5-1078/1 | 5-1078/1 |
14 JUNI 2011
Artikel 52, 3º, van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, Regels betreffende de pacht in het bijzonder, van het Burgerlijk Wetboek (pachtwet) stelt een uitzondering op het voorkooprecht van de pachter indien een openbaar bestuur of een publiekrechtelijke rechtspersoon het gepachte goed wenst aan te kopen voor doeleinden van algemeen belang en voor zover er geen onteigeningsbesluit met betrekking tot het goed getroffen is.
De wetgever heeft destijds nagelaten om te voorzien in een deugdelijk vorderingsrecht voor de pachter wanneer zijn rechten zouden geschonden worden, namelijk wanneer achteraf zou blijken dat het goed niet voor doeleinden van algemeen belang is aangewend door het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon die het goed heeft aangekocht.
De oorzaken van deze lacune in de wetgeving zijn de volgende :
— de pachter kan in de meeste gevallen niet tijdig een vordering wegens schending van zijn voorkooprecht op grond van artikel 51 van de pachtwet instellen omdat de vorderingstermijn te kort is. Zijn vordering verjaart namelijk reeds binnen een uiterst korte termijn van drie maanden;
— de verjaringstermijn van het vorderingsrecht begint bovendien reeds te lopen vanaf de datum van de openbare verkoping of van de kennisgeving van de onderhandse verkoping. Op dat ogenblik en in de maanden die daarop volgen, is het voor de pachter meestal onmogelijk om vast te stellen dat het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon zijn voornemen niet ten uitvoer zal brengen;
— omdat de pachter geen schending van het voorkooprecht kan vaststellen binnen de voornoemde termijn is het aldus nutteloos om een vordering in te stellen. Dit komt omdat de koper bijvoorbeeld na zes maanden of zelfs na enkele jaren zijn voornemen nog mag ten uitvoer brengen, hetgeen in de praktijk overigens vaak het geval is;
— volgens de rechtspraak en de rechtsleer beschikt de pachter evenmin over een « dadelijk belang » zoals vereist door artikel 18, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, op basis waarvan hij onmiddellijk een vordering tot schadevergoeding of indeplaatsstelling zou kunnen instellen. Er is immers nog geen schade vastgesteld of vaststelbaar omdat het voornemen van de koper op het ogenblik van het instellen van de vordering binnen een termijn van drie maanden nog niet is uitgevoerd en er slechts zelden een begin van uitvoering zal gemaakt zijn. Dit wil echter niet zeggen dat de koper van zijn voornemen zal afzien want de wet verplicht de koper immers geenszins om het voornemen binnen drie maanden uit te voeren. De koper zal bijvoorbeeld slechts na enkele jaren zijn voornemen ten uitvoer mogen brengen, zodat de pachter geen dadelijk belang kan inroepen om de vordering in te stellen. In de praktijk moet de pachter dus wachten tot hij zeker is van het feit dat de koper niet zal uitvoeren, doch dan is het vorderingsrecht van de pachter reeds geruime tijd verjaard.
Bovendien, indien de koper uiteindelijk toch zou uitvoeren wat hij zichzelf heeft voorgenomen, riskeert de pachter veroordeeld te worden op een tegenvordering wegens tergend en roekeloos geding. De pachter zal dan aan het kortste eind trekken omdat hij voorbarig zijn rechtsvordering heeft ingesteld. Dit vervolmaakt op perverse wijze de absurde logica van artikel 52, 3º, van de pachtwet.
Dit schept de aberrante situatie waarbij het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon er alle belang bij heeft om drie maanden te wachten alvorens enig voornemen ten uitvoer te brengen. Het vorderingsrecht van de pachter is nadien definitief verjaard en aldus kan het openbaar bestuur eender welk voornemen uitvoeren, ook indien zulks niet van openbaar belang zou zijn, hetgeen een manifeste schending van het voorkooprecht van de pachter zou uitmaken !
De koper kan ten slotte zelfs ten eeuwigen dage het goed ongebruikt laten, hetgeen vanzelfsprekend eveneens onrechtmatig is.
Uit het voorgaande volgt dat de wetgever geen deugdelijke vorm van bescherming heeft uitgewerkt in de gevallen waarin het voorkooprecht van de pachter wordt geschonden doordat het voornemen van de koper niet wordt uitgevoerd.
Hieraan dient te worden tegemoetgekomen zonder de beleidsvrijheid van de openbare besturen en de publiekrechtelijke rechtspersonen te veel in het gedrang te brengen.
Het lijkt aldus gepast om de verjaring van het vorderingsrecht van de pachter pas te laten ingaan op het moment dat de pachter kennis werd gegeven van het aanwenden van het goed voor doeleinden van algemeen belang. Zolang er geen kennisgeving is gebeurd, loopt de verjaring dus niet en blijft het vorderingsrecht van de pachter bestaan. Het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon dient de aanwending voor doeleinden van algemeen belang aan te vatten binnen een termijn van vijf jaar.
Het oordeel over het feit of de uitvoering al dan niet aangevat is, kan aan de rechter worden overgelaten.
Artikel 2
Hier voegt het voorstel in artikel 51 van de pachtwet een nieuw lid in dat stelt dat de verjaring van het vorderingsrecht van de pachter pas ingaat op het moment dat aan de pachter kennis werd gegeven van het aanwenden van het goed voor doeleinden van algemeen belang.
Een afwezigheid van kennisgeving doet de verjaringstermijn niet lopen. De pachter kan dan, weliswaar ten vroegste na verloop van vijf jaar na de overschrijving van de akte van verkoop, te allen tijde de vordering instellen. Zo niet zou een verzaking aan de plicht tot kennisgeving verhinderen dat de pachter zijn recht zou kunnen uitoefenen.
Indien er vijf jaar na de overschrijving van de akte geen aanvang van aanwending van het goed voor doeleinden van algemeen belang is, loopt de verjaringstermijn evenmin en kan de pachter te allen tijde zijn vordering instellen.
Artikel 3
Dit artikel legt in artikel 52, 3º, van de pachtwet, het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon de verplichting op de aanwending van het goed voor doeleinden van algemeen belang aan te vatten binnen een termijn van vijf jaar.
| Bart LAEREMANS Yves BUYSSE Filip DEWINTER Anke VAN DERMEERSCH. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 51 van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, afdeling 3, Regels betreffende de pacht in het bijzonder, van het Burgerlijk Wetboek, wordt tussen het vierde en het vijfde lid het volgende lid ingevoegd :
« In geval van artikel 52, 3º, verjaren de vorderingen als bedoeld in het vorige lid enkel door verloop van drie maanden te rekenen van de kennisgeving aan de pachter van het aanvatten van de aanwending voor doeleinden van algemeen belang. »
Art. 3
Artikel 52, 3º, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
« Het openbaar bestuur of de publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in het vorige lid dient de aanwending voor doeleinden van algemeen belang aan te vatten binnen een termijn van vijf jaar. »
12 april 2011.
| Bart LAEREMANS Yves BUYSSE Filip DEWINTER Anke VAN DERMEERSCH. |