5-1025/1

5-1025/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

12 MEI 2011


Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 110 van de Grondwet

(Ingediend door de heer Guido De Padt)


TOELICHTING


Het genaderecht is een koninklijk voorrecht dat is ingesteld bij artikel 110 van de Grondwet : « De Koning heeft het recht de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen, behoudens hetgeen ten aanzien van de ministers en van de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen is bepaald. »

Het prerogatief van de Koning om genade te verlenen stond in de loop van de geschiedenis meermaals op de helling. Tijdens de periode van de Franse Revolutie werd het genaderecht geschrapt uit de Code pénal. Men wilde zich vooral keren tegen de alleenheerschappij van de adel en de Koning en dus was een dergelijk groot koninklijk prerogatief geen optie voor de grondwetgevers van die tijd. Ook in de jonge Belgische Staat werd het monarchistisch karakter van de instelling genade in vraag gesteld. Het Voorlopig Bewind installeerde bij besluit van 19 november een Genadecommissie samengesteld uit de kamervoorzitters en de procureur- generaal van het Hof te Brussel. Op 14 januari 1831 weigerde de Grondwettelijke Vergadering, het Nationaal Congres, de Commissie definitief te installeren. De uitoefening van het genaderecht werd daarom een exclusieve bevoegdheid van de vorst, één van zijn belangrijkste prerogatieven. België was hiermee de vreemde eend in de bijt : in Frankrijk werd het recht van genade toegekend aan de president en in Nederland werd het een expliciete bevoegdheid van de regering.

De Belgische grondwetgever meende dat in het licht van de vooropgestelde doelstelling van wederzijdse controle tussen de machten de Koning de bevoegdheid moet toekomen om te oordelen over een mogelijke strafvermindering. Mast en Dujardin stellen daarover : « De strakke toepassing van de strafwet, die met de oneindige verscheidenheid van de gevallen geen rekening houdt, kan in bepaalde omstandigheden te streng en onbillijk zijn. Strenge veroordelingen die, toen zij werden uitgesproken, rechtvaardig leken te zijn, kunnen nadien overdreven blijken. In de uitoefening van het genaderecht wordt het middel gevonden om in die gevallen, de toepassing van de uitgesproken veroordeling te verzachten. »

In zijn huidige vorm draagt het genaderecht echter niet bij tot een behoorlijke strafbedeling. Willekeur is nooit veraf, aangezien de Koning bij het inwilligen van een genadeverzoek door geen enkele procedure of voorwaarde gebonden is. In de praktijk worden wel bepaalde regelen in acht genomen die zijn opgenomen in verschillende circulaires waarvan die van 23 februari 1899 houdende de algemene verordering voor het uitoefenen van het recht van genade en de omzendbrief van 1999 door Marc Verwilghen als belangrijkste beschouwd worden. Een wettelijke regeling is er evenwel niet, waardoor de Koning het recht van genade min of meer naar eigen goeddunken kan uitoefenen. Het genaderecht is hierdoor verzeild geraakt in een sfeer van politiek dienstbetoon. Het verschil tussen Vlaanderen en Wallonië wat betreft het inwilligen van verzoeken getuigt hiervan (de voorbije drie jaar werden respectievelijk 6 %, 1,9 % en 2,9 % van de Nederlandstalige genadeverzoeken ingewilligd. Aan Franstalige kant was dit 18 %, 15,5 % en 10,1 %).

De indiener van dit voorstel meent dat :

— het koninklijk prerogatief om genade te verlenen een achterhaalde praktijk is. Genade wordt in de toekomst beter bij de bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbanken gevoegd, zoals men heeft gedaan met de voorwaardelijke invrijheidstelling en de terbeschikkingstelling. Op deze manier spreekt de rechterlijke macht zich niet alleen uit over de straffen maar heeft ze ook vat op de uitvoering ervan;

— de procedure en voorwaarden voor genade wettelijk geregeld moeten worden. Dit heeft als voordeel dat er beslissingscriteria worden aangebracht die orde op zaken kunnen stellen in tot op heden al te ondoorzichtig gebleven besluitvormingsprocessen.

Guido DE PADT.

VOORSTEL VAN VERKLARING


De Kamers verklaren dat er redenen zijn tot herziening van artikel 110 van de Grondwet.

10 maart 2011.

Guido DE PADT.