5-99COM

5-99COM

Commission des Affaires sociales

Annales

MARDI 8 NOVEMBRE 2011 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Bert Anciaux à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les avantages des maisons médicales et leur développement» (no 5-1386)

Mme la présidente. - M. Jean-Marc Delizée, secrétaire d'État aux Affaires sociales, chargé des Personnes handicapées, répondra.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Wijkgezondheidscentra combineren een groot aantal voordelen en kunnen om diverse redenen een ingrijpend verschil maken in de basisgezondheidszorg. Om te beginnen bieden ze hun ingeschreven patiënten consultaties tegen terugbetalingstarief. Daardoor verandert de prestatiegeneeskunde in een servicegeneeskunde. Patiënten hoeven niet te betalen, zelfs niet de ene euro die sommige artsen als gunst toepassen, en artsen hoeven niet te veel consultaties te beleggen. Daardoor krijgt de medische dienstverlening een zeer lage drempel, wordt er meteen een natuurlijke rem gezet op overconsumptie en wordt een juiste dosering van consultaties gestimuleerd.

De artsen zijn bovendien als werknemer in dienst en kunnen hun persoonlijk leven veel kwaliteitsvoller inrichten, hoewel ze uiteraard minder inkomsten hebben.

De ondertussen tientallen wijkgezondheidscentra bewijzen in de praktijk ook dat ze een zeer bijzondere kwaliteit hebben. Ze trekken namelijk patiënten aan die anders te weinig op consultatie zouden gaan. Het publiek van de wijkgezondheidscentra bestaat in significante mate uit maatschappelijk kwetsbare en achtergestelde mensen. Ook de meest uitgestoten mensen, de sans-papiers, kunnen er terecht voor een concretisering van hun mensenrecht. Een studie van het Kenniscentrum Gezondheid die de zorg in de forfaitaire geneeskunde vergelijkt met de zorg in de prestatiegeneeskunde, vond niet eens een vergelijkbare groep in de prestatiegeneeskunde! Het streefdoel van de wijkgezondheidscentra is en blijft echter een sociale patiëntenmix te bereiken om te voorkomen dat er categoriale zorgverstrekkers ontstaan en dat er een duale gezondheidszorg ontstaat.

Dat alles heeft ook een gunstig gevolg op de kosten van de gezondheidszorg, want door de aard van de financiering beogen wijkgezondheidscentra zo weinig mogelijk consultaties, zonder dat de kwaliteit van hun service in het gedrang komt.

Ondanks de onmiskenbare reeks van positieve eigenschappen blijven wijkgezondheidscentra nog in te beperkte mate aanwezig in de vele wijken waar de concentratie van achterstelling en armoede groot is. Dat wekt verwondering.

Beaamt de minister dat het concept van de wijkgezondheidscentra een cumulatief positief effect heeft op de basisgezondheidszorg?

Bevestigt de minister dat wijkgezondheidscentra, zeker met betrekking tot maatschappelijk kwetsbare en achtergestelde groepen, een speerpuntrol vervullen, met een uiterst gunstig kosten-batenresultaat?

Hoe verklaart de minister dat er ondanks al die positieve eigenschappen relatief weinig wijkgezondheidscentra bestaan? Vindt de minister ook dat het opstarten van zo'n centrum nog volledig afhangt van het enthousiasme van bevlogen initiatiefnemers en de goodwill van lokale besturen - waarin vaak sterke opposanten van het concept aanwezig zijn - en dat de initiatiefnemers weinig of niet door de federale overheid worden gestimuleerd of ondersteund?

Is de minister het ermee eens dat daardoor nog heel wat buurten en wijken niet kunnen genieten van de dienstverlening van wijkgezondheidscentra, die op alle vlakken superieur is aan de rest van de basisgezondheidszorg?

Overweegt de minister bijzondere maatregelen om de start van wijkgezondheidscentra te stimuleren, bijvoorbeeld met renteloze leningen, voorschotten op geraamde subsidies of andere instrumenten? Heeft de minister hiervoor al voorstellen klaar en is ze bereid op dit punt een sterk stimulerende beleid te ontwikkelen?

Beaamt de minister dat het wenselijk is voor de wijkgezondheidscentra een erkenning uit te werken van hun bijzondere sociale, financiële en gezondheidsbevorderende effecten?

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het lijdt geen twijfel dat de wijkgezondheidscentra de toegang tot de eerstelijnszorg bevorderen en zo een belangrijk instrument zijn van het globale beleid rond zorgtoegankelijkheid.

In Vlaanderen ligt het aantal wijkgezondheidscentra misschien iets lager, maar dat wordt gecompenseerd doordat ze er, in vergelijking met Wallonië en Brussel, met meer artsen werken.

In dat verband moeten we overigens opmerken dat de wijkgezondheidscentra in de Franse Gemeenschap in aanmerking kunnen komen voor een erkenning als `Centre de soins intégrés' en dat er in Vlaanderen momenteel geen vergelijkbare regeling bestaat. Dat onderscheid heeft onder meer een impact op eventuele bijkomende financieringsmiddelen bovenop wat er in het kader van de ziekteverzekering wordt betaald.

Er bestaan geen specifieke stimuli voor het oprichten van een wijkgezondheidscentrum, maar we mogen niet vergeten dat de centra in aanmerking komen voor ondersteuningsmaatregelen voor de huisartsgeneeskunde, bijvoorbeeld via het impulsfonds. Op basis daarvan kunnen wijkgezondheidscentra een financiële ondersteuning als groepspraktijk vragen.

De facto bestaan er momenteel al maatregelen ter ondersteuning van de huisartsgeneeskunde, die ook stimuli bevatten om wijkgezondheidscentra op te richten. Het verdere verloop van de financiering van de wijkgezondheidscentra zal afhangen van de budgettaire context en de institutionele evolutie.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Het probleem is dat we nu moeilijk in debat kunnen gaan. Ik ben blij dat de minister de waarde van de wijkgezondheidscentra erkent, maar ik denk dat we inderdaad nog moeten werken aan een betere erkenning om net die sociale, financiële en gezondheidsbevorderende effecten nog te versterken. Ik hoop dat de nieuwe regering voor deze materie oog zal hebben.

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - We zijn het zeker eens over het doel.