5-45

5-45

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 26 JANUARI 2012 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Mieke Vogels aan de minister van Werk over «de jobs van korte duur voor jonge en langdurig werklozen» (nr. 5-395)

Mevrouw Mieke Vogels (Groen!). - Deze week kondigde de minister aan dat ze jonge en langdurig werklozen wil `integreren' door hen te verplichten jobs van korte duur aan te nemen.

De minister verwijst hierbij naar haar ervaringen als voorzitter van het OCMW van Antwerpen, maar methodes om leefloners te activeren die in het kader van een OCMW worden toegepast, kunnen volgens mij niet zonder meer worden geprojecteerd op de Belgische arbeidsmarkt. Leefloners worden tewerkgesteld door het OCMW, in diensten van het OCMW of in diensten die minstens door het OCMW gecontroleerd worden. Als men die jobs van korte duur op de reguliere arbeidsmarkt wil laten vervullen, dan rijzen er toch heel wat vragen. Wat is de relatie tussen die jobs en uitzendarbeid? Ik las ook dat de minister van oordeel is dat de werkgever die contracten snel moeten kunnen verbreken indien de pas aangeworven werknemer niet aan zijn verwachtingen beantwoordt. Welke rechten hebben de werknemers met dergelijke kortlopende contracten dan nog?

Het duurde niet lang of de vakbonden reageerden ongerust. Ze hekelen de nog grotere flexibiliteit voor de werkgevers en vragen zich af of het opportuun is om nog maar eens een nepstatuut te creëren. Deze regering gaat ervan uit dat iedereen moet werken en dat wie wil werken, ook werk vindt! In een interview met Het Laatste Nieuws zei de minister: `Wil je weten of iemand wil werken? Simpel, biedt hem werk en je weet het direct.'

Daar wringt nu net het schoentje. Werklozen krijgen vandaag geen baan meer aangeboden. Ze worden opgeleid om te solliciteren en als ze die opleiding hebben gekregen, stuurt men hen de arbeidsmarkt op met de bedoeling een job te zoeken. Als ze dan nog geen werk vinden, dan is dat hun eigen schuld, want `kijk eens hoeveel vacatures er openstaan'. Nochtans is de voorbije weken duidelijk gebleken dat er een enorme mismatch bestaat tussen de werkzoekenden en de banen die zogezegd worden aangeboden.

Zoals ik al zei tijdens de bespreking van de regeringsverklaring, wordt het tijd dat de werkloosheid opnieuw wordt aangepakt in plaats van de werklozen. De minister blijft echter de verantwoordelijkheid bij het individu leggen.

Wat is de reactie van de minister op de vragen van de vakbonden bij haar voorstel? Hoe zal ze haar ideetje verder uitwerken? Is het de taak van de federale minister om dergelijke nieuwe nepstatuten uit te werken, nu de bevoegdheid over tewerkstelling in 2014 haast volledig naar de gewesten zal worden overgeheveld?

Mevrouw Monica De Coninck, minister van Werk. - Gelet op onze gezamenlijke ervaring in het OCMW van Antwerpen zal mevrouw Vogels niet betwisten dat werklozen meer verdienen dan enkel een uitkering. Het is mensonterend en asociaal om mensen geen kans te geven op een baan. Een job zorgt immers voor integratie in de samenleving en een eigen identiteit. Mensen alleen centen geven en hun een onderdak bieden, kan niet de bedoeling zijn. Op het vlak van de doelstellingen is mevrouw Vogels het waarschijnlijk met mij eens.

De artikelen in Vlaamse kranten waren gebaseerd op een interview in La Libre Belgique. Met dat interview wou ik inzicht geven in de uitdagingen waar we voor staan.

Mevrouw Vogels denkt blijkbaar dat de gewesten nog niets doen voor de werklozen. Ik zie dat werkzoekenden vaak zeer goed begeleid worden naar een spoedige en duurzame integratie in de arbeidsmarkt. De verschillenden bevoegde instanties voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding - VDAB, FOREM, ACTIRIS en Arbeitsamt - doen ongelooflijke inspanningen. Het juiste evenwicht tussen de eigen inspanningen van de werkzoekenden en de hulp van die bevoegde diensten hangt in grote mate af van de graad van zelfstandigheid van de werkzoekenden. De stelling dat werklozen geen banen meer aangeboden krijgen door de gewestelijke diensten is een aanfluiting van de enorme inspanningen van die gewestinstellingen. Ze gebruiken moderne, aan de jongeren aangepaste methodes om de vacatures te melden, bijvoorbeeld per sms of mail.

De methodes om werklozen aan het werk te helpen, zijn in se niet echt verschillend van die om leefloners aan het werk te helpen. Naast begeleiding en opleiding is er nog de mogelijkheid om werkervaring op te doen, liefst op de reguliere arbeidsmarkt, maar als dat niet lukt via een gesubsidieerde baan. Voor sommigen is een eerste zetje belangrijk, bij anderen moeten we vaak opnieuw beginnen en meerdere kansen creëren, vooral bij mensen die verder van de reguliere arbeidsmarkt staan, die langdurige financiële steun nodig hebben en waarvoor we geschikte werkgevers moeten zoeken, al dan niet in de sociale economie, zoals de beschermde werkplaatsen enzovoort.

Toch moet ik vaststellen dat de situatie in de verschillende gewesten sterk van elkaar verschilt. Een rode draad doorheen die verschillende situaties is de werkloosheid in de steden, die vooral de laaggeschoolde jongeren treft, vooral de jongens met een allochtone achtergrond. Voorts is het zo - en Vlaams minister Muyters heeft dat deze week bekendgemaakt - dat bij gebrek aan voldoende jongeren buiten de steden, het activeringsbeleid in landelijke gebieden op de 55-plussers en zelfs op de 58-plussers zal worden gericht. Gelet op de ontwikkeling op de arbeidsmarkt vreest men voor een tekort aan werkkrachten voor de productie als er niet structureel wordt geïnvesteerd.

Uit een gesprek met de bevoegde Brusselse minister leer ik dat ook het hoofdstedelijk gewest enorme inspanningen doet. Met slechts één begeleider per 250 werkzoekenden is dat echter haast onbegonnen werk. Aan de hand van samenwerkingsakkoorden moeten we een en ander dus dringend bijsturen. In februari heb ik nog een afspraak met mijn Duitstalige en Franstalige collega. Eigenlijk is het de bedoeling op federaal niveau een algemeen systeem uit te werken waarmee de gewesten hun eigen uitdagingen en prioriteiten op maat kunnen aanpakken.

Uit de twee gesprekken die ik al heb gehad, leer ik dat de gewesten niet wensen dat het volledige activerings- en tewerkstellingsbeleid zou worden stilgelegd tot alle bevoegdheden volledig zijn overgedragen. We willen dus actie blijven voeren en praktische resultaten boeken en daarbij met de gewesten samenwerken, maar tegelijkertijd de afspraken over de staatshervorming in andere werkgroepen uitvoeren.

Ik ben beslist niet voornemens een nieuw nepstatuut in te voeren. Er zijn al veel statuten en misschien moeten we hun impact tegenover elkaar afwegen en het geheel vervolgens eenvoudiger en flexibeler maken.

Wellicht is het door mijn nog verbeterbaar Frans dat journalisten me niet altijd goed begrijpen.

Bepaalde jongeren beschikken over veel competenties, werken zeer intens mee in hun activeringstraject, maar krijgen uiteindelijk geen kans op de arbeidsmarkt. Een sollicitatie is nu eenmaal slechts een momentopname. Niet iedereen kan zich even goed presenteren en sommige werkzoekenden zijn ook minder taalvaardig, wat hun kansen beperkt. Samen met de gewesten, de werkgevers en de vakbonden wil ik nadenken over een systeem om de jongeren die al veel inspanningen hebben gedaan een kans te geven om zes maanden in een bedrijf te werken en daar te tonen wat hij of zij echt kan en/of wil bijleren. Mijn ervaring leert mij dat dit zeer goed verloopt. Misschien word ik weer op mijn woorden gepakt, maar volgens mij zou je die periode kunnen aanzien als een lange concrete sollicitatieperiode.

Heel veel werkgevers willen eigenlijk wel mensen aanwerven, maar dikwijls - ik heb het dan over KMO's want er zijn er nogal wat in dit land - zijn ze bang voor de risico's omdat ze vooraf nooit weten welk vlees ze echt in de kuip zullen krijgen.

We proberen die mensen een vrij flexibel systeem van een soort lange sollicitatieperiode aan te bieden, waar we in de begeleiding het gevoel hebben gehad dat ze de trajecten wel zeer goed hebben gevolgd, echte inspanningen hebben geleverd, maar desondanks nog niet aan bod zijn gekomen.

Mevrouw Mieke Vogels (Groen!). - Ik ben het met de minister eens dat een job in de samenleving integrerend werkt, op voorwaarde dat de kwaliteit van die job minimaal gegarandeerd wordt.

Wat niet integreert, iemand totaal onzeker maakt en zijn zelfbeeld onderuit haalt, is de permanente boodschap dat als een werkloze werk wil vinden, hij het ook zal vinden. We krijgen nu de boodschap dat men nu 55- en 58-plussers gaat activeren, terwijl ik heel veel leeftijdsgenoten ken die werkloos zijn, die willen werken en die eigenlijk totaal gedesillusioneerd raken omdat ze nergens meer worden aangenomen wegens te duur. Er is een enorm communicatieprobleem dat die mensen onzeker maakt.

Ik heb het interview van de minister in Het Laatste Nieuws gelezen en ik begrijp niet waarom zij en andere mensen van haar partij het tegenwoordig steeds weer nodig vinden om de vakbonden te schofferen en naar complimentjes te hengelen van mensen als Pieter Timmermans, die onmiddellijk gelukkig waren met dit voorstel, terwijl de vakbonden erop wijzen dat er nog maar eens een nepstatuut bijkomt.

Het verheugt me dat de minister hier duidelijk verklaard heeft dat het niet de bedoeling is een nieuw nepstatuut in het leven te roepen, dat men de bestaande statuten voor een stuk wil integreren en dat ze hierover met de sociale partners zal overleggen. Ze hoeft ze echter niet te schofferen.