5-1390/1

5-1390/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

8 DECEMBER 2011


Wetsvoorstel tot invoering van een koppeling werk-leefmilieu in het sociaal overleg

(Ingediend door de heer Jacky Morael c.s.)


TOELICHTING


1. Algemeen raamwerk

Sinds een aantal rapporten en initiatieven (het rapport-Brundtland, de Top van Rio, de OESO-strategie inzake Groene Groei, de rapporten van de IPCC en binnen de Europa-2020-Strategie genomen initiatief PHARE, dat tot doel heeft een doeltreffend grondstoffengebruik in Europa te bewerkstelligen) zijn de volgende aandachtsvelden almaar in belang toegenomen :

— een duurzamere ontwikkeling;

— een milieuvriendelijkere economische ontwikkeling;

— het leggen van linken tussen de milieubekommeringen en het scheppen van banen.

Daardoor is de overgang naar een ecologische economie vandaag niet langer enkel een noodzaak, maar ook een uitgelezen kans om een antwoord te bieden op de economische crisis.

2. Het grondstoffenvraagstuk

Enkele significante feiten : de ecologische voetafdruk van de 27 EU-landen is twee maal zo groot als de regeneratiecapaciteit van de Aarde als gevolg van die voetafdruk. Gemiddeld gebruikt elke Europeaan jaarlijks 16 ton grondstoffen. Daardoor gebruikte de EU in 2005 niet minder dan 8,2 miljard ton grondstoffen; metalen en mineralen waren goed voor ruim de helft daarvan.

Ruim 20 % van de in Europa gebruikte grondstoffen worden ingevoerd. Bovendien is de productiviteit van die grondstoffen de jongste veertig jaar veel minder snel gestegen dan de productiviteit van de arbeid (1) .

De Earth Overshoot Day, die overeenstemt met de dag van het jaar waarop de Mensheid theoretisch begint te putten uit de natuurlijke reserves van de Aarde, zonder dat onze planeet die voorraden nog kan aanvullen, valt almaar vroeger : 7 december in 1990, 20 oktober in 2005 en 21 augustus in 2010. Daaruit blijkt dat de toestand verergert.

De natuurlijke bronnen die worden benut als grondstoffen in de voedselketen zijn echter niet onuitputbaar en/of de regeneratie ervan is niet gegarandeerd en kan zeer veel kosten. De natuurlijke hulpbronnen zijn namelijk slechts beperkt beschikbaar, met als bekendste voorbeeld de aardolie. Ook andere hulpbronnen stevenen af op hun piek of hebben die piek al overschreden en beginnen uitgeput te geraken, zoals blijkt uit hierna volgende tabel (2) .

Het voorbeeld van de zeldzame aardmetalen (3) (tot op vandaag nochtans onontbeerlijk voor het toenemende aantal militaire technologieën en voor de productie van courante consumptiegoederen zoals platte beeldschermen of windturbines) toont duidelijk aan hoe heikel het bevoorradingsvraagstuk wel is.

China alleen al is goed voor 97 % van de wereldbevoorrading op het stuk van de zeldzame aardmetalen. Naast het feit dat de vraag naar terbium en dysprosium tegen 2014 ruimschoots het aanbod zou overstijgen, heeft China in 2009 beslist zijn uitvoerquota drastisch te verminderen en zelfs een verbod in te stellen op de uitvoer van bepaalde van die aardmetalen.

Reserve to production ratio used for « negative growth rate » nonrenewable natural ressources : thallium, mercury and boron.

Bron : US Geological Survey, US Energy Information Agency; geciteerd in Chris Clugston, « Continously less and less : the new American reality », 2009.

In die context hoeft het niet te verwonderen dat de levering van die grondstoffen de ondernemingen fors op kosten jaagt. Die kosten wegen zwaar op hun concurrentiekracht. Aangezien de Belgische ondernemingen geen enkele invloed kunnen uitoefenen op de prijs van de meeste op de wereldmarkt beschikbare grondstoffen en aangezien de noodzaak van een efficiënter grondstoffengebruik of van een strategie in die zin niet écht leeft, zal de prijs van de grondstoffen sterk blijven stijgen.

Bijgevolg zullen de schattingsposten binnen de Belgische ondernemingen betrekking blijven hebben op de banen en de lonen, aangezien de grondstoffenprijzen zullen blijven doorwerken op de totale productiekosten, op de prijzen en op de inflatie — dus op de indexering.

3. Een toenemend gewicht van de grondstoffen in de structuur van de productiekosten

In de totale productiekosten van de Belgische ondernemingen nemen de grondstoffen (zeker die welke worden ingevoerd — energie of andere) een almaar grotere plaats in. In sommige sectoren (bijvoorbeeld de in de verwerkende industrie) weegt de intermediaire invoer, als factor van de productiekosten, dubbel zo zwaar door als de lonen. Volgens de gegevens van de Nationale Bank van België (NBB), die bepaalde prijsindicatoren voor grondstoffen berekent, zijn de prijzen van de industriële grondstoffen en de energiegrondstoffen tussen 2000 en 2010 respectievelijk 2,5 en 2,9 maal hoger geworden; daar staat tegenover dat de loonkosten slechts met 32 % zijn gestegen.

Bovendien blijkt uit een studie van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (4) , in samenwerking met de NBB, dat het aandeel van de intermediaire invoer in de gecumuleerde productiekosten snel is toegenomen, ondanks het feit dat onze economie almaar meer een tertiaire economie wordt (de industriesector vertegenwoordigde in 1970 30 % van het bbp, tegenover nog slechts 18 % in 2005). Aldus steeg het aandeel van de intermediaire invoer van 28 % in 1970 tot 30 % in 1980 en 33 % in 2000.

TOT = totaal; IND = industrie; ENER = energie; SM = marktdiensten; SNM : niet-marktdiensten; CONST : bouw; AGRIC : landbouw

Die evolutie vormt voor België een wel zeer grote handicap in vergelijking met een groep van referentielanden (de drie landen waaraan onze loonhandicap wordt getoetst : Duitsland, Frankrijk en Nederland), alsook in vergelijking met een groep van vier landen van een vergelijkbare grootte : Oostenrijk, Denemarken, Zweden en Finland). Ondanks de eventuele verschillen qua productiestructuur, springt België er met name uit doordat de intermediaire invoer het grootste aandeel heeft binnen de gecumuleerde productiekosten. Die vaststelling geldt voor alle onderzochte sectoren (behalve de energiesector, waar Finland het slechter doet). Het contrast met Duitsland en Frankrijk — onze voornaamste handelsconcurrenten — is nog opvallender. Daar staat tegenover dat het aandeel van de lonen in de gecumuleerde productiekosten bij ons het laagst ligt, inzonderheid in de industriesector (27 % in België, tegenover 47 % in Duitsland en 32 % in Nederland en Finland — waarbij op te merken valt dat de drie laatstgenoemde landen doorgaans worden gerekend tot de landen met het laagste loonaandeel) en in de sector van de marktdiensten (35 % in België, tegenover ruim 40 % elders, behalve in Finland, waar dat percentage op 36 % ligt). Die vaststellingen staan dus haaks op de opvattingen van hen die de automatische loonindexering willen afschaffen of de loonmarges willen beknibbelen.

Op Zweden na heeft België voorts ook het zwakste bruto-exploitatieoverschot (dat wil zeggen : de winstmarge) ten opzichte van de gecumuleerde productiekosten.

4. Inflatie, indexering en prijzen van de ingevoerde grondstoffen

Ondanks die duidelijke vaststellingen wordt de indexering van de lonen, die terecht als een grote verwezenlijking van het Belgische sociale model wordt beschouwd, geregeld en verkeerdelijk afgedaan als het grootste gevaar voor onze concurrentiepositie op de internationale markten.

Uit de jongste studie van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, ter voorbereiding van de onderhandelingen over het centraal akkoord 2011-2012, blijkt echter dat de invoerprijzen sinds ten minste 1996 de grootste handicap vormen voor de finale vraag. Die indicator meet de stijging van de prijs van de goederen en diensten die op het nationale grondgebied worden geproduceerd, wat het mogelijk maakt de exogene effecten uit te vlakken die te wijten zijn aan de grote schommelingen van de olieprijzen of de prijzen van de landbouwgrondstoffen bijvoorbeeld in 2008.

Die indicator is jaarlijks gemiddeld met 1,92 % gestegen, terwijl de andere, hierna vermelde factoren een minder grote stijging lieten optekenen :

— invoerprijzen : + 0,84 %;

— loonkosten per producteenheid : + 0,54 %;

— andere kosten (exploitatiemarges) : + 0,42 %;

— directe nettobelastingen per geproduceerde eenheid : + 0,13 %.

Hoewel de gezondheidsindex de prijs van de (doorgaans ingevoerde) aardolieproducten uitsluit (5) , volgt daaruit dat de indexering op haar beurt in de eerste plaats afhangt van de evolutie van de prijzen van de ingevoerde grondstoffen ! Daaruit kan worden besloten dat de indexering niet wordt gestuwd door de zogezegde loon-prijzenspiraal, maar veeleer door de ingevoerde grondstoffen, die 1,5 maal zwaarder doorwegen dan de lonen !

Een vergelijking van de situatie in België met die in de buurlanden toont aan dat die dynamiek niet mag worden onderschat.

Het gewicht van de invoerprijzen, dat een handicap is voor de finale vraag, was tussen 1996 en 2008 in België aanzienlijk groter dan in het buitenland. In België lag dat gewicht op meer dan 43,75 %, terwijl in de onderstaande landen de toestand er als volgt uitzag :

— 14,39 % in Duitsland;

— 9,17 % in Frankrijk;

— 18,56 % in Nederland.

Tussen 1996 en 2008 hebben de invoerprijzen de finale vraag in België sterker afgeremd. Dat kan ten dele worden verklaard door de snellere verhoging van de invoerprijzen in ons land.

De NBB heeft in zijn jaarverslag van 2010 aangegeven dat de versnelling van de inflatie in België in 2010 andermaal vooral aan het duurder worden van de energieproducten te wijten was. Zo lag de gemiddelde stijging (10 %) fors hoger dan in onze drie belangrijkste buurlanden (Frankrijk, Duitsland en Nederland : 5 %). De groei van de loonkosten is in alle beschouwde landen daarentegen aanzienlijk vertraagd.

In de theoretische veronderstelling dat de invoerprijzen geen enkele invloed zouden hebben, geeft de indicator die de inflatie van de op het nationale grondgebied geproduceerde goederen en diensten raamt, aan dat de inflatie in ons land dan aanzienlijk lager zou liggen dan in Frankrijk of in Nederland. In dat geval zou onze concurrentiekracht worden versterkt.

Als gevolg van de dubbele weerslag van de grondstoffenprijs waarop hierboven wordt gewezen, moet dus naast onderzoek en ontwikkeling (O & O) dringend worden gedacht aan een doeltreffend gebruik van de hulpmiddelen als een voor onze ondernemingen even belangrijke of zelfs belangrijkere factor van concurrentiekracht dan de eigenlijke loonkosten.

Onderzoeken hebben trouwens aangetoond dat een correlatie bestaat tussen een hoge index van spaarzaam gebruik van natuurlijke rijkdommen en een hoge index voor de concurrentiekracht (6) .

In fine beoogt het wetsvoorstel de druk te verminderen op de productiekosten en bijgevolg op de lonen, door de sociale partners, van het sectorale niveau tot dat van de ondernemingen, bewuster te maken van het belang van de grondstoffenkosten. Zodoende worden de voorwaarden in het leven geroepen voor een dialoog, en dat zal alle niveaus aanmoedigen maatregelen te nemen.

5. In het sociaal overleg rekening houden met de middelenproductiviteit

De informele Europese Raad van ministers van Milieu, die op 12 en 13 juli 2010 heeft plaatsgehad in Gent, tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, heeft toegegeven dat « Europa dringend materialen duurzamer [moet] beheren en [moet] werken aan een absolute ontkoppeling van milieueffecten en welvaartsgroei. (...) Daarnaast is [duurzaam materiaalbeheer] een motor voor duurzame groei. Het creëert banen, stimuleert concurrentie en innovatie, en vermindert de Europese afhankelijkheid van primaire hulpbronnen » (7) .

Door een en ander toe te spitsen op de praktijken op de werkvloer en op de productietechnieken sluit dit wetsvoorstel aan bij de aanbeveling dat « de EU en de lidstaten de stap [moeten] maken van afvalstoffenbeheer naar een alomvattend materiaalbeleid. Wij moeten de volledige materiaalketen beheren, van winnen of oogsten van hulpbronnen, over productie, distributie en consumptie, en tot het recyclen en de eindbehandeling » (8) .

Dit wetsvoorstel strekt ertoe van de kwestie van het rationeel gebruik van de middelen een van de parameters te maken die in aanmerking moeten worden genomen in het kader van een sectoraal akkoord, omdat een verbetering van dat rationeel gebruik zowel de werkgevers als de werknemers ten goede komt, zonder het dan nog te hebben over de milieuvoordelen die ze met zich brengt. Concreet houdt dat in dat door het feit dat duurzaam materiaalbeheer bijdraagt tot de structurele concurrentiekracht van de economie, het opzet van de wet van 1996, dat berust op het drieluik lonen-werkgelegenheid-kennis (voortgezette opleiding en O & O), wordt verruimd tot die problematiek, die de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven grondig en systematisch zal onderzoeken in zijn technisch rapport. De sociale partners zullen op grond van die nieuwe overwegingen worden verzocht de doelstellingen te bepalen die op middellange termijn moeten worden bereikt. Dat zou in zekere mate inspelen op de bekommernis van de ministers die luidt : « De betrokkenheid van de lidstaten zal worden vergroot door een belangrijke plaats toe te kennen aan hulpbronnenefficiëntie in de geïntegreerde richtlijnen van de Europa 2020-strategie en in de nationale hervormingsprogramma's » (9) .

Bovendien wordt in de tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie (10) op 6 december 2010 door de Raad van ministers van Werkgelegenheid aangenomen « Conclusies over het werkgelegenheidsbeleid goedgekeurd voor een concurrerende, CO2-arme, hulpbronefficiënte en groene economie » aangegeven dat « les parties prenantes, parmi lesquelles figurent les travailleurs, les sociétés, les partenaires sociaux, les autorités nationales, régionales et locales, les services de l'emploi, les établissements d'enseignement et les opérateurs de formation, ont un rôle important à jouer lorsqu'il s'agit d'aborder les implications pour le marché du travail de la transition vers une économie compétitive, à faibles émissions de CO2, économe en ressources et verte; » (11) .

Daarom beoogt dit wetsvoorstel er ook voor te zorgen dat in de ondernemingen een discussie op gang komt over de koolstofbalans en over de ecologische voetafdruk van de onderneming, alsmede over de genomen en overwogen maatregelen om de duurzaamheid van de activiteit van de onderneming te verbeteren, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de daarmee gepaard gaande administratieve last in verhouding staat tot de grootte van de onderneming.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikelen 2 tot 4

De wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt gewijzigd om de draagwijdte ervan te verruimen. Aldus wordt uitdrukkelijk belang gehecht aan het rationele gebruik van de hulpbronnen, evenals aan de loonmarge en aan bepaalde aspecten die verband houden met het structurele concurrentievermogen.

Zulks is verantwoord in het licht van

— het concurrentievermogen, aangezien bewezen is dat tussen die beide variabelen een verband bestaat;

— de onvermijdelijke loskoppeling van de productiviteitsstijging van de toename van het hulpbronnengebruik, aangezien de hulpbronnen niet onuitputtelijk zijn;

— meer sociale gerechtigheid : doordat het aandeel van de gecreëerde welvaart die in de vorm van loon wordt verdeeld, sinds een dertigtal jaar gestaag daalt, neemt de ongelijkheid toe.

Op grond van gegevens over de economie in haar geheel en over de wijze waarop de ondernemingen de hulpbronnen aanwenden, betekent dit concreet dat de sociale partners in de twee jaar die volgen op de inwerkingtreding van de wet er zich zullen moeten toe verbinden formele tienjaarlijkse doelstellingen vast te leggen en na te gaan hoe zij die kunnen verwezenlijken. Aldus zullen zij bijdragen tot een rechtvaardige en ecologische economische overgang.

De vooropgestelde termijn voor de tenuitvoerlegging van die doelstellingen zal samenvallen met de uiterste limiet voor de uitvoering van de Europa 2020-strategie, die onder meer gestoeld is op het vlaggenschipinitiatief « Efficiënt gebruik van hulpbronnen » (12) , alsook op een nieuwe grondstoffenstrategie.

De jaarlijkse monitoring van macro-economische indicatoren, alsook het hanteren van best practices in andere EU-landen, zullen ervoor zorgen dat de sociale partners zich meer bewust worden van de verbeteringsmogelijkheden, en zullen ook het onderling overleg aanzwengelen.

Artikel 5

In de onderneming moeten de ondernemingsraad meer gegevens worden meegedeeld om het op centraal niveau aangevatte overleg een verlengstuk te geven, wat uiteindelijk het nemen van concrete en overlegde initiatieven op de werkvloer moet bevorderen.

Daartoe moeten de betrokken ondernemingen overgaan tot de evaluatie van :

— hun koolstofimpact;

— hun ecologische voetafdruk;

— de milieu-impact van hun productie.

Tevens moeten zij aangeven welke maatregelen zij reeds hebben genomen om de toestand op die punten te verbeteren, alsook welke de mogelijkheden zijn op het stuk van recyclage, hergebruik en valorisatie.

Om de werknemers ertoe aan te zetten oog te hebben voor efficiëntie, zal hen inlichtingen worden verstrekt over de structuur van de productiekostprijs en over de verhouding van de post « hulpbronnenbevoorrading » tot de loonmassa.

Ten slotte zal de werkgever — in de mate van het mogelijke en voor zover dit relevant is — er de aandacht op moeten vestigen dat bepaalde in de productieketen gebruikte hulpbronnen met uitputting bedreigd zijn. Het ligt in de bedoeling dat de werknemers zich aldus bewust worden van de bevoorradingszekerheid en de schaarste van die hulpbronnen, alsook van de volatiliteit van de prijzen, die de activiteiten en het concurrentievermogen van de onderneming op middellange en op lange termijn kunnen ondergraven.

In dat verband kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, beslissen de verzameling van die gegevens toe te vertrouwen aan een instelling; die instelling biedt een dienst van algemeen belang aan, en zou bovendien worden gelast die gegevens te bezorgen aan de betrokken ondernemingen en aan de federale en de regionale overheidsinstellingen die daarom verzoeken.

Artikelen 6 en 7

De kleinere ondernemingen, die geen ondernemingsraad moeten hebben, maar wel moeten beschikken over een comité voor preventie en bescherming op het werk, zullen wel moeten bijdragen tot de algemene inspanning, maar de hen opgelegde administratieve lasten zullen minder zwaar zijn, aangezien de lijst van de te verstrekken inlichtingen beperkt zal worden tot de meest nuttige gegevens om alle personeelsleden te sensibiliseren en in te zetten.

Artikelen 8 en 9

Voor de grote ondernemingen is de inwerkingtreding van de wet gepland voor 1 januari 2012, en voor de kleinere ondernemingen op 1 januari 2013. Dit betekent dat de eerste gegevens bekend zullen zijn vooraleer de sociale partners de doelstellingen van het centraal akkoord bepalen. Aldus kunnen die doelstellingen tevens worden gebaseerd op de bij de ondernemingen verzamelde gegevens (micro-economisch niveau) om de economische doelstellingen (macro-economisch niveau) te bepalen.

Jacky MORAEL.
Freya PIRYNS.
Cécile THIBAUT.
Mieke VOGELS.

WETSVOORSTEL


HOOFDSTUK 1

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bepaald in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK 2

Vrijwaring van het concurrentievermogen

Art. 2

Artikel 4, § 1, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen wordt vervangen door wat volgt :

« Art. 4. — § 1. Twee maal per jaar vóór 31 januari en vóór 31 juli brengen de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad een gezamenlijk verslag uit over de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de loonkosten in België en in de referentielidstaten van de Europese Unie. Dat verslag omvat eveneens een analyse van het loon- en werkgelegenheidsbeleid bij die referentielidstaten, en van de factoren die een andere ontwikkeling dan in België kunnen verklaren. Tevens wordt verslag uitgebracht over de structurele aspecten van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid, inzonderheid :

— de sectorale structuur van de nationale en buitenlandse investeringen;

— de uitgaven inzake onderzoek en ontwikkeling;

— de marktaandelen;

— de geografische bestemming van de uitvoer;

— de structuur van de economie;

— de innovatieprocessen;

— de financieringsstructuren voor de economie;

— de opleidings- en onderwijsstructuren;

— de veranderingen in de organisatie en de ontwikkeling van de ondernemingen;

— de productiviteitsdeterminanten, met inbegrip van de aanwending van de natuurlijke hulpbronnen.

Met betrekking tot het bovenvermelde, laatste punt bevat het in het eerste lid bedoelde verslag ten minste informatie over de volgende vier indicatoren :

1. het afzonderlijk per product aangegeven binnenlandse grondstoffengebruik, omschreven als de totale, rechtstreeks in de economie aangewende grondstoffenhoeveelheid;

2. het afzonderlijk per sector aangegeven eindverbruik aan energie, met inachtneming van de hoeveelheid energie die werd aangewend voor de productie, de verpakking en de levering aan de eindverbruiker;

3. het aantal organisaties en plaatsen die de norm Eco-Management and Audit Scheme hebben aangenomen, evenals het aantal werknemers dat er tewerk wordt gesteld;

4. het aantal ingediende octrooien op groene technologieën.

Bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, past de Koning in voorkomend geval de in het vorige lid bedoelde lijst aan naargelang de beschikbaarheid en relevantie van nieuwe, door een door Hem bepaalde internationale instelling ontwikkelde indicatoren.

Een vergelijking met de referentielanden en met landen waarvan de productiestructuur aansluit bij die van België zal worden verricht en, in voorkomend geval, worden suggesties geformuleerd om verbeteringen aan te brengen.

Dit verslag wordt onverwijld overgezonden aan de federale Wetgevende Kamers en aan de regering. »

Art. 3

Het opschrift van hoofdstuk III van voormelde wet wordt vervangen door wat volgt :

« Hoofdstuk III : De collectieve loononderhandelingen en de inachtneming van de grondstoffenproductiviteit ».

Art. 4

In voormeld hoofdstuk wordt een artikel 6/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 6/1. — Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit artikel worden de sociale gesprekspartners het eens over doelstellingen die tegen 2020 en vervolgens om de tien jaar dienen te worden gehaald in verband met de doeltreffende aanwending van de natuurlijke hulpbronnen, zulks op grond van de in de artikelen 4 en 5 bedoelde verslagen.

Bij ontstentenis van een consensus tussen de sociale gesprekspartners roept de regering hen bijeen op een overlegvergadering en formuleert zij een bemiddelingsvoorstel op grond van de in datzelfde verslag vervatte gegevens.

Bij ontstentenis van een akkoord tussen de regering en de sociale gesprekspartners binnen één maand na de bijeenroeping van de sociale gesprekspartners zoals bedoeld in het vorige lid, kan de Koning bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voormelde doelstellingen vastleggen. »

HOOFDSTUK 3

Informatieverstrekking binnen de grote ondernemingen

Art. 5

In artikel 15 van de wet van houdende organisatie van het bedrijfsleven, voor het laatst gewijzigd op 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1. in het eerste lid, punt b), 1º, worden tussen het woord « productiviteit » en het woord « alsmede » de woorden « met bijzondere aandacht voor de rationele aanwending van de natuurlijke hulpbronnen » ingevoegd;

2. het eerste lid wordt aangevuld met een punt m), luidende :

« m) van de bedrijfsleider de volgende informatie te verkrijgen alsook ze geregeld en ten minste bij de afsluiting van het boekjaar te onderzoeken, met dien verstande dat de Koning, na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria, voorwaarden en nadere regels bepaalt in verband met de informatieverstrekking over de evolutie van de rationalisering van de aanwending van de hulpbronnen en over de ecologische voetafdruk, te weten :

a. de inlichtingen, rapporten en documenten die de ondernemingsraad inzicht kunnen verschaffen over de koolstofbalans, de ecologische voetafdruk van de onderneming alsook over de genomen en overwogen maatregelen om de duurzaamheid van de onderneming te vergroten, met name in verband met de weerslag van haar basisactiviteiten (producten of diensten) en, in voorkomend geval; met de recycling-, hergebruik- en/of valoriseermogelijkheden;

b. de informatie die gewag maakt van :

— de evolutie van het energieverbruik en, inzonderheid, van het energieaandeel dat van hernieuwbare bronnen afkomstig is;

— de evolutie, wat de structuur van de productiekosten aangaat, van de ratio tussen de kosten voor de aankoop van geïmporteerde grondstoffen en de loonmassa;

— de overwogen investeringen, technieken en personeelsopleidingen om de productie duurzamer te maken;

— het risico dat bepaalde in hoofdzaak gebruikte natuurlijke hulpbronnen uitgeput raken. »

HOOFDSTUK 4

Informatieverstrekking binnen ondernemingen die niet over een ondernemingsraad, maar wel over een CPBW beschikken

Art. 6

In artikel 65bis van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, ingevoegd bij de wet van 23 april 2008, wordt een § 1/1 ingevoegd, luidende :

« § 1/1. Bij ontstentenis van een ondernemingsraad verstrekt de werkgever aan het Comité basisinformatie in verband met :

1. de genomen en overwogen maatregelen om de duurzaamheid te vergroten, met name inzake investeringen, technieken en personeelsopleidingen;

2. de weerslag van de basisactiviteiten van de onderneming, ongeacht of het om producten of diensten gaat;

3. in voorkomend geval, de recycling-, hergebruik- en/of valoriseermogelijkheden;

4. de evolutie van het energieverbruik en van het energieaandeel dat van hernieuwbare bronnen afkomstig is;

5. de evolutie van de ratio tussen enerzijds de kosten voor de aankoop van geïmporteerde grondstoffen en anderzijds de loonmassa.

De Koning bepaalt, na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria, voorwaarden en nadere regels in verband met de informatieverstrekking over de evolutie van de rationalisering van de aanwending van de hulpbronnen en over de ecologische voetafdruk. »

Art. 7

Artikel 65quinquies van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 april 2008, wordt aangevuld met een punt 4º, luidende :

« 4º de evolutie van de rationalisering van de aanwending van de hulpbronnen en de ecologische voetafdruk van de onderneming. »

HOOFDSTUK 5

Inwerkingtreding

Art. 8

De artikelen 2 tot 5 treden in werking op 1 januari 2012.

Art. 9

De artikelen 6 en 7 treden in werking op 1 januari 2013.

10 november 2011.

Jacky MORAEL.
Freya PIRYNS.
Cécile THIBAUT.
Mieke VOGELS.

(1) Europees Milieuagentschap, Het milieu in Europa — toestand en verkenning 2010.

(2) Zie eveneens : Europese Commisie, Critical Raw Materials for the EU : Report of the Ad-hoc Working Group on defining critical raw materials, 2010.

(3) Aardmetalen zijn een groep van metalen met aan elkaar verwante eigenschappen; het gaat onder andere om scandium 21Sc, yttrium 39Y et de vijftien lanthaniden.

(4) http://www.ccecrb.fgov.be/txt/nl/doc10-114.pdf.

(5) De Nationale Bank van België komt tot de bevinding dat « ongeveer drie vijfde van het totale inflatoire effect van een olieschok uit de gezondheidsindex wordt geweerd, terwijl de overige twee vijfde erin opgenomen blijven » (Economisch Tijdschrift, april 2008, blz.16).

(6) Zie meer bepaald The relation between resource productivity and competitiveness, onderzoek van het Wuppertal Institute voor de Europese Commissie, 2007.

(7) Zie Samenvatting namens het voorzitterschap van de Informele Milieuraad over Duurzaam Materiaalbeheer op 12 en 13 juli 2010 : http://www.eutrio.be/files/bveu/100713def_presidency_summary_NL_0.pdf.

(8) Zie hierboven.

(9) Zie hierboven.

(10) http://www.eutrio.be/nl/pressrelease/conclusies-van-de-laatste-raad-van-ministers-voor-tewerkstelling.

(11) Zie hierboven.

(12) http://ec.europa.eu/resource-efficient-europe.