5-814/1

5-814/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

22 FEBRUARI 2011


Wetsvoorstel tot opheffing van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie

(Ingediend door mevrouw Anke Van dermeersch c.s.)


TOELICHTING


Op 1 maart 2002 nam de Ministerraad de beslissing om de eerste kerncentrale vanaf 2015 te sluiten om zo het einde van het atoomtijdperk door te drukken. Deze beslissing, alsook de rechtvaardiging, is volgens de indieners van voorliggend wetsvoorstel niet gebaseerd op rationele feiten. De motieven om de kerncentrales na veertig jaar dienst te sluiten, waren noch van economische of technische, noch van wetenschappelijke of ecologische aard. Integendeel, de indieners van dit wetsvoorstel zijn van oordeel dat deze beslissing eerder op basis van ideologische motieven is genomen.

Op 5 december 2002 heeft de blauw-rood-groene meerderheid in de Kamer van volksvertegenwoordigers en op 16 januari 2003 in de Senaat beslist dat de zeven kerncentrales in dit land na veertig jaar dienst niet meer mogen gebruikt worden en ontmanteld moeten worden. Er werd dus anno 2002 een beslissing genomen die pas over dertien jaar zal uitgevoerd worden. Bovendien stelt de wet welke installaties in de toekomst geen elektriciteit meer mogen opwekken, maar zegt zij niet op welke manier het tekort moet opgevangen worden. Op basis van de huidige technologische ontwikkelingen is het een utopie om te denken dat de toepassing van hernieuwbare energiebronnen (zoals wind-, water- en zonne-energie) kan zorgen voor een compensatie van het energietekort dat zal ontstaan door de sluiting van de kerncentrales. Om redenen die verband houden met het wisselvallige karakter der natuurelementen (wind, water, zon, ...), zal het overigens steeds noodzakelijk zijn om in dit land conventionele productiecapaciteit in reserve te houden om de schommelingen in de stroomproductie van de hernieuwbare energiebronnen op te vangen.

Ter illustratie. In 2015 moeten drie van de zeven kernreactoren voorgoed worden stilgelegd. Het betreft de centrales van Doel 1, Doel 2 en Tihange 1. Einde 2001 vertegenwoordigden zij een gezamenlijk vermogen van 1 747 MW of 11,25 % van het vermogen van alle elektriciteitscentrales, windmolens inbegrepen. Tussen 2015 en 2025 zullen de overblijvende kernreactoren (met name Doel 3, Doel 4, Tihange 2 en Tihange 3) stilgelegd worden. Hierdoor zal tegen 2025 de productiecapaciteit bijkomend met 3 991 MW moeten verminderen. De sluiting zal bijgevolg tot een aanzienlijk energietekort leiden. Bovendien leveren windmolens geen vierentwintig uur op vierentwintig uur stroom. Te land levert een windmolen gemiddeld slechts zes uur per dag stroom, voor een windmolen in zee bedraagt dit gemiddeld acht uur per dag.

Het is de verdienste geweest van de Commissie voor de analyse van de productiemiddelen van elektriciteit en de reoriëntatie van de energievectoren (AMPERE) om in haar rapport van oktober 2000 aanbevelingen te formuleren omtrent de elektriciteitsproductie tot 2020. In haar aanbeveling aangaande de elektriciteitsproductie uit kernenergie is de Commissie van oordeel dat « men de electronucleaire optie moet openhouden voor de toekomst, in een context waar koolwaterstoffen (waaronder aardgas) steeds maar duurder worden en omdat de exploitatie van kernenergie geen broeikasgassen uitstoot. Hiertoe moet men de nationale knowhow in de electronucleaire sector op peil houden, zowel privé als publiek, en ook deelnemen aan het onderzoek en de overwegend private ontwikkeling van de toekomstgerichte procédés. »

Tijdens de bespreking van het wetsontwerp aangaande de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie in Kamer en Senaat is tevens gebleken dat er momenteel geen nationaal uitrustingsplan bestaat waarin wordt vastgelegd hoeveel centrales er in de toekomst nodig zijn, van welke type deze kunnen zijn, welke hun capaciteit zou moeten zijn en welke energievormen er nodig zijn om in onze toekomstige energiebehoefte te voorzien. De overheid heeft momenteel geen plan dat het energiebeleid voor de toekomst vastlegt en het ontbreekt tevens aan scenario's inzake de alternatieven zoals STEG-centrales, REG-initiatieven (Rationeel Energie gebruik), WKK-toepassingen (warmte krachtkoppeling) en HEB-parken (herbruikbare energiebronnen). Hoe in het volgende decennium de stroomvoorziening moet verzorgd worden, blijft bijgevolg een groot vraagteken.

Een ander belangrijk element in de hele discussie rond de geleidelijke uitstap uit de kernproductie is het verhaal rond het verplicht verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Door de kerncentrales te sluiten, wordt een energievorm afgestoten die geen impact heeft op het broeikaseffect. Iedere bijkomende gas- of aardoliecentrale — al dan niet in gecombineerde vorm — zal onvermijdelijk leiden tot een toename van de uitstoot van broeikasgassen. We mogen toch niet vergeten dat dankzij het hoge aandeel van kernenergie in de elektriciteitsproductie dit land slechts 307 gram koolstofdioxide per geproduceerde kilowattuur (kWh) uitstoot. Dit is lager dan het Europees gemiddelde. Denemarken dat met zijn vierduizend windmolens het grootste aandeel windenergie heeft van heel Europa, stoot 791 gram CO2 uit per kWh. Duitsland — ook een land met een aanzienlijke elektriciteitsproductie via windenergie — zit aan 588 gram CO2 per kWh. Bovendien is er de vaststelling dat de CO2-vrije alternatieve energievormen voor kernenergie gevoelig duurder zijn in kostprijs en uitbating en dat daarenboven het potentieel in dit land eerder beperkt is gezien de beperkte beschikbaarheid aan vrije ruimte en de korte kustlijn.

Het pro- en contradebat inzake kernenergie evolueert stilaan naar de overtuiging om kernenergie niet uit te sluiten van het energiedebat. Voor steeds meer mensen, specialisten en niet-specialisten, politici en beleidsmakers blijft kernenergie een optie. Zeker in het kader van het debat rond de energiebevoorrading en de wijze om deze in de toekomst te verzekeren. Zo nam de Finse regering in januari 2002 de principiële beslissing tot de bouw van een vijfde kerncentrale. Bij deze beslissing was het bereiken van de gestelde klimaatnormen, de kostprijs, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening evenals de onafhankelijkheid van buitenlandse energievoorziening van doorslaggevend belang.

Op Europees vlak is kernenergie met honderdvijfenveertig reactoren goed voor 35 % van de elektriciteitsproductie. Daarmee is zij Europa's grootste primaire energiebron, vóór steenkool, gas en aardolie. De Europese Commissie publiceerde op 26 juni 2002 een Groenboek met als titel « Op weg naar een Europese strategie voor een continue energievoorziening ». In dat Groenboek wordt gepleit voor een brede diversificatie van energiebronnen. Vermits kernenergie onontbeerlijk is om de energievoorziening van Europa veilig te stellen, dient de nucleaire optie open te blijven.

Het afschrijven van kernenergie zou betekenen dat Europa 35 % van zijn elektriciteitsproductie uit conventionele en hernieuwbare energiebronnen moet halen. Op basis van de huidige stand van zaken is dit onhaalbaar. Wenst men tot een realistische energiemix te komen die tevens bevoorradingszekerheid kan garanderen, dan dient kernenergie als optie open te blijven. Slechts op die manier kan energieopwekking via een gedifferentieerd, performant en flexibel productiepark bijdragen tot kleinere afhankelijkheid van fossiele brandstoffen.

De indieners zijn van oordeel dat de nucleaire optie helemaal geen optie in het luchtledige is.

Niet alleen de discussie van de mogelijke opwarming van de aarde door de CO2-uitstoot is een argument pro-kernenergie omdat er bij het opwekken van energie uit uranium relatief veel minder CO2 wordt uitgestoten dan bij een aantal klassieke en alternatieve energiebronnen. Ook de geopolitieke situatie speelt een rol. Hierbij stelt zich de vraag : hoe lang willen we afhankelijk blijven van politiek instabiele regio's voor onze fossiele brandstoffen.

Bovendien mogen we niet vergeten dat we in de Kempense nucleaire cluster over de afgelopen decennia heel wat technologische kennis en ervaring hebben opgedaan, zowel wat de ontwikkeling van nieuwe kerntechnologieën en veiligheidssystemen betreft als de kennis inzake de verwerking van zowel laag- als hoog radioactief afval. Wat niet belet dat de regering initiatieven moet nemen om jonge mensen aan te zetten opleidingen te volgen in moderne energiesystemen.

Het is dus niet alleen noodzakelijk om de huidige kerncentrales langer open te houden, er dient ook absoluut geïnvesteerd te worden in de technologieën die toepasbaar zijn in toekomstige reactortechnologieën. Dat wil evenwel niet zeggen dat de indieners zich verzetten tegen de uitbouw en ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen. De ontwikkeling van de ene hoeft niet ten koste te gaan van het andere. Een nationaal energiebeleid moet immers samengesteld zijn uit een evenwichtige mix van energiebronnen waardoor de continuïteit inzake voorziening een belangrijke prioriteit is en blijft. Zowel kernenergie als andere energiebronnen zullen in de komende jaren, een plaats en een rol spelen in de invulling van onze energiebehoefte.

De indieners van onderhavig wetsvoorstel zijn bijgevolg van oordeel dat de beslissing aangaande de wet houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie ondoordacht en onverantwoord is. Het doel van voorliggend wetsvoorstel sterkt er toe om deze wet op te heffen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Dit artikel beoogt de opheffing van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie op grond van de in de algemene toelichting aangehaalde motieven.

Anke VAN DERMEERSCH
Yves BUYSSE
Filip DEWINTER
Bart LAEREMANS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

De wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie wordt opgeheven.

22 februari 2011.

Anke VAN DERMEERSCH
Yves BUYSSE
Filip DEWINTER
Bart LAEREMANS.