5-91COM

5-91COM

Commission des Finances et des Affaires économiques

Annales

MERCREDI 6 JUILLET 2011 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Demande d'explications de Mme Lieve Maes à la ministre de la Fonction publique et des Entreprises publiques sur «les fonctions de management et d'encadrement au sein des services publics fédéraux» (nº 5-956)

Mevrouw Lieve Maes (N-VA). - In maart 2011 publiceerde het Rekenhof zijn verslag over de management- en staffuncties binnen de federale overheidsdiensten.

Uit dat verslag blijkt dat er toch nog aardig wat ruimte voor verbetering is, zowel in de vormvereisten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een tweetalige ambtenaar op evaluatiegesprekken en een deugdelijke motivering bij de aanstelling, als in de grote lijnen, door bijvoorbeeld te verhelpen aan gebrekkige beheersplannen, onsuccesvolle selectieprocedures, het ontbreken van tussentijdse evaluaties, de afwezigheid van regelmatige functiewegingen en een aangepast loon.

Een aantal aspecten kunnen hoogst waarschijnlijk nog niet worden aangepakt wegens `lopende zaken'. Ik denk bijvoorbeeld aan een koerswijziging in het zoeken van kandidaten en aan de gesuggereerde aanpassingen van het reglement, maar heel wat van de voor verbetering vatbare punten vereisen gewoon de uitvoering van eerder genomen beslissingen.

Waarom heeft geen enkele FOD het gevraagde reglementair organigram van de mandaatfuncties? Is ondertussen al actie ondernomen op dat vlak?

Hoe komt het dat er bij 23 evaluaties geen beroep gedaan werd op wettelijk tweetalige ambtenaren, ondanks het feit dat de geëvalueerde tot een andere taalrol behoorde dan de eentalige ambtenaar door wie hij werd geëvalueerd?

Waarom faalt de FOD Personeel & Organisatie in de centrale kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de mandaathouders?

Hoe valt te verklaren dat een aantal aanstellingsbesluiten terugwerkende kracht hadden, terwijl de datum van inwerkingtreding niet mag voorafgaan aan de datum van ondertekening van het koninklijk besluit?

Mijn belangrijkste vraag: gezien de talrijke onvolkomenheden, hoeveel benoemingsdossiers zijn al aangevochten bij de Raad van State? Met welk resultaat? Vreest u niet dat er nog een heel aantal volgen?

Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - Het is juist dat artikel 2 van het besluit betreffende de managementfuncties bepaalt dat de Koning het organigram van de managementfuncties vastlegt. Het Rekenhof stelt dit vast. Is het vastleggen van het organigram van de managementfuncties in een koninklijk besluit echt relevant? Dient men op die manier de structuren vast te leggen? Dat lijkt me niet evident. In tien jaar tijd heeft geen enkele minister die keuze gemaakt.

Ik beschik niet over de nodige informatie om antwoord te geven op uw vraag hoe komt het dat er bij 23 evaluaties geen beroep gedaan werd op wettelijk tweetalige ambtenaren. Wellicht houdt een deel van het antwoord verband met het feit dat vele voorzitters in werkelijkheid zeer goed tweetalig zijn, ook al hebben ze de Selorexamens niet afgelegd. Mijn advies op dat vlak bestaat erin om alle managers en de federale ambtenaren in het algemeen sterk aan te moedigen om deel te nemen aan de taalproeven van Selor. In het vorige sectoraal akkoord hebben we aandacht besteed aan stimulansen voor tweetaligheid.

Waarom faalt de FOD Personeel & Organisatie in de centrale kwaliteitscontrole van de evaluatieprocedure van de mandaathouders? Het Rekenhof heeft zelf deze vraag beantwoord: tal van FOD's hebben deze informatie niet verstrekt, zodat het onmogelijk bleek een kwaliteitscontrole uit te voeren. Recentelijk wees de FOD P&O de andere FOD's op deze reglementaire verplichting en het punt werd vermeld in het College van voorzitters van een directiecomité ten gevolge van het verslag van het Rekenhof. Voor veel aangelegenheden is de FOD P&O echter afhankelijk van de andere FOD's. De voorzitter van de FOD P&O kan bijvoorbeeld wel de voorzitters van de FOD's waarmee hij regelmatig samen komt ervoor waarschuwen dat, indien de FOD's geen gevolg geven aan de vragen van de FOD P&O, de zaak kan worden voorgelegd aan de Ministerraad. Daar kan ik dan de respectieve ministers vragen om rekening te houden met de opmerkingen van de FOD P&O. Dat is een volgende stap die kan worden gezet.

Dat er aanstellingsbesluiten met terugwerkende kracht zijn, begrijp ik niet. Ik heb geen enkele injunctiebevoegdheid ter zake, aangezien de benoemende minister en niet de minister van Ambtenarenzaken bevoegd is voor het ondertekenen van de benoemingsbesluiten. Het Rekenhof had volkomen gelijk op deze onwettige praktijk te wijzen.

De vraag over het aanvechten van benoemingsdossiers bij de Raad van State is inderdaad de belangrijkste vraag. Ik kan hieromtrent zeer geruststellende informatie geven: één persoon heeft 13 beroepen ingesteld; 4 van die beroepen zijn hangende, waarvan er één geleid heeft tot een opschorting van een beslissing tot niet-slagen voor de selectie. Wat de 9 andere beroepen betreft, was er ofwel een verwerping, ofwel een afstand, ofwel een verlies van belang.

Slechts één - en ik herhaal slechts één - benoeming maakt momenteel het voorwerp uit van een beroep. Percentagewijs vertegenwoordigt dit 0,6% van alle managers.

Er werd slechts één vernietiging uitgesproken door de Raad van State: het gaat om de hernieuwing van een mandaat dat ondertussen zelf vernietigd werd. De aanvankelijke procedure dateert van 2002.

Tijdens deze periode werden er twaalf andere beroepen ingesteld naast die van de hierboven vermelde persoon, niet tegen benoemingen, maar tegen procedures; zes daarvan hebben geleid tot een verwerping of een afstand; zes zijn hangende.

Mevrouw Lieve Maes (N-VA). - Ik begrijp dat een organigram niet van levensbelang is. Het is wel een formele voorwaarde.

De aanwezigheid van wettelijk tweetalige ambtenaren vind ik daarentegen belangrijk, zeker bij evaluatiegesprekken. De cijfers zijn gelukkig niet al te erg, maar er moet toch de nodige aandacht aan worden besteed. Evaluaties en opvolging zijn immers belangrijk voor de mensen.