5-862/1

5-862/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

17 MAART 2011


Wetsvoorstel houdende diverse maatregelen ter bevordering van een verantwoorde staatshuishouding

(Ingediend door mevrouw Anke Van dermeersch c.s.)


TOELICHTING


De belastingdruk in België behoort tot de hoogste ter wereld. Desondanks is België het land met verhoudingsgewijs de hoogste staatsschuld van de wereld. Hoewel de Belgen aan de Staat veel meer afdragen dan hun buren in het buitenland, komt de Belgische Staat met de gelden die hij binnenkrijgt veel minder toe dan de buurlanden. Wij dragen immers een zware last van het verleden.

Een significant percentage van de overheidsuitgaven wordt besteed aan interestbetalingen op vroeger aangegane schulden. In het verleden heeft de overheid vele schulden gemaakt zonder zich te bekommeren om het feit dat hiermee de toekomst van het land werd gehypothekeerd. De Belgen doen vandaag boete voor het politieke beleid van de voorbije twee decennia. Het ziet er naar uit dat de Belgen nog tot ver in de 21e eeuw zullen betalen voor een beleid waarbij tussen het midden van de jaren '70 en het eind van de jaren '80 enorme overheidsschulden werden opgebouwd.

De overheid moet er zich voor hoeden in de verleiding te vervallen de kosten van het huidige beleid af te schuiven op een toekomstige generatie door vandaag méér geld uit te geven dan zij ontvangt en het tekort aan te vullen met leningen. Er moet gestreefd worden naar een overheidsbegroting die minstens in evenwicht is.

Dit is niet alleen economisch raadzaam, maar eveneens een morele plicht. Bovendien is het een democratische vereiste. Wij mogen toekomstige generaties niet verplichten tot het betalen van belastingen om de kosten van een politiek beleid te financieren waarmee zij nooit hebben ingestemd. Door belastingen op te leggen om een beleid te financieren waarvoor diegene die de belastingen betaalt, nooit zijn politieke toestemming heeft gegeven, wordt immers het fundamentele democratische principe « no taxation without representation » geschonden. Overheidsdeficits leiden via de belastingverplichtingen die zij de volgende generatie opleggen in de nabije toekomst onvermijdelijk tot een ernstig democratisch deficit.

Een beleid, zoals het huidige, dat erop gericht is om in België pas tegen het jaar 2014 het op Europees niveau aanvaardbaar geachte peil van een staatsschuld van 60 % van het bruto binnenlands product (bbp) te bereiken, impliceert dat dan nog steeds schulden afbetaald zullen worden voor een politiek beleid dat veertig jaar voordien, vanaf het jaar 1974, budgettair is ontspoord. De in 2014 veertigjarige belastingbetaler zal fiscaal nog steeds te lijden hebben onder de kostprijs van politieke beslissingen die genomen werden vóór 1992, het jaar waarin deze belastingbetaler de leeftijd van achttien jaar bereikte en een politieke stem verwierf.

Wij moeten ons dringend bezinnen over de manieren waarop wij dit democratisch deficit kunnen beperken. Dit kan bijvoorbeeld door ouders met kinderen bij de verkiezingen per kind een bijkomende stem te verlenen. Op deze manier krijgt elke Belg reeds vanaf de geboorte een politieke stem. Hoewel die stem door een ouder of voogd namens hem zal worden uitgeoefend tot het ogenblik dat hij meerderjarig is geworden, zullen politici erdoor aangespoord worden meer rekening te houden met de belangen van de volgende generatie.

De huidige politieke generatie zou er eveneens toe aangespoord moeten worden de kosten van het huidige politieke beleid op zich te nemen. De verleiding om de kosten van het beleid door te schuiven naar de toekomst dient te worden beperkt. Vandaag is deze verleiding zeer groot omdat degenen die de politieke beslissing nemen om méér geld uit te geven dan de overheid ontvangt, daarvan persoonlijk geen enkel nadeel ondervinden.

Om staatsschuld hinderlijk te maken voor de overheid dringen zich maatregelen op die de staatsbestuurders pijn doen als zij met een begrotingsdeficit willen werken. Vandaar onderhavig voorstel waardoor de jaarwedde van alle parlementsleden automatisch verminderd wordt met hetzelfde percentage als het jaarlijkse begrotingstekort en die van de regeringsleden en hun politiek benoemde kabinetsmedewerkers met twee keer dat percentage. De goedkeuring door het Parlement van een begroting met een deficit van 3 % betekent dan dat de parlementsleden 3 % op hun inkomen inleveren en de ministers en hun kabinetsleden 6 %. Het bedrag waarmee de wedde wordt verminderd, wordt gestort in een fonds tot delging van de staatsschuld. In het voorstel is een mechanisme ingebouwd waardoor de impact van deze weddevermindering steeds groter wordt indien gedurende opeenvolgende jaren met een deficit wordt gewerkt.

De symboliek van dit wetsvoorstel zal niemand ontgaan. De bedoeling is het werken met overheidsdeficits te ontmoedigen. Bovendien herinnert het er de parlementsleden, de ministers en staatssecretarissen en de leden van de politieke kabinetten voortdurend aan dat zij werken met het geld van anderen, namelijk burgers die moeten zwoegen om de staat van zijn belastingsinkomsten te voorzien.

De inhouding op de vergoeding van de leden van Kamer van volksvertegenwoordigers en Senaat en op de uitgaven voor de bezoldiging en werkingskosten van de leden van de federale regering en hun kabinetten gebeurt middels een voorheffing. Het (bruto-)bedrag blijft aldus gelijk, maar een gedeelte ervan moet gestort worden in een fonds voor de delging van de staatsschuld en zal bijgevolg aangewend worden om een deel van de bestaande staatsschuld af te bouwen.

De voorheffing is verschuldigd door alle parlementsleden, zowel die welke behoren tot de regeringspartijen als die welke behoren tot de oppositie. We gaan er immers van uit dat het Parlement in zijn geheel verantwoordelijk is voor de goedgekeurde begroting.

De voorheffing op de bezoldiging en werkingskosten van regeringsleden en hun kabinetten is dubbel zo groot als die van de parlementsleden omdat hun verantwoordelijkheid als rechtstreekse opstellers van een deficitaire begroting groter is dan die van de parlementsleden.

Om te beletten dat de heffingen omzeild worden door parlementaire vergoedingen, ministeriële bezoldigingen en kabinetswerkingskosten op te trekken, wordt het bedrag van de inhoudingen berekend op de gemiddelde vergoedingen, bezoldigingen en werkingskosten die parlementsleden, regeringsleden en kabinetten ontvingen in de jaren die verlopen zijn sinds de jongste verkiezingen. Het aan parlementsleden, regeringsleden en kabinetten uitgekeerde bedrag mag niet groter zijn dan het bedrag van dit gemiddelde min de inhouding.

Bij de berekening van dit gemiddelde worden eventuele inhoudingen die de voorgaande jaren gebeurden omwille van de aanvaarding van deficitaire begrotingen, wel degelijk meegerekend. Vandaar dat artikel 2, § 2, 1º, van onderhavige tekst spreekt van « rekenkundige gemiddelden van vergoedingen en uitgaven, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, toegekend sinds de meest recente algemene verkiezingen ». Op deze manier krijgt bij opeenvolgende begrotingsdeficits de inhouding op de politieke wedde een steeds grotere impact. Er is sprake van een « sneeuwbaleffect » dat aanhoudt tot de volgende verkiezingen.

Het percentage van de inhoudingen komt bij de parlementsleden overeen met het percentage van het overheidstekort in de voorgestelde begroting en bij de regeringsleden en kabinetten met het tweevoud daarvan. Het percentage van het overheidsdeficit is echter steeds een raming. Het werkelijke tekort wordt immers pas bekend wanneer het begrotingsjaar goed en wel voorbij is. Om te verhinderen dat de regering het overheidsdeficit onderschat om aldus de inhoudingen eveneens beperkt te houden, is in een sanctie voorzien ingeval de netto-financieringsbehoefte groter blijkt dan geraamd.

Deze sanctie geldt enkel voor de uitgaven voor de bezoldiging van de leden van de federale regering. De sanctie behelst de aanpassing van de inhoudingen aan het werkelijke tekort, met dien verstande dat het verschil tussen het begrote en het werkelijke tekort niet slechts het tweevoud, maar het viervoud bedraagt.

Het zullen de regeringsleden die de begroting met het onderschatte tekort hebben ingediend zelf zijn die gestraft zullen worden, en niet hun opvolgers na een eventuele regeringswissel.

Indien de begroting een overschot zou vertonen, of indien begrotingstekorten na afloop van het begrotingsjaar overschat bleken te zijn, wordt de wedde van de politici niet opgetrokken krachtens onderhavig voorstel. Parlement en regering worden in dat geval geacht enkel hun plicht te hebben gedaan en de staathuishouding als een goede huisvader te hebben beheerd.

Anke VAN DERMEERSCH
Yves BUYSSE
Filip DEWINTER.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

§ 1. Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers een rijksmiddelenbegroting en algemene uitgavenbegroting goedkeurt waaruit overeenkomstig de normen van het Europese stelsel voor economische rekeningen een positieve financieringsbehoefte blijkt, zijn van rechtswege, met ingang van de eerste maand van het jaar waarop de vermelde begrotingen betrekking hebben, voorheffingen tot delging van de staatsschuld verschuldigd op de aan de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en Senaat toegekende vergoedingen, alsmede op de uitgaven voor de bezoldigingen en de werkingskosten van de leden van de federale regering en hun kabinetten.

§ 2. Het bedrag van de voorheffingen zal gelijk zijn aan het verschil tussen de begrote en de aangepaste bedragen, die berekend worden als volgt :

1º als basis voor de berekening van de aangepaste bedragen van de vergoedingen toegekend aan de leden van de Kamer en Senaat geldt het laagste van of (i) het begrote bedrag, of (ii) het bedrag bekomen door de begrote bedragen te vervangen door de rekenkundige gemiddelden van de respectieve overeenstemmende vergoedingen en uitgaven, in voorkomend geval aangepast overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, toegekend sinds de meest recente algemene verkiezing van de leden van de Kamer en de Senaat. De aldus berekende basis wordt vervolgens verminderd met het percentage dat overeenstemt met de nettofinancieringsbehoefte uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands produkt van het laatste jaar waarvan de gegevens bekend zijn; het aldus bekomen resultaat is het hogervermelde aangepaste bedrag;

2º de aangepaste bedragen van de uitgaven voor de bezoldigingen en de werkingskosten van de leden van de federale regering en hun kabinetten worden op dezelfde wijze berekend, met dien verstande evenwel dat het percentage waarmee de rekenkundige gemiddelden verminderd worden het dubbele bedraagt van het percentage toegepast in 1º met betrekking tot de vergoedingen van de leden van de Kamer en de Senaat.

§ 3. De voorheffingen worden ingehouden aan de bron, op het ogenblik van de betaling, en door de betalende organismen gestort in een fonds voor de delging van de staatsschuld.

Art. 3

Indien uit een algemene rekening van de Staat blijkt dat de werkelijke nettofinancieringsbehoefte groter was dan kon worden afgeleid uit de begrotingen voor het jaar waarop de rekening betrekking heeft, zullen vanaf de aanvang van het begrotingsjaar volgend op het overleggen van de vermelde rekening, door de leden van de federale regering die de hogervermelde begrotingen heeft ingediend — ook al zijn alle, één of meer van deze leden niet langer in functie — bijkomende, na te betalen, voorheffingen verschuldigd zijn op hun bezoldiging tijdens het voorafgaande jaar. Daartoe worden de aangepaste bedragen vermeld in artikel 2, § 2, 2º, gecorrigeerd ten belope van het verschil tussen de begrote en de werkelijke netto-financieringsbehoefte overeenkomstig de berekeningswijze bepaald in artikel 2, § 2, 2º, met dien verstande evenwel dat het percentage waarmee de rekenkundige gemiddelden verminderd worden het viervoud bedraagt van het percentage bekomen door toepassing van artikel 2, § 2, 1º.

Art. 4

De minister die de Begroting in zijn bevoegdheid heeft treft alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van deze wet.

Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

11 maart 2011.

Anke VAN DERMEERSCH
Yves BUYSSE
Filip DEWINTER.