications de M. Bert Anciaux à la ministre de la Justice sur «l'avenir et le fonctionnement de l'Exécutif des Musulmans de Belgique» (no 5-2046)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - De Executieve van de moslims van België, EMB, ook moslimexecutieve genoemd, verkeert al een tijdje in een impasse. De vorige minister van Justitie besliste om het mandaat van de moslimexecutieve niet te verlengen. Na heel wat organisatorische en interne problemen werkt de moslimexecutieve nu bij gratie van opeenvolgende koninklijke besluiten. Zij krijgt daarbij zeer beperkte middelen om lopende zaken te financieren.

Ik ondervroeg de vorige minister van Justitie hierover meermaals. Van een nieuwe minister met volle bevoegdheden verwacht ik een snelle en vooral ook een degelijke vooruitgang in dit dossier.

De minister behoeft geen extra argumentatie die het belang van een goed werkende moslimexecutieve onderlijnt. Een steeds grotere groep Belgen verklaart zichzelf moslim; momenteel 6% van de bevolking, met een aanwezigheid van 25% in Brussel en 4% in zowel Vlaanderen als Wallonië. Een goede, open en werkzame relatie tussen onze overheid en de moslimgemeenschap is dus onontbeerlijk. Ik ben ervan overtuigd dat een sterke, werkzame moslimexecutieve een noodzakelijke en slagkrachtige bondgenoot is en kan worden van iedereen die streeft naar een interculturele, open en daardoor ook welvarende samenleving.

In de moslimgemeenschap staan er ook zeer veel mensen constructief klaar om onze samenleving mee op te bouwen, te verrijken en te steunen. Helaas haken er ook veel gemotiveerde mensen af door de aanslepende en groeiende impasse. De executieve kan zelf de dagelijkse werking niet meer garanderen. Ze heeft het afgelopen jaar bij gebrek aan middelen verschillende mensen moeten ontslaan en dreigt door achterstallige huur zelf op straat te komen staan.

Beaamt de minister de hoge nood aan een sterke en gedragen moslimexecutieve? Wat is de stand van zaken? Welke voorstellen liggen er op tafel en welke acht zij haalbaar? Hoe staat de minister tegenover het voorstel om de moslimexecutieve op te splitsen in een Nederlandstalige en Franstalige executieve met aan het hoofd één nationale voorzitter? Is het immers niet zo dat de moslimexecutieve vooral actief is in regionale dossiers, zoals het erkennen van lokale gemeenschappen, onderwijs, welzijn en uitzendingen door derden?

Kortom, op welke wijze zal de minister ervoor zorgen dat zich op korte termijn weer een slagkrachtige, eensgezinde en performante moslimexecutieve vestigt? Hoe zal zij dit proces aanpakken, begeleiden en stimuleren? Welke strategie hanteert zij daarbij, met welke motivering? Kan de minister een prognose geven wanneer een vernieuwde en succesvolle moslimexecutieve werkzaam zal zijn?

Is de minister ervan op de hoogte dat de dagelijkse werking van de moslimexecutieve lam ligt door een gebrek aan middelen? Vindt zij het normaal dat de moslimexecutieve, als gesprekspartner van de overheid en als vertegenwoordiger van de moslimgemeenschap in België, de dagelijkse werking niet meer kan voorzetten omdat de overheid talmt met de uitbetaling van middelen? Welke regeling bestaat er tegenwoordig over de financiering en acht de minister dit voldoende om de dagelijkse werking te financieren? Hoe verklaart ze de penibele financiële situatie van de moslimexecutieve? Hoe zal de minister de continuïteit gedurende de overgangsfase verzekeren?

Volgens mij is het wel mogelijk een voorstel uit te werken. Indien nodig bied ik mijn diensten aan, want ik heb de contouren uitgewerkt. De grote meerderheid van de moslimgemeenschap zal zich er zeker achter kunnen scharen. Weinig godsdiensten kunnen zo democratisch georganiseerd worden als de moslimexecutieve. Andere godsdiensten, zoals het katholicisme, zijn immers niet bepaald democratisch georganiseerd. Dit project is bijzonder belangrijk om een structurele Belgische basis en een gesprekspartner voor de moslims te creëren.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Mijn taak als minister verantwoordelijk voor erediensten is omschreven in de Grondwet. Artikel 181 bepaalt onder meer dat de wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten ten laste van de Staat komen. Tegelijk zegt artikel 21 onder meer dat de Staat het recht niet heeft zich te bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken.

Ik wijs ook op twee andere artikelen in de Grondwet. Het eerste is uiteraard artikel 11, dat de non-discriminatie vastlegt, inzonderheid inzake de rechten en vrijheden van ideologische en filosofische minderheden, en artikel 19, dat de vrijheid van eredienst vastlegt, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd. Misdrijven, zijnde dus alle gedragingen die strijdig zijn met de strafwet, van verkeersovertredingen tot moord met voorbedachten rade.

Mijn taak als minister is dus grondwettelijk bepaald. Ik moet de erediensten, zonder enige discriminatie, hun vrijheid laten, voor zover ze de wet naleven, en hun bedienaars financieren.

Het is in beginsel dus niet aan de minister, de regering of de overheid om een eredienst te organiseren. Wij kunnen die op een bepaald ogenblik erkennen. Dat gebeurt op basis van administratieve criteria en de niet-discriminatie tussen godsdiensten, zoals in 1974 met de islam, die vandaag de tweede grootste eredienst in ons land is. Maar strikt genomen is mijn maneuvreerruimte om in te grijpen in het functioneren beperkt bij alle erediensten en dat hoort ook zo.

Wel wil ik daarbij toch herinneren aan wat het Grondwettelijk Hof in een arrest in deze kwestie heeft bepaald in 2004: `De wetgever kan in redelijkheid eisen dat erkende erediensten een minimum aan structuur vertonen met het oog op de aanwijzing van een instantie die de gesprekspartner kan vormen voor de overheden in de geprivilegieerde betrekkingen die de erkende erediensten met de overheden onderhouden.'

Sedert mijn aantreden ben ik met dit dossier bezig. Ik moet daarbij rekening houden met twee factoren. Ten eerste, zowel het internationale als het nationale publiekrecht nopen de overheid tot de grootste terughoudendheid inzake inmenging in de interne organisatie van een eredienst, ook in onze specifieke Belgische situatie waarbij de overheid de erediensten rechtstreeks financiert. Het is dus aan de eredienst zelf om een stabiele structuur te creëren. Ten tweede, zowel de samenstelling als de vernieuwingsplannen van de huidige moslimexecutieve vormen het voorwerp van betwisting. Wat het laatste betreft, werd mijn voorganger reeds geconfronteerd met een meerderheids- en een minderheidsstandpunt.

Op een algemene vergadering van de moslims van België werden op 13 januari van dit jaar drie aanhangers van het minderheidsstandpunt bij stemming uit de executieve verwijderd, onder wie een vicevoorzitster. Deze laatsten hebben enkele weken later middels een strafklacht de rechtsgeldigheid van die vergadering en van die beslissingen aangevochten, inbegrepen het vernieuwingsvoorstel van de meerderheid dat op die bijeenkomst bij stemming werd aanvaard. Het gegeven van een strafrechtelijk onderzoek met inmiddels ook de aanstelling van een onderzoeksrechter, noopt de minister van Justitie, als overheid die de bedienaars van de erediensten erkent en financiert, tot het vermijden van elke indruk van inmenging of partijdigheid in dat onderzoek. Ik heb aan de voorzitter van de executieve, die voor en na de omstreden vergadering van 13 januari dezelfde is gebleven, de heer Uğurlu, gevraagd in deze context een voorstel tot overgangsstructuur te formuleren waarmee we het dagelijks beheer van de executieve kunnen waarborgen tot er meer duidelijkheid is in het gerechtelijk onderzoek.

In de toepassing van artikel 181 van de Grondwet gelden overigens de principes inzake de continuïteit van de dienstverlening ook voor de moslimexecutieve. Ook al werd hun mandaat niet verlengd, dan nog dienen de leden van de executieve in te staan voor het beheer van de dossiers over de contacten met de overheden, over de imams, de islamleerkrachten, de islamconsulenten in de strafrichtingen, de erkende lokale gemeenschappen.

Het lopend gerechtelijk onderzoek moet dus gerespecteerd worden, maar ook de continuïteit moet worden gewaarborgd, zonder dat de overheid kan intreden in de rechtstreekse organisatie van om het even welke eredienst.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - De minister verwijst terecht naar een aantal wettelijke bepalingen. Omzichtig optreden is uiteraard vereist. Het is evenwel geen zwart-witverhaal. Van de overheid kan worden verwachten dat aan een minimum aantal voorwaarden wordt voldaan om de financiering van de godsdienst te verkrijgen.

De strafklacht zorgt ervoor dat de men nog terughoudender moet zijn; ik heb daar alle begrip voor.

Ik wil wel nog even ingaan op de continuïteit.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Ik heb de voorzitter, die na de vergadering van 13 januari aangebleven is, gevraagd een voorstel te formuleren om de continuïteit te waarborgen.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - De executieve krijgt nu een minimum aan financiering om de lopende zaken af te handelen. Voor zover ik het begrepen heb bevat het nieuw koninklijk besluit geen of nagenoeg geen financiering meer.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Er is nog altijd financiering, maar op continuïteitsbasis.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Indien er een voorstel komt van de voorzitter of van een grote groep binnen de moslimgemeenschap, is de minister dan bereid om dit als overgangsmaatregel te aanvaarden?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - De marges zijn niet zo groot, vanwege het lopende gerechtelijke onderzoek. Ik kan moeilijk op de vraag bevestigend of ontkennend antwoorden, omdat het zal afhangen van de inhoud van het voorstel.

Bij het gerechtelijk onderzoek worden ook de vernieuwingsvoorstellen gecontesteerd. De overheid kan zich niet uitspreken over alles wat daarop betrekking heeft.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Het gerechtelijk onderzoek gaat over feiten uit het verleden. De overheid zou voor de toekomst een initiatief kunnen nemen dat helemaal afwijkt van wat tot nu toe gebeurt.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Justitie. - Dat hangt af van de inhoud en van het feit of het initiatief niet in strijd is met het gerechtelijk onderzoek.