5-734/1 | 5-734/1 |
31 JANUARI 2011
Artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt het volgende :
« Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt.
« Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling, belast met het toepassen van de wetten en verordeningen bedoeld in de artikelen 580, 581 en 582, 1º en 2º, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen.
Met sociaal verzekerden worden bedoeld : de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7º van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het « Handvest » van de sociaal verzekerde. [...]. »
Het uitgangspunt van dit artikel is dus dat van de veroordeling tot betaling van de kosten, die in principe ten laste komen van de verliezende partij.
De wetgever heeft wel voorzien in een uitzondering op dat systeem, wanneer het gaat om een geschil tussen een werknemer en de overheid of instantie die wordt geacht de sociale wetten toe te passen (1) . In dat geval zijn de gerechtskosten altijd ten laste van de betrokken overheid of instantie, behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is.
Deze uitzondering is gebaseerd op de uitdrukkelijke wens van de wetgever om te voorkomen dat een werknemer een ontoereikende schadevergoeding zou moeten aanvaarden vanwege de betrokken overheid of instantie, uit vrees om anders na afloop van het proces veroordeeld te worden tot het betalen van de gerechtskosten.
Men stelt echter vast dat deze uitzondering niet van toepassing is wanneer de sociaal verzekerde geen werknemer is maar lid van het statutair personeel van de openbare sector. In dat geval kan hij namelijk wel worden veroordeeld tot het betalen van de kosten.
Na een prejudiciële vraag over mogelijke discriminatie, heeft het Grondwettelijk Hof besloten dat het hier gaat om een ongelijke behandeling die niet redelijk te verantwoorden is, aangezien het risico om te worden veroordeeld tot het betalen van de kosten een even grote beperking van de rechtstoegang inhoudt voor de leden van het statutair personeel van de openbare sector, als voor de werknemers.
Het Hof wijst erop dat deze lacune de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie schendt.
Hoewel er nu een arrest is over de prejudiciële vraag (2) , blijft de bepaling in kwestie wel bestaan en kan de nodige wijziging alleen door een wetgevend initiatief worden geconcretiseerd.
Dat streeft dit voorstel na.
Artikel 2
Het artikel wijzigt de tekst van artikel 1017, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de uitbreiding van de bescherming waarin het tweede lid van dit artikel voorziet tot het statutair personeel van de openbare sector, met dien verstande dat de definitie van « sociaal verzekerden » zoals ze in dit lid wordt vermeld, alleen geldt voor de toepassing van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek.
| Philippe MAHOUX. Hassan BOUSETTA. Ahmed LAAOUEJ. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt het derde lid vervangen als volgt :
« Onder sociaal verzekerden in de zin van dit artikel dient te worden verstaan : de sociaal verzekerden in de zin van artikel 2, 7º van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het « Handvest » van de sociaal verzekerde enerzijds, en de leden van het statutair personeel van de openbare sector anderzijds. »
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
23 december 2010.
| Philippe MAHOUX. Hassan BOUSETTA. Ahmed LAAOUEJ. |
(1) Het gaat hier meer bepaald om de wetgeving inzake sociale zekerheid, gezinsbijslag, werkloosheid, verplichte verzekering voor ziekte en invaliditeit, rust- en overlevingspensioenen, jaarlijkse vakantie, bestaanszekerheid, sluiting van een onderneming, alsook de reglementen die sociale voordelen toekennen aan de werknemers en de leerlingen.
(2) Arrest nr. 18/2010 van 25 februari 2010 van het Grondwettelijk Hof, gewezen op prejudiciële vraag.