5-63COM

5-63COM

Commission des Finances et des Affaires économiques

Annales

MERCREDI 27 AVRIL 2011 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Bert Anciaux au vice-premier ministre et ministre des Finances et des Réformes institutionnelles sur «la faillite de la Sabena et la préservation des intérêts de l'État belge» (nº 5-569)

M. le président. - M. Bernard Clerfayt, secrétaire d'État à la Modernisation du Service public fédéral Finances, à la Fiscalité environnementale et à la Lutte contre la fraude fiscale, répondra.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Mijn vorige vraag om uitleg van 16 februari 2011 over de schadeclaims van de Belgische staat in het kader van de afhandeling van het faillissement van Sabena, oogstte een nietszeggend en ontmoedigend antwoord. Het bleef daarbij totaal onduidelijk of de minister enige stappen zette om de belangen van de Belgische staat in deze complexe zaak te vrijwaren. Hij gaf een afwachtende indruk, in het ongewisse blijvend tot er een uitspraak zou komen over de afhandeling van het faillissement, alles overlatend aan de curator. Deze passieve houding lijkt niet in overeenstemming met de plicht van de minister om alles in het werk te stellen om de belangen van de Belgische staat te vrijwaren en met inzet van alle krachten te ijveren voor de vergoeding van de vele honderden miljoenen die dit faillissement onze gemeenschap kostte. Het lijkt er zelfs op dat de minister geen pogingen ondernam om de schadeclaim van 700 miljoen euro ook daadwerkelijk terug te vorderen. Bovendien klinkt het billijk dat de Belgische staat, bovenop deze schadeclaim, ook een bijzonder hoog bedrag kan en moet terugvorderen voor de betaling van de werkloosheidsuitkeringen en andere vergoedingen tengevolge van dit faillissement.

De minister, als beheerder van de schatkist, mag niet lijdzaam toezien. Hij heeft de verplichting om actief en met kracht en overtuiging initiatieven te nemen en deze ook vol te houden. De uitspraak van het hof van beroep maakt duidelijk dat dit faillissement niet normaal verliep. Er is wellicht sprake van een frauduleus faillissement, waarbij Sabena, al dan niet met medeweten van het eigen management en de Raad van bestuur en al dan niet met medeweten van de toenmalige regeringen en eerste ministers, ministers van mobiliteit en overheidsbedrijven, voor vele honderden miljoenen euro werd opgelicht door Swissair en aanverwante bedrijven. Deze vaststellingen verplichten de staat om juridische acties te ondernemen. Deze situatie vraagt ten minste om een klacht met burgerlijke partijstelling bij het parket wegens frauduleus faillissement. Het lijkt even vanzelfsprekend dat nu reeds wordt gewerkt aan het opstellen en bewijzen van de schadeclaims en dat hiervoor een vordering wordt ingediend bij de curator en de rechtbank. Het nu gewoon passief afwachten leidt misschien naar een te beperkte recuperatie bij de mogelijke en vermoedelijke verantwoordelijken van deze leegroof.

Wat ondernam de minister om de belangen van de Belgische staat te vrijwaren in het dossier van het faillissement van Sabena? Werden hieromtrent schadeclaims ingediend? Werd een klacht met burgerlijke partijstelling ingediend bij het parket of de onderzoeksrechter te Brussel? Bestaat er een overleg binnen de regering, in samenwerking met de administratie, om onze belangen optimaal te verdedigen? Beschikt de minister over een uitgekiende, krachtige juridische strategie? Hebben de minister en de staat zich laten adviseren door experts? Zo ja, welke, wanneer en met welke resultaten? Zo niet, vinden de minister en de regering deze uitdaging niet voldoende relevant? Hoe groot schat de Belgische staat de schade die rechtstreeks en onrechtstreeks wordt toegeschreven aan het faillissement en de leegroof van Sabena? Hoe groot wordt de schade geschat ingevolge de opvolging van de ex-werknemers van Sabena door de sociale zekerheid?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de minister van Financiën.

Uw vraag is zeer precies. Ik beschik over heel wat informatie. Ik stel voor nu een aantal elementen daarvan te geven en u het volledige antwoord schriftelijk over te maken.

Toen u mij daarover in februari interpelleerde, heeft u een aantal elementen van antwoord gekregen.

Ik zal nu een overzicht geven van alle gerechtelijke stappen die de Belgische staat zowel voor als na de uitspraak van het faillissement van Sabena in België en Zwitserland ondernam.

Op 3 juli 2001 hebben de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen, de FPIM en Zephyr-Fin, zich tot het Belgische gerecht gewend om SAirGroup en SAirLines te verplichten hun contractuele en financiële verplichtingen ten aanzien van Sabena na te komen. Op 2 augustus 2001, enkele dagen voor de inleidende zitting, hebben de hoofdrolspelers een overeenkomst van dading gesloten, het zogenaamde hotelakkoord in Hotel Astoria.

Op 2 november 2001 hebben de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen SAirGroup en SAirLines een tweede maal voor het Belgische gerecht gedaagd, hoofdzakelijk om hen te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding voor de fouten die de Zwitserse vennootschappen begaan hebben bij de uitvoering van de verschillende overeenkomsten die tussen 1995 en 2001 werden ondertekend.

De Brusselse handelsrechtbank sprak haar vonnis uit op 20 november 2003. Daarin staat dat er weliswaar nalatigheden bij SAirGroup en SAirLines vastgesteld zijn, maar dat de Belgische staat geen schadevergoeding krijgt.

De schadeclaims die de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen bij het hof van beroep indienden, hebben voornamelijk betrekking op de investeringsverliezen tussen 1995 en 2001, maar ook op reputatieschade van de Belgische staat voor een bedrag van 100 miljoen euro, het ten laste nemen van de sociale kosten als gevolg van het faillissement van Sabena voor een bedrag van 25 miljoen euro en een voorschot van 50 miljoen euro voor de FPIM, het ten laste nemen van de huurkosten voor een vluchtsimulator (189 628,29 euro) en het verlies van de kans om de investeringen van voor 1995 te redden (geraamd op 400 miljoen euro).

In zijn arrest van 27 januari 2011 deed het hof van beroep een definitieve uitspraak over verschillende eisen van de Belgische staat. Over andere eisen deed het nog geen uitspraak in afwachting van de afloop van de nog steeds hangende strafprocedure in België.

Na het faillissement van Sabena werd immers een strafrechtelijk onderzoek ingesteld na klachten met burgerlijke partijstelling door ex-piloten van Sabena. Dat onderzoek is nog niet gesloten.

Het Brusselse hof van beroep zal het onderzoek van het dossier dus pas na afloop van die strafprocedures voortzetten, aangezien het van oordeel is dat een groot deel van de schadeclaims van de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen lijkt voort te vloeien uit de uitdieping van het nog lopende strafonderzoek.

Aangezien de andere schadeclaims van de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen door het Brusselse hof van beroep zijn verworpen, wordt onderzocht of het opportuun is in cassatie te gaan tegen de ongunstige bepalingen van het arrest.

In tegenstelling tot wat de heer Anciaux in zijn vraag om uitleg beweert, heeft het Brusselse hof van beroep zich nog niet uitgesproken over de vraag of het faillissement van Sabena frauduleus was, aangezien de strafrechter nog over die vraag moet oordelen.

Daarentegen legt het hof van beroep de verantwoordelijkheid in het faillissement van Sabena uitsluitend bij de Zwitserse vennootschappen van de groep Swissair en hun vertegenwoordigers, voor de fouten die bij de uitvoering van de overeenkomsten zijn begaan.

Tot zover de toestand in België. Dan kom ik bij het Zwitserse deel van het dossier.

Parallel met de procedure voor het Belgische gerecht hebben de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen in Zwitserland hun schuldvorderingen aangegeven in de concordaten van SAirGroup en SAirLines; die schuldvorderingen werden in mei 2003 geüpdatet. Globaal genomen komen die schuldverklaringen overeen met de schadeclaims bij het Belgische gerecht.

De vereffenaars van SAirGroup en SAirLines hebben de schuldvorderingen verworpen, via de ordonnanties van juli en oktober 2006. De Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen hebben die beslissingen betwist door in beroep te gaan waar het Zwitserse recht hen dat toeliet.

Op 22 februari 2011 deed de Zwitserse rechter bij wie de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen in beroep gegaan waren tegen de beslissing van de Zwitserse vereffenaars om hun schuldvorderingen te verwerpen, een uitspraak. Dat is de eerste Zwitserse uitspraak over de vraag of de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen ten aanzien van SAirGroup en SAirLines schuldvorderingen hebben. De Zwitserse rechter heeft alle schadeclaims van de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen zonder meer verworpen met een duidelijk aanvechtbare motivering.

De Belgische staat onderzocht of het opportuun was om bij de bevoegde Zwitserse rechtsinstanties tegen die uitspraak in beroep te gaan, aangezien de beroepstermijn op 1 april verstreek. Inmiddels werd een beroep ingesteld.

Op 13 maart 2006 dienden de Belgische staat en zijn investeringsmaatschappijen ook een strafrechtelijke klacht in tegen de ex-bestuurders van SAirGroup en SAirLines, meer bepaald wegens oplichting en onjuiste informatie over de handelsondernemingen, valsheid in de titels en schending van de boekhoudplicht.

De strafprocedure in Zwitserland, die in twee dossiers was opgesplitst, leidde nergens toe.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik heb alleszins begrepen dat noch het strafdossier, noch het faillissementsdossier is gesloten. Het hof van beroep heeft inderdaad niet gesteld dat het om een frauduleus faillissement ging. Ik heb dat ook niet beweerd; ik heb er enkel op gewezen dat het hof van beroep oordeelde dat er wellicht onregelmatigheden zijn gebeurd die kunnen leiden tot de beoordeling dat het faillissement frauduleus is verlopen. Hierover is inderdaad nog geen uitspraak gedaan.

Ik hoop dat wel degelijk beroep is aangetekend tegen het vonnis van de Zwitserse rechtbank. Mocht dat beroep niet het gewenste resultaat opleveren, dan hoop ik dat de zaak na uitputting van alle interne rechtsmiddelen voor een Europees of internationaal rechtscollege wordt gebracht. Veel mensen hebben immers vragen bij de objectiviteit van de Zwitserse rechtbanken in dit dossier.

Ik blijf dat dossier volgen.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - We wachten alleszins het resultaat van de Zwitserse justitie af.