5-1227/1 | 5-1227/1 |
22 SEPTEMBER 2011
Dit wetsvoorstel neemt, in aangepaste vorm, de tekst over van een voorstel dat reeds op 27 april 2010 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-1754/1 - 2009/2010).
Artikel 32, § 1, derde lid, van de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen bepaalt dat voor de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke regering en het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie onder meer hoofdstuk V, afdeling 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken van toepassing is, met uitzondering van de bepalingen betreffende het gebruik van het Duits. Dit hoofdstuk (meer bepaald de artikelen 39 tot 43ter) omvat de taalregeling die betrekking heeft op de centrale diensten van het hele land en stelt het principe van de tweetaligheid van de diensten en de eentaligheid van de ambtenaren voorop. Tevens dienen er in het kader van deze regeling taalkaders te worden opgesteld voor de verdeling van de betrekkingen tussen de beide taalgroepen.
Door deze regeling worden de diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke regering en van het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bijgevolg gelijkgesteld met de centrale diensten die voor het hele land bevoegd zijn. Het lijkt nogal vanzelfsprekend dat een taalregeling die werd uitgedokterd om van toepassing te zijn op diensten voor het hele land, niet bruikbaar is voor de diensten van een tweetalige stad. Deze regeling heeft dan ook reeds voor heel wat betwistingen en disfuncties in de diensten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gezorgd. Vooral de bepalingen waarbij de tweetaligheid van de dienstverlening dient te worden verwezenlijkt door middel van eentalige ambtenaren blijken niet aangepast te zijn aan de Brusselse situatie. De praktijk heeft immers uitgewezen dat dit in Brussel tot absurde situaties, een slechte dienstverlening ten aanzien van de burger en talrijke disfuncties leidt.
De reeds jaren aanslepende moeilijkheden bij de Brusselse hoofdstedelijke dienst voor de brandweer en de dringende medische hulp kunnen hiervoor als voorbeeld gelden. Zo moet de dienstverlening aan de telefoons in principe tweetalig zijn, maar mag er desalniettemin wettelijk gezien van de personeelsleden geen kennis van de tweede taal worden geëist. Om met de taalwetgeving in orde te zijn, zouden er in theorie dus aan elke telefoon twee ambtenaren moeten zitten, namelijk een Nederlandstalige om de Nederlandstalige burgers te bedienen en een Franstalige om de Franstalige burgers te bedienen. Zulks is even duur als absurd. Bij de dienst 100 of 112, waar in ernstige en spoedeisende gevallen een doelmatig ingrijpen van de ambulanciers van essentieel belang kan zijn, kan een slechte communicatie met de noodbehoevende burger in een aantal omstandigheden fatale gevolgen hebben.
Om deze redenen lijkt het aangewezen de taalwetgeving te wijzigen, door voor de gecentraliseerde en de gedecentraliseerde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke regering en het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de regelgeving in te voeren die van toepassing is op de plaatselijke diensten van Brussel-Hoofdstad (hoofdstuk III, afdeling 3, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966). Dit betekent concreet dat zou worden overgestapt van de huidige eentaligheid van de ambtenaren naar tweetaligheid van de ambtenaren. Op deze wijze kan, mits een correcte toepassing van de wet, de dienstverlening aan de burger, Nederlandstalig of Franstalig, veel beter worden verzekerd.
Deze regeling zou het tevens mogelijk maken een oplossing te bieden voor de reeds jaren durende impasse betreffende de vaststelling van de taalkaders voor de gecentraliseerde en gedecentraliseerde diensten van de Brusselse Hoofdstedelijke regering en het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Ingevolge de bepalingen vervat in hoofdstuk V, afdeling 1, van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik der talen in bestuurszaken, dienen er immers taalkaders te worden ingesteld voor de verdeling van de overheidsbetrekkingen tussen de beide taalgroepen. In 1989 werd een politiek akkoord tussen de Brusselse regeringspartijen gesloten (dat nu nog min of meer geldt) om de overheidsbetrekkingen op gewestelijk niveau te verdelen volgens de verdeelsleutel een derde Nederlandstalige — twee derde Franstalige.
Deze verdeelsleutel werd juridisch al aangevochten, wat leidde tot de vernietiging van het taalkader door de Raad van State. Nieuwe voorstellen om een taalkader in te stellen, zullen wellicht en zoals algemeen verwacht wordt, opnieuw het voorwerp uitmaken van klachten. Bovendien zullen alle taalkaders omwille van het toenemende Franstalige overwicht in Brussel in de toekomst alleen maar ten nadele van de Nederlandse taalrol en dus ten nadele van de tweetaligheid van Brussel-Hoofdstad uitvallen. Politiek gezien is dit voor alle Vlaamse partijen onaanvaardbaar.
In dit verband dient er trouwens op gewezen te worden dat de invoering van taalkaders in Brussel absoluut onmogelijk is geworden omwille van de aanwezigheid van een grote groep vreemdelingen (40 tot 50 % van de totale bevolking). Ten tijde van de opstelling van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken was immers nog geen sprake van grote groepen vreemdelingen en werd met dit gegeven dan ook niet in het minst rekening gehouden bij de uitwerking van de bepalingen omtrent de taalkaders. Door de explosieve groei van het aantal vreemdelingen in Brussel kan men echter niet meer naast dit gegeven kijken, aangezien deze massa een beslissende invloed uitoefent in de berekening van het werkvolume. Momenteel worden alle vreemdelingen bij het bepalen van taalkaders bijna automatisch integraal, maar volledig onterecht, tot het Franstalige werkvolume gerekend. Het resultaat is dat de balans inzake het werkvolume zeer sterk ten nadele van de Vlamingen overhelt.
Vandaar dat er gegronde redenen zijn om ook voor de gewestelijke diensten de regeling van de plaatselijke diensten in te voeren, waardoor de taalkaders worden afgeschaft. In de plaats daarvan komt een regeling waarbij een kwart van de betrekkingen aan elke taalgroep wordt voorbehouden en de overige 50 % via een politiek akkoord verder kan worden ingevuld. Door de opheffing van artikel 32, § 1, tweede lid, van de wet van 16 juni 1989 en de vervanging van de zinsnede « hoofdstuk V, afdeling 1, de bepalingen die het Duits betreffen uitgezonderd, » in artikel 32, § 1, derde lid van dezelfde wet door « hoofdstuk III, afdeling 3, » kan dit probleemloos worden verwezenlijkt.
| Yves BUYSSE. | |
| Bart LAEREMANS. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 32, § 1, van de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1º het tweede lid wordt opgeheven;
2º het derde lid wordt vervangen als volgt :
« De artikelen 50 en 54, hoofdstuk III, afdeling 3, en de hoofdstukken VII en VIII van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, zijn van toepassing op de in het eerste lid bedoelde diensten. »
14 juli 2011.
| Yves BUYSSE. | |
| Bart LAEREMANS. |