5-135/3 | 5-135/3 |
1 FEBRUARI 2011
I. INLEIDING
Het voorstel van resolutie ter versterking van de positie van de vrouw en haar rechten in Afghanistan is ingediend op 9 september 2010. Overeenkomstig artikel 24, § 1, van het reglement van de Senaat heeft de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging besloten over het voorstel van resolutie het advies van het Adviescomité voor Gelijke Kansen voor vrouwen en mannen te vragen.
Het Adviescomité heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 30 november 2010, 7 december 2010 en 1 februari 2011. Om een onderbouwd advies te kunnen verstrekken, heeft het Adviescomité op 7 december 2010 hoorzittingen gehouden. Op deze hoorzittingen waren de volgende personen aanwezig :
— de heer Alain Hanssen, Eerste Ambassadesecretaris, Dienst Zuid- en Oost-Azië en Oceanië, Federale Overheidsdienst (FOD) Buitenlandse Zaken;
— kolonel Jean-Paul Claeys, administratief en technisch secretariaat, ministerie van Landsverdediging;
— mevrouw Marion Van Offelen, gender-adviseur bij de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking;
— mevrouw Jennie Vanlerberghe, voorzitter Moeders voor Vrede;
— mevrouw Françoise Guilitte, verantwoordelijke van het programma « Droits des Femmes », Amnesty International Belgique francophone.
Op basis van de elementen die tijdens die hoorzittingen bekend werden, heeft het Adviescomité een advies uitgewerkt dat is besproken en aangenomen tijdens de vergadering van 1 februari 2011.
II. INLEIDENDE UITEENZETTING
Mevrouw Lijnen wijst erop dat in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging de discussie gevoerd is of dit voorstel niet beter tijdens de evaluatie van het Belgisch Nationaal Actieplan voor de implementatie van VN-Veiligheidsraadresolutie 1325 « Vrouwen, Vrede en Veiligheid » zou worden besproken. Hoewel beiden met elkaar te maken hebben, heeft indienster erop aangedrongen het voorstel van resolutie toch afzonderlijk te behandelen.
Spreekster wenst dieper in te gaan op de situatie in Afghanistan, aangezien daar Belgische troepen aanwezig zijn. De Afghaanse vrouw kent, doorheen de geschiedenis, een zeer moeilijke rol. Tijdens het communistische regime kende de vrouw in Afghanistan nog tamelijk veel rechten, maar deze zijn sindsdien zienderogen verminderd. Na het Talibanregime kregen vrouwen bepaalde rechten terug. Men merkt echter dat in de praktijk, de situatie schrijnend is.
Bovendien werden onlangs een aantal wetgevende initiatieven ondertekend door president Karzai. Een wetsvoorstel stelt expliciet dat een vrouw haar man geen seks mag weigeren, behalve als ze echt ziek is. Deze wet zou ook worden uitgebreid naar de soennitische meerderheid. De bedoeling is een reeks bepalingen van de sharia door het parlement te loodsen waardoor verkrachting van vrouwen binnen het huwelijk niet langer strafbaar zou zijn. Verder zouden vrouwen ook niet langer een beroep mogen uitoefenen of het huis buitengaan zonder toelating van hun man, zelfs niet voor een bezoek aan een arts.
De indieners zijn van mening dat dit allemaal tribale, middeleeuwse bepalingen zijn. Het baart hen zorgen dat dit soort wetgeving opnieuw wordt aangenomen in Afghanistan. Aangezien België troepen heeft in Afghanistan, vragen ze de regering :
1. het Afghaanse parlement en de Afghaanse regering op te roepen de aanwezigheid van vrouwen in het politieke en sociale leven in Afghanistan te verzekeren en hun rechten te beschermen;
2. op bilateraal niveau bij het Afghaanse parlement en de Afghaanse regering aan te dringen op het terugschroeven van de wet op de familie alsook de bepalingen die ingaan tegen de fysieke integriteit van de vrouw en haar bewegingsvrijheid inperken en tevens aan te geven dat onze verdere inspanningen afhankelijk zullen zijn van de verbetering van de positie van de Afghaanse vrouw in de samenleving en de economie;
3. bijzondere aandacht te besteden aan vrouwen en meisjes in de DDR-programma's (Demobilisation, Disarmament, Reintegration) in Afghanistan;
4. in Afghanistan prioriteit te geven aan drie uitdagingen :
a) de strijd tegen onveiligheid, niet alleen fysieke onveiligheid maar ook financiële onzekerheid bij de vrouwen en de kinderen;
b) de toekenning van duurzame steun aan het politieke proces waarbij quota voor vrouwelijke vertegenwoordiging op parlementair, uitvoerend en justitieel vlak aanbevolen worden;
c) het wijzigen van discriminerende wetten.
5. samen met de andere lidstaten van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) en naar Nederlands voorbeeld te werken aan de implementatie van resolutie 1325 in onze missies in Afghanistan, alsook wat betreft de ontwikkelingssamenwerking en de hulp aan de civiele maatschappij;
6. bij te dragen aan de totstandkoming van een bruikbaar handboek gender- en mensenrechten voor de missie van de International Security Assistance Force (ISAF);
7. te investeren in kennis en expertise van gender en conflict bij mannen én vrouwen wat betreft Afghanistan in de administraties van Buitenlandse Zaken, Ontwikkelingssamenwerking en Defensie;
8. binnen het hele spectrum aan crisisbeheersing en wederopbouw speciale aandacht te besteden aan het verbeteren van de positie van vrouwen in Afghanistan, niet alleen omdat vrouwen een kwetsbare groep vormen en hun problematiek vaak specifieke maatregelen vergt, maar ook vanuit de overtuiging dat het vergroten van betrokkenheid en zeggenschap van vrouwen bijdraagt tot het oplossen van conflicten en tot een veilige, stabiele en leefbare wereld;
9. zich er actief voor te blijven inzetten dat binnen het werk van ISAF voldoende aandacht is voor mensenrechten in het algemeen en vrouwenrechten in het bijzonder;
10. het initiatief te nemen om een (politieke) dialoog aan te gaan, al dan niet in het kader van de Europese Unie (EU), om de Afghaanse overheden te overtuigen van de noodzaak en het nut van samenwerking met de internationale mensenrechtenorganisaties. Dit houdt onder meer in : ratificatie van mensenrechtenverdragen, rapportages aan verdragscomités, uitvoering van aanbevelingen van de verdragscomités, bereidheid van landen om speciale rapporteurs te ontvangen door middel van een zogenaamde « staande uitnodiging »;
11. teneinde de kwaliteit van vrije nieuwsgaring te bevorderen en de aanwezigheid van vrouwen in de diverse media in Afghanistan te garanderen, bij te dragen aan de opleiding van vrouwelijke journalisten alsook aan de bescherming ervan;
12. aandacht te besteden aan de versterking van nationale systemen voor de bescherming van mensenrechten in Afghanistan. Hiertoe zal een handleiding voor onze ambassade worden opgesteld;
13. onze missie in Afghanistan enkel te verlengen indien de mensenrechtensituatie in het algemeen en de rechten van de vrouw in het bijzonder op het terrein blijvend verbeteren. De bescherming en bevordering van de mensenrechtensituatie in het algemeen en vrouwenrechten in het bijzonder moeten aldus integraal deel uitmaken van ons beleid ten aanzien van Afghanistan en onze inzet binnen ISAF.
Tot slot wijst mevrouw Lijnen erop dat dit voorstel van resolutie de tekst overneemt van een voorstel dat reeds op 14 mei 2009 in de Senaat werd ingediend door mevrouw Hermans (stuk Senaat, nr. 4-1130/1 - 2008/2009).
III. HOORZITTINGEN
A. Uiteenzetting van de heer Alain Hanssen, Eerste Ambassadesecretaris, Dienst Zuid- en Oost-Azië en Oceanië, FOD Buitenlandse Zaken
De heer Hanssen is belast met de bilaterale relaties met Zuid-Azië, waaronder Afghanistan en Pakistan.
De bilaterale relaties van België met Afghanistan hebben zich sinds einde 2001 sterk ontwikkeld. De belangrijkste aanwezigheid is de Belgische deelname aan ISAF. In februari 2003 heeft België in Kaboel een diplomatiek bureau geopend, dat van de ambassade in Islamabad afhangt. Voor het eerst in de geschiedenis van zijn bilaterale relaties heeft België een vertegenwoordiging in Afghanistan.
In maart 2010 heeft vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken Steven Vanackere beslist van dat bureau een volwaardige ambassade te maken. Er zal een ambassadeur voor Kaboel worden benoemd; hij neemt zijn functie in januari 2011 op. Tevens heeft de minister in december 2009 beslist een bijzonder gezant voor Afghanistan en Pakistan te benoemen.
In verband met het veiligheidsbijstandsplan heeft de Ministerraad in december 2009 beslist drie politiemensen en een magistraat uit te zenden om deel te nemen aan de EUPOL-Afghanistan-zending. Die zending is een initiatief van de Europese Unie. In maart 2010 heeft de Ministerraad beslist dat dit engagement in 2011 wordt voortgezet.
Wat ontwikkelingssamenwerking en de wederopbouw van het land betreft, herinnert dhr. Hanssen eraan dat Afghanistan niet tot de achttien partnerlanden van België behoort. Dat sluit elke rechtstreekse bilaterale samenwerking uit, maar belet niet dat België aan de inspanningen van de internationale gemeenschap deelneemt. Het heeft dat gedaan via de multilaterale kanalen en via andere, indirecte kanalen, te weten internationale organisaties en Belgische en buitenlandse niet-gouvernementele organisaties (NGO).
De ontwikkelingshulp van België aan Afghanistan groeit constant. Tussen 2002 en 2006 bedroeg hij ongeveer 6 miljoen euro per jaar, in 2007 en 2008 8 miljoen euro en in 2009 meer dan 13 miljoen. In 2010 en 2011 zal datzelfde bedrag overschreden worden. Die bedragen worden vooral aan de instellingen van de Verenigde Naties (VN) overgemaakt :
— UNDP (Ontwikkelingsprogramma van de VN);
— UNIFEM (United Nations Development Fund for Women);
— UNODC (United Nations Office on Drugs and Crime);
— UNHCR (Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen);
— AFAO (Australian Federation of AIDS Organisations);
— WFP (Wereldvoedselprogramma).
Naast de VN-instellingen financiert de Belgische regering ook de grote internationale NGO's die bekend staan om hun efficiëntie in de uiterst moeilijke context van Afghanistan :
— de Aga Khan Foundation, die zich inzet voor het verbeteren van de landbouw en bijdraagt tot de plattelandsontwikkeling en tot de ontwikkeling van kleine ondernemingen in verscheidene Afghaanse provincies;
— de NGO « Halo Trust », die gespecialiseerd is in humanitaire ontmijning en die « Omar », een lokale NGO voor humanitaire ontmijning, steunt;
— het vormingsprogramma van de BBC in Afghanistan. België heeft met name een reeks hoorspelen in het Pachtoun en het Dari, de twee belangrijkste Afghaanse talen, gefinancierd. Met die uitzendingen wil men de democratische waarden en de pacificatie bevorderen;
— de Aziëstichting (Asia Foundation), het belangrijkste kanaal om een bijdrage te leveren tot een beter democratisch bestuur in Afghanistan.
België steunt bijna jaarlijks de programma's in Afghanistan van het Internationaal Comité van het Rode Kruis.
Sinds 2009 betaalt België jaarlijks 2 miljoen euro aan het ARTF (Afghanistan Reconstruction Trust Fund), een fiduciair fonds dat het loon van de onderwijzers financiert, alsook de watertoevoer, de elektrificatie van de dorpen, de wegenbouw om geïsoleerde gemeenschappen te ontsluiten, het microkrediet, ...
Verscheidene Belgische NGO's zijn doorlopend actief in Afghanistan. Twee onder hen hebben uiterst belangrijke activiteiten en hebben honderden Afghanen in dienst :
— Solidarité Afghanistan-Belgium, dat sinds 1985 actief is;
— Artsen Zonder Grenzen België, dat eveneens al heel lang actief is.
Er zijn nog twee andere structuren, die recenter zijn en bescheidener qua omvang van hun activiteiten :
— Afghanistan-Europe, dat sinds 1999 actief is en de alfabetiseringscursussen financiert in Herat, de grote stad in het westen van Afghanistan;
— Moeders voor Vrede.
Handicap International België heeft eveneens tot 2005 activiteiten in Afghanistan gehad.
Het voorstel van resolutie ter versterking van de positie van de vrouw en haar rechten in Afghanistan (stuk Senaat nr. 5-135/1) heeft zeker zijn nut. Dhr. Hanssen wijst echter op enkele problematische punten :
— in punt 7 wordt aan de administraties gevraagd te investeren in kennis en expertise van gender en conflict bij mannen en vrouwen wat Afghanistan betreft. Vandaag is de aanbeveling in ruime mate vervuld;
— in punt 12 wekt het plan om een handleiding op te stellen om aan de ambassade uit te leggen wat er moet worden gedaan inzake mensenrechten in Afghanistan enige verbazing. Wat is het doel van die aanbeveling ?
— in punt 13 lijkt het stellen van de verbetering van de mensenrechten als voorwaarde voor onze aanwezigheid in Afghanistan ietwat ongepast.
B. Uiteenzetting door kolonel Jean-Paul Claeys, ministerie van Defensie
Tijdens zijn uiteenzetting zal kolonel Jean-Paul Claeys het hebben over de implementatie van VN-Veiligheidsraadresolutie 1325 binnen Defensie en een aantal voorbeelden noemen van wat er reeds concreet gebeurd is.
Reeds in juni 2008 heeft de minister voor de Landsverdediging in zijn politieke oriëntatienota het belang van de uitvoering van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad benadrukt. Deze resolutie vormt inderdaad een mijlpaal in de erkenning van de rol van vrouwen bij de consolidatie van vrede. Voor Defensie maakt de uitvoering van deze resolutie deel uit van haar genderbeleid dat wordt gepiloteerd door de stuurgroep « Diversiteit », onder leiding van de diensten van de algemene directie Human Resources.
Defensie heeft actief deelgenomen aan de voorbereiding en uitwerking van het Belgisch Nationaal Actieplan voor de implementatie van VN-Veiligheidsraadsresolutie 1325 « Vrouwen, vrede en veiligheid », dat in februari 2009 door de Ministerraad werd goedgekeurd. Dit NAP bepaalt dat Landsverdediging verantwoordelijk is voor het hoofdstuk « Vredesmissies ».
Voor Defensie heeft de implementatie van resolutie 1325 een aantal directe en indirecte implicaties. Kolonel Claeys noemt er één. Militairen en eenheden van Defensie nemen al sedert meer dan een decennium deel aan vredesondersteunende operaties. Dit gebeurt voornamelijk in een internationaal kader zoals dat van de Verenigde Naties, van de Europese Unie of van de NAVO. Het implementeren van resolutie 1325 houdt in dat de wijze waarop Defensie deze operaties voorbereidt, uitvoert en evalueert, geanalyseerd en desgevallend aangepast moet worden in functie van de doelstellingen van de resolutie.
Bij Defensie is de uitvoering van het NAP geïntegreerd in haar diversiteitsbeleid. Dit beleid is gestructureerd rond 5 vijf thema's, waaronder « gender » en « culturele origine ». Door te focussen op het aspect « gender » — met daaraan verbonden de gelijkheid van vrouwen en mannen — en het aspect « culturele verschillen » — wil Defensie zowel op het functioneren van de organisatie als op de attitudes en de competenties van haar medewerkers inwerken. Bij de implementatie van dit plan wenst Defensie zich eerst te concentreren op haar core-business, namelijk het voorbereiden en uitvoeren van operaties.
De verschillende beleidslijnen en acties, die in hoofdstuk 5 « Vredesmissies » zijn opgenomen, worden geënt op de structuur van Defensie, rekening houdend met de bevoegdheden van de verschillende stafdepartementen en algemene directies.
Landsverdediging is wel bereid om samen te werken met de internationale organen die geen deel uitmaken van defensie. Overal waar zij wordt vertegenwoordigd, ijvert de Belgische landsverdediging voor de toepassing van resolutie 1325. Er zijn Belgische militairen aanwezig in alle overleg- en besluitvormingsorganen op het niveau van de EU, van de NAVO, van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) en van de VN. Vanuit deze positie kan België de agenda's en de besluitvorming van die organisaties beïnvloeden. Dit moet vervolgens in de praktijk worden toegepast, meer bepaald bij de uitvoering van de opdrachten van vredeshandhaving. De grote meerderheid van de missies die Landsverdediging worden opgedragen, vinden plaats onder het toezicht van één van die organisaties.
Als voorbeeld van concrete acties noemt kolonel Claeys het feit dat Landsverdediging een hogere officier ter beschikking heeft gesteld van de International Military Staff van de NAVO, in de hoedanigheid van « Chief of the Office on Gender perspectives ». Op die manier blijft Landsverdediging betrokken bij de acties van de NAVO wat de toepassing van resolutie 1325 betreft. Er is half november op het niveau van de NAVO een actieplan aangenomen in verband met de acties inzake de uitvoering van die resolutie tijdens de missies en de operaties van de NAVO. Voor België is dit gebeurd tijdens de Top van Lissabon, op 19 en 20 november 2010. Het actieplan zet de beleidslijnen uit voor een NAP en zal worden toegepast tijdens de ISAF-missie in Afghanistan. Een eerste evaluatie van de resultaten zal plaatsvinden in december 2011. Dit past perfect in de aanbevelingen 5, 6 en 9 van het voorstel van resolutie ter versterking van de positie van de vrouw en haar rechten in Afghanistan (stuk Senaat, nr. 5-135/1).
Landsverdediging hoopt tevens haar bekwaamheid en expertise in dit soort zaken uit te breiden. De toepassing van de resolutie in al haar aspecten vraagt om bekwaamheid en expertise op alle hiërarchische niveaus van Landsverdediging. Die bekwaamheid en expertise kunnen op verschillende manieren tot uiting komen. Het kan bijvoorbeeld gaan over de houding die soldaten aannemen op het terrein, met betrekking tot het genderprobleem. Ook zijn er doelgroepen die bepaalde vaardigheden en een zekere expertise nodig hebben, bijvoorbeeld voor het hanteren van instrumenten voor analyse, het formuleren van strategieën, enz. Al die vaardigheden moeten worden aangeleerd en ontwikkeld, en moeten vervolgens regelmatig worden bijgewerkt en onderhouden.
Op het vlak van de concrete acties merkt spreker op dat het voltallige personeel van de dienst Operaties en Training een jaarlijkse opleiding moet volgen. Bij die opleiding hoort een module gendermainstreaming. In de specifieke training die vooraafgaat aan missies is die module ook opgenomen.
Voorts hebben verschillende militairen de opleiding van Gender Field Advisor gevolgd in Zweden. Dit betekent dat Landsverdediging werkelijk en concreet investeert in de ontwikkeling van kennis en expertise wat genderkwesties tijdens missies betreft. Daarbij hoort ook Afghanistan, zoals in punt 7 van het voorstel van resolutie wordt voorgesteld. Het is duidelijk dat de Belgische operaties in moslimgebieden onze ogen hebben geopend voor nieuwe realiteiten en nieuwe uitdagingen :
— men beseft dat het belangrijk is vrouwen te laten deelnemen aan het proces van preventie en beheersing van conflict en ondersteuning van de vrede;
— het personeel wordt bewust gemaakt van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen;
— er komen verschillende concepten aan bod met betrekking tot de gendergelijkheid;
— bij het ontwerpen, opstarten, opvolgen en evalueren van het beleid en van lokale projecten wordt integratie bekeken vanuit een genderperspectief.
Op dit moment loopt er een studie bij de dienst Operaties en Training die moet evalueren op welke manier gender bij de factoren hoort die in aanmerking worden genomen bij de planning van de operaties. Resolutie 1325 dient tijdens alle fasen van de operaties te worden toegepast, zowel bij de planning als bij de voorafgaande training, tijdens de missie zelf en ten slotte na afloop van de operatie, met de lessons learned.
Wat de eerste fase van punt 13 van de voorliggende resolutie betreft, is het belangrijk te vermelden dat de Ministerraad eind 2009 akkoord is gegaan met de aanwezigheid van de Belgische Landsverdediging in Afghanistan, tot eind 2011. Tijdens de Top van Lissabon heeft de NAVO besloten minstens tot 2014 in Afghanistan te blijven. België handelt niet alleen op dit vlak : de aanwezigheid van ons land in Afghanistan wordt geregeld door NAVO-mandaten. Men kan zich evenwel afvragen of de eerste fase van punt 13 van het voorstel van resolutie wel zal leiden tot het doel dat de resolutie vooropstelt, namelijk de versterking van de positie en de rechten van de vrouw in Afghanistan. Het stopzetten van de militaire aanwezigheid zal de positie van de vrouw in Afghanistan zeker niet verbeteren. Integendeel, de aanwezigheid van de militairen maakt het mogelijk om te zien dat rechten niet worden geëerbiedigd en om, in dat geval, de vastgestelde feiten te melden aan de verantwoordelijke instanties maar ook om, wanneer het kan, de nodige actie te ondernemen.
C. Uiteenzetting van mevrouw Marion Van Offelen, genderexpert bij de directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS)
Mevrouw Van Offelen houdt zich bezig met gender en vrouwenrechten. Zij herinnert er, net als haar collega van de FOD Buitenlandse Zaken, aan dat er een zeer sterk verband is tussen de veiligheid enerzijds en de ontwikkeling en de rechten van de vrouw anderzijds.
Afghanistan is geen partnerland in de ontwikkelingssamenwerking, maar wel een prioritair land. Dat wil zeggen dat de DGOS veel fondsen in Afghanistan investeert, maar dat het geen rechtstreekse bilaterale samenwerkingsrelatie heeft met het land. Die investeringen gebeuren via multilaterale organisaties, fondsen, NGO's, enz., en langs verschillende financieringskanalen, zoals humanitaire hulp en hulp bij de heropbouw.
Wat de budgettaire middelen voor de burgerhulp betreft, waar de voorliggende resolutie (stuk Senaat, nr. 5-135/1) naar verwijst in punt M, merkt mevrouw Van Offelen op dat de middelen veel hoger liggen. Zoals de heer Hanssen zei, heeft België in de jaren 2002-2008 jaarlijks gemiddeld 6 miljoen euro aan burgerhulp gedoneerd. In 2009 heeft België besloten die bijdrage op te trekken tot 12 miljoen euro per jaar voor de jaren 2009 en 2010. In maart 2010 ten slotte heeft de Ministerraad besloten de Belgische bijdrage te verhogen tot 14,5 miljoen euro voor 2010, waarvan 12 miljoen voor ontwikkelingshulp alleen. De middelen zijn dus ruim verhoogd.
Op het vlak van het genderperspectief was België een baanbreker. Een paar dagen na het historische akkoord van Bonn (5 december 2001) heeft ons land samen met UNIFEM in Brussel een rondetafel gefinancierd en georganiseerd, met multilaterale organisaties en Afghaanse vrouwen uit verschillende landen : die vrouwen kwamen uit Afghanistan, maar vooral uit Iran, Pakistan en de Verenigde Staten, waar zij naartoe waren gevlucht. Dit rondetafelgesprek gaf aanleiding tot een actieplan voor de Afghaanse vrouwen, dat gedurende meerdere jaren is overgenomen en doorgevoerd door de Afghaanse vrouwen. Al van bij de conferentie van Tokyo van 2002 sprak België zich uit voor de steun aan de democratische structuren en voor het bevorderen van de rechten en de verbetering van de levensomstandigheden van de Afghaanse vrouwen.
Vanaf het begin omvatte de genderstrategie van België in Afghanistan de integratie van de genderkwestie in het kader van onze steun aan de prioritaire sectoren, zoals aanbevolen door de Afghaanse vrouwen zelf : toegang van meisjes tot het onderwijs, deelname van de vrouwen aan de verkiezingen (als en kiezer en als kandidaat), steun voor de economische empowerment van vrouwen, meer bepaald in de landbouwsector, enz.
Ook bevatte de Belgische strategie een aantal specifieke acties : gedurende een aantal jaren heeft België, via UNIFEM en het UNDP, geijverd voor de versterking van de bevoegdheden van het Afghaanse ministerie van Vrouwenzaken. Ook heeft ons land de decentralisering gesteund van de diensten van dat ministerie in landbouwgebieden, door de Women Development Centers te steunen. Die programma's werden gefinancierd van 2002 tot 2008.
In 2009 en 2010 is België ervoor blijven zorgen dat de genderproblematiek wel degelijk deel uitmaakt van alle interventies die door ons worden gesteund. België heeft in 2009 bijvoorbeeld een belangrijk programma van de United Nations Children's Fund (UNICEF) (2 miljoen euro) gefinancierd voor de opleiding van meisjes. Ons land heeft ook bijgedragen tot de steun aan het verkiezingsprogramma van het UNDP, waarin een « gender »-aspect is opgenomen, met een « genderadviseuse » en « genderexperts » in de verkiezingscommissie, om zo de deelname van de vrouwen aan de verkiezingen te bevorderen. In 2010 is België blijven werken met verschillende internationale organisaties en stichtingen en, via de gedelegeerde samenwerking, met de GTZ (de Duitse technische coöperatie) voor een programma van 3 miljoen euro ter ondersteuning van het economische empowerment van de plaatselijke gemeenschappen in het Noorden van het land, waar de genderkwestie duidelijk speelt.
Dankzij al die bijdragen heeft de Belgische ontwikkelingssamenwerking dus zeker iets in de pap te brokken wat de integratie van de genderaspecten betreft. Dit aspect wordt onderzocht bij het beoordelen van de voorstellen van interventie, of het nu gaat om humanitaire hulp, om hulp bij de heropbouw of bij « good governance ». De kwestie wordt besproken en gevolgd tijdens de jaarlijkse gesprekken met de verschillende internationale partnerorganisaties.
De ontwikkelingssamenwerking draagt ook bij tot de algemene middelen van internationale organisaties die bijzonder actief zijn in Afghanistan op het vlak van de vrouwenrechten, zoals UNIFEM, United Nations Population Fund (UNFPA), enz.
D. Uiteenzetting door mevrouw Jennie Vanlerberghe, voorzitter Moeders voor Vrede
Moeders voor Vrede is werkzaam in Afghanistan sinds 2002. Het is heel belangrijk een onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld de hoofdstad Kaboel en de landelijke gebieden, waar nog steeds tradities en middeleeuwse gebruiken blijven voortbestaan.
In 2002 heeft Moeders voor Vrede in Istalif, op ongeveer 48 kilometer ten noorden van Kaboel, een vrouwencentrum gebouwd met de financiële steun van talrijke Belgische vrouwenorganisaties. De organisatie vindt opvoeding en economische opbouw heel belangrijk. In 2005 heeft ze heel haar concept omgedraaid en ervoor beslist om ook mannen te betrekken bij haar projecten, op voorwaarde dat de mannen zich niet verder verzetten tegen elke deelname van hun vrouwen. Bijgevolg werkt Moeders voor Vrede nu vooral voor families. Haar hoofdkantoor bevindt zich in Kaboel en ze heeft projecten op vijf verschillende plaatsen in Afghanistan : Istalif, Bamyan, Shakar Dara, Dasht E Barchi en Kapisa.
Moeders voor Vrede en SAB zijn de enige twee Belgische NGO's werkzaam in Afghanistan.
Per dag bereikt Moeders voor Vrede 2033 mensen dankzij alfabetiseringscursussen, microkredieten, landbouwprojecten (mannen en vrouwen), Engelse lessen (waar veel meisjes op afkomen, maar vooral ontzettend veel jongemannen) en gezondheidszorg (voor de vrouwen). Het is heel belangrijk onder de Afghaanse bevolking te leven. Vroeger werd tegenover vrouwen over hun rechten en vrijheden gesproken; dat wordt nu niet meer gedaan. Moeders voor Vrede heeft begrepen dat de mannen, die ook de projecten volgen, de poort zijn naar de vrijheid van de vrouw. Langzaam nemen de vrouwen nu zelf het heft in handen.
In mei 2010 werd de organisatie in Dasht E Barchi uitgenodigd door de shora (gemeenteraad), die hen verwelkomde als de « moeders van Afghanistan ». Hierbij dient opgemerkt te worden dat de Afghaanse mannen veel respect hebben voor hun moeder. De gemeenteraad smeekte Moeders voor Vrede hetzelfde te doen voor de vrouwen van Dasht E Barchi als ze deed voor de vrouwen van Istalif. Sinds juli 2010 is dus ook in Dasht E Barchi een project opgestart, met alfabetiseringscursussen, landbouwprojecten en gezondheidszorg voor vrouwen. In Dasht E Barchi staat een mooi, nieuw hospitaal, maar vrouwen zijn daar niet welkom. Per dag ontvangen de twee dokters van Moeders voor Vrede tussen negentig en honderdentien vrouwen.
Dagelijks werken een honderdtal Afghaanse vrouwen en mannen voor Moeders voor Vrede. Zij worden streng opgevolgd, wat van groot belang is. Door bijvoorbeeld jongemannen aan te trekken voor de Engelse lessen, hebben de moeders ook gemakkelijker toegang tot de projecten van Moeders voor Vrede. Jongens hebben namelijk gezag over hun moeder.
Mevrouw Vanlerberghe merkt nog op dat een groot deel van de Afghaanse vrouwen niet precies weet hoe oud ze zijn. Dit kan twee redenen hebben : de burgerlijke stand wordt in Afghanistan niet bijgehouden zoals hier en bovendien wordt de geboorte van een meisje meestal genegeerd en zeker niet altijd genoteerd. De gemiddelde levensverwachting van Afghaanse vrouwen is tweeënveertig jaar; dit cijfer ligt zo laag omwille van de moedersterfte bij bevallingen.
Tot ongeveer een jaar geleden, zaten in Kaboel op de stoep honderden verstoten vrouwen : moeders met misschien wel tien kinderen (als ze verstoten worden moeten ze hun kinderen bij de vader laten) of jonge meisjes, ... De Afghaanse president Karzai heeft beloofd iets te doen voor deze vrouwen. In augustus 2010 waren er iets minder verstoten vrouwen in het straatbeeld aanwezig. Spreekster brengt elk jaar ook een bezoek aan de vrouwengevangenis in Kaboel. De meeste vrouwen die daar zitten, weten trouwens niet eens waarom ze opgesloten werden.
E. Uiteenzetting van mevrouw Françoise Guillitte, verantwoordelijke van het programma « Droits des femmes », Amnesty International Belgique francophone
De situatie van de mensenrechten in Afghanistan doet in verschillende opzichten en sedert verschillende jaren vragen rijzen. Dat is dan nog zacht uitgedrukt. De situatie is zorgwekkend en zelfs verontrustend, vooral wat vrouwenrechten betreft.
Heel wat rapporten van Amnesty International, maar ook van andere organisaties zoals Human Rights Watch, herinneren op tijd en stond aan deze toestand. In het land worden ernstige schendingen van de mensenrechten gepleegd. Ondanks internationale beloften blijven mensenrechten daar meestal een dode letter en wordt er geen enkel gevolg gegeven aan de vele schendingen.
Doodstraf, steniging, verminking, foltering, enz. zijn er gangbare praktijken, om nog maar te zwijgen van al het geweld in de privésfeer. De taliban en de milities zaaien nog steeds terreur, vooral in afgelegen gebieden. De rechtsstaat raakt moeilijk geïnstalleerd. In Afghanistan worden alle grondrechten (burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele, ...) met de voeten getreden.
Op de conferentie over vrede in juli 2010 heeft Amnesty trouwens nog maar eens zijn ernstige bezorgdheid geuit over de deelname van de taliban aan het vredesproces, en vooral over hun deelname aan de nieuwe jirga (het Afghaanse parlement). « Amnesty International fears that human rights, including women's rights, will be compromised [...]. The Taleban have a record of committing human rights abuses and abuses against women in particular and if they want to be brought back into the government then they should demonstrate that they will improve their conduct. »
Amnesty International is bijgevolg blij met deze belangstelling voor de situatie in Afghanistan en indien mogelijk met de goedkeuring van het voorliggende voorstel van resolutie, zelfs al zouden er enkele wijzigingen moeten worden aangebracht.
Het universele karakter van de grondrechten wordt in het voorstel goed onderstreept, hetgeen een absoluut onontbeerlijk element voor de geloofwaardigheid van de aanbevelingen is.
Amnesty International is tevens tevreden met de aandacht voor genderdiscriminatie. Deze discriminatie vormt echt de basis van de ernstige schendingen ten aanzien van vrouwen, hun uitsluiting uit de besluitvormingsprocessen, de onveiligheid en het geweld waarmee ze te maken hebben, enz. Zonder doelstelling inzake gendergelijkheid en zonder billijke deelname van vrouwen kan er geen sprake zijn van duurzame vrede of ontwikkeling. Er kan geen rechtvaardige en leefbare samenleving zijn. De discriminerende wetten moeten niet worden gewijzigd, ze moeten nietig worden verklaard.
De verwijzing naar resolutie 1325 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (31 oktober 2000) lijkt uiterst belangrijk, omdat ze een kader voor algemeen beheer en een algemene strategie voor vredesopbouw, gendergelijkheid en duurzame ontwikkeling biedt. Wat vandaag van belang is, is ervoor zorgen dat deze resolutie integraal wordt uitgevoerd op het terrein. België moet in dit verband een belangrijke verantwoordelijkheid op zich nemen.
Resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid roept alle landen op om een beleidsplan uit te werken dat de deelname van vrouwen aan de besluitvormingsprocessen met betrekking tot conflictoplossing en vredesherstel verbetert. Zoals reeds is vermeld, is voor de Belgische regering de uitvoering van resolutie 1325 een politieke prioriteit.
Mevrouw Guillitte zou niettemin willen aandringen op drie punten. Ten eerste moeten de analyse en de aanbevelingen gebaseerd zijn op specifieke gendergebonden criteria. Via een analyse op basis van gender kunnen de respectieve rollen van mannen en vrouwen in kaart worden gebracht. Vrouwen moeten niet louter worden gereduceerd tot « slachtoffers ». In postconflictperioden is het belangrijk dat vrouwen voldoende worden vertegenwoordigd in besluitvormingsorganen die zich buigen over heropbouw, veiligheid en defensie.
Tijdens een ontwapening, een demobilisatie of een herintegratieproces zijn de behoeften van vrouwen en mannen niet dezelfde. In dergelijke situaties komen vrouwen meestal niet aan bod. De indirecte gevolgen zijn aanzienlijk, maar hiermee wordt vaak geen rekening gehouden.
In de begrotingslijnen die in dit domein zijn uitgewerkt, en in het bijzonder inzake « preventieve diplomatie », « conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten » en « overgangsacties, reconstructie en maatschappijopbouw », moeten specifieke projecten en programma's die rekening houden met de realiteit waarin vrouwen leven, worden overwogen en adequaat gefinancierd.
Ten tweede is het essentieel om te werken met de lokale vrouwenorganisaties en meer in het bijzonder met de organisaties voor vrede en ter bevordering van de vrouwenrechten. Het is eveneens van fundamenteel belang om programma's ter bescherming van de verdedigsters van vrouwenrechten uit te voeren en te steunen. Sommige vrouwen riskeren dagelijks hun leven opdat hun rechten en de rechten van alle vrouwen en de mensenrechten in Afghanistan zouden worden gerespecteerd.
De internationale hulpverlening, zelfs die van de Verenigde Naties, moet rekening houden met bepaalde elementen. Er zijn ernstige problemen met sommige schoolboeken, waarin discriminerende taal staat. Meisjes en vrouwen worden zelden vermeld of getoond als positieve voorbeelden. Men moet bijgevolg rekening houden met de voorstellen en de realiteit op het terrein.
Indien we willen komen tot een mentaliteitsverandering en een gedragswijziging op het terrein in Afghanistan, bij mannen en bij de samenleving in haar geheel, moet dat gebeuren via de lokale verenigingen en via de organisaties die meer mogelijkheden hebben om te worden gehoord.
Ten derde lijkt het absoluut belangrijk om die projecten opnieuw binnen een tijdsschema te plaatsen, waarbij er termijnen, criteria en evaluatiemiddelen worden vastgesteld. Het duurt reeds al te lang.
Mevrouw Guillitte vraagt de commissieleden om te verwijzen naar het werk van de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling rond dit thema. Alle documenten van deze commissie zijn beschikbaar op de website van de DGOS. Men vindt er met name studies over het thema « vrouwen en vrede », maar ook voorstellen rond opleiding, betrokkenheid en implementatie van het genderaspect binnen de administraties.
Spreekster verwijst tevens naar de site van Amnesty International, waar heel wat documenten en artikelen te vinden zijn over mensenrechten en vrouwenrechten in Afghanistan, alsook enkele getuigenissen van vrouwen die genoeg zeggen over wat ze dagelijks doormaken.
F. Gedachtewisseling
Mevrouw Lijnen stelt vast dat reeds heel wat middelen ter beschikking worden gesteld en een aantal plannen uitgewerkt zijn om acties te ondernemen, maar dat de situatie nog steeds schrijnend blijft.
De indienster van het voorstel wenst te weten hoeveel Belgische vrouwelijke militairen er in Afghanistan zitten. Wordt specifiek aandacht besteed aan de hoeveelheid vrouwelijke militairen in de Belgische operaties ?
Daarnaast wenst zij te weten hoe gerapporteerd wordt als de militairen vaststellen dat er bijvoorbeeld familiaal geweld wordt gebruikt. Hoe gaan de militairen daarmee om ?
Het lijkt bovendien belangrijk dat er geëvalueerd wordt en dat er verslagen opgesteld worden. Hoe wordt geëvalueerd in Afghanistan ?
Mevrouw Tilmans vraagt hoe de verschillende organen samenwerken. Hoe ziet de taak- en rolverdeling eruit ? Hoe worden de budgetten verdeeld ? Wordt er overleg gepleegd over de acties ?
De heer du Bus de Warnaffe begrijpt dat Defensie erin geslaagd is de grondbeginselen van een genderevenwicht te voeren in het Belgische leger. Hoe verloopt dit concreet in de praktijk ? Welke contacten bestaan er met de lokale bevolking ? In welk opzicht biedt het leger echt een meerwaarde op dit vlak ? Hoe reageren de NGO's op de aanwezigheid van het leger ?
Mevrouw Franssen verwijst naar de woorden van mevrouw Vanlerberghe, die meent dat de mannen « de poort zijn naar de vrijheid van de vrouw ». Wordt daarmee rekening gehouden in het uitwerken van het beleid ?
De heer Bousetta wenst te vernemen of er al gevallen zijn van mobilisering van de grote Afghaanse diaspora in Europese landen. Bestaan er geen interne maatschappelijke mechanismen waarmee via de diaspora en de vrouwenverenigingen binnen de diaspora kan worden gewerkt ?
Kolonel Claeys wenst eerst en vooral in te gaan op de vraag over het aantal vrouwen dat deelneemt aan de operaties. Er bestaan geen precieze cijfers voor Afghanistan. Over het algemeen telt Defensie 8 % vrouwen, verdeeld in de verschillende personeelscategorieën : 10 % bij de officieren, 6 % bij de onderofficieren en 9 % bij de soldaten. Op jaarbasis probeert Defensie te streven naar ongeveer 5 % vrouwen in operaties. Men kan zich hierbij de vraag stellen waarom er niet naar 8 % wordt gestreefd, maar er moet rekening worden gehouden met het aantal vrouwen in de operationele eenheden. Daar zitten slechts 4 % vrouwen.
Wat het systeem van rapporteren betreft, werkt Defensie in het kader van het mandaat van ISAF. Bijgevolg gebeurt de rapportage in de keten van de NAVO-structuur. Onafhankelijk daarvan bestaat bij het departement « Operatie en Training » een cel « Lessons learned », waar de rapportage van incidenten eveneens gebeurd. Zo kunnen lessen worden getrokken voor het volgende contingent dat ter plaatse zal gaan. Defensie is uiteraard niet bevoegd om de taken van politie of rechter op zich te nemen.
Er zijn in het kader van de huidige missie van Defensie in Afghanistan weinig contacten met de bevolking. De militairen blijven binnen hun compound waar zij enkel contact hebben met de Afghaanse arbeiders die er werken en met eventuele bezoekers. De Belgische militairen voeren geen patrouilles uit in de wijken van Kaboel.
De Belgische Defensie in Afghanistan zorgt voornamelijk voor de veiligheid, in het bijzonder met betrekking tot de taliban. Zonder die beveiliging zouden met name acties in het kader van ontwikkelingssamenwerking erg moeilijk verlopen.
Mevrouw Vanlerberghe wijst erop dat Moeders voor Vrede goede contacten heeft met de militairen en zeker op hun hulp kan rekenen. De organisatie zou de Belgische militairen dan ook niet graag zien vertrekken, want ze beschouwt Defensie een beetje als haar ruggengraat. Ze kan ook op haar bescherming rekenen.
Mevrouw Van Offelen wijst erop dat de Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking geen rechtstreekse bilaterale samenwerking heeft met Afghanistan. De DGOS werkt via organisaties voor humanitaire hulp en internationale organisaties voor de wederopbouw of voor noodhulp. Uiteraard wordt er jaarlijks overleg gepleegd met deze organisaties, waarbij de follow-upverslagen en de resultaten van de gefinancierde projecten worden besproken. Er wordt geen follow-up op het terrein gedaan.
Het overleg vormt een wezenlijk probleem doordat er een zestigtal geldschieters actief zijn in Afghanistan, zowel multilateraal als bilateraal, NGO's, verschillende organisaties, ... De DGOS wenst natuurlijk samen te werken om de hulp zo efficiënt mogelijk te maken : zij streeft dus naar veel meer structurele en langetermijnhulp binnen een kader van overleg en verdeling van de taken over de geldschieters.
De rondetafelbijeenkomst van Afghaanse vrouwen in 2001 had plaats dankzij UNIFEM en de wereldwijde organisatienetwerken. De DGOS heeft geen rechtstreekse contacten meer met de diaspora van Afghaanse vrouwen. De Commissie Vrouwen en Ontwikkeling heeft echter wel contact met verschillende netwerken van vrouwen van de Congolese, Rwandese, Burundese, Afghaanse, ..., diaspora.
De heer Hanssen bevestigt dat zowel mannen als vrouwen in Afghanistan geholpen moeten worden. De situatie van de mensen- en vrouwenrechten is weinig rooskleurig. De FOD Buitenlandse Zaken wordt regelmatig opgeschrikt door een tragische gebeurtenis die dit nog benadrukt. Zo herinnert spreker bijvoorbeeld nog aan de straffeloosheid na de moord op de Belgische Hélène de Beir, de terdoodveroordeling van journalist Kambakhsh, de wetten gericht tegen sjiieten, ...
Het is een uiterst conservatieve maatschappij, zeker in het zuiden van het land. Er mogen echter geen toegevingen worden gedaan inzake het universele karakter van de mensenrechten, noch inzake onze doelstellingen voor democratisering van het land. Westerlingen die geprobeerd hebben de democratisering te overhaasten of Afghaanse vrouwen en kinderen meteen dezelfde rechten toe te kennen als in de ontwikkelde landen, hebben gezorgd voor massale reacties van afkeer tegen het Westen en de moderne maatschappij.
Vaak zijn de mensen — veelal militante feministes of vrouwelijke journalisten — voor wie de genereuze maar onhandige initiatieven bedoeld zijn, het eerste slachtoffer van deze acties. Bij ons handelen moeten we ons dus richten op de lange termijn. Zonder iemand de les te spellen of onwaardige verklaringen af te leggen, werken heel wat personen en instellingen geduldig en discreet aan de mentaliteitsverandering : NGO's, het Internationale Rode Kruis, de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen, de militairen, de Afghaanse universitairen, ...
Afghanistan stelt zich zeker open voor de mensenrechten, de vrouwenrechten en de democratie, maar heeft nog een zodanig lange weg te gaan dat geduld absoluut geboden is.
Mevrouw Guillitte benadrukt het belang van het werk van de plaatselijke organisaties, maar ook van de diaspora in het buitenland. Voordat er in Afghanistan een regering was, kwam de betrouwbare informatie voornamelijk van verenigingen uit de diaspora. Bovendien is overleg noodzakelijk om efficiënt te kunnen werken.
Mevrouw Vanlerberghe wijst erop dat tweeënzestig vrouwen verkozen zijn in het Afghaanse parlement. Afghaanse vrouwen geven echter toe dat dit niets helpt, want die verkozen vrouwen worden soms door hun echtgenoot opgedragen omdat zij zelf niet kunnen worden verkozen. Bovendien zijn deze vrouwen van verschillende etnische groepen, van ver uit elkaar liggende streken en ze vertegenwoordigen geen politieke groep, waardoor overleg om tot een gezamenlijke visie te komen haast onmogelijk lijkt.
IV. BESPREKING VAN HET VOORSTEL VAN ADVIES
A. Voorstel van advies
1. Vaststellingen
1. Het Adviescomité voor Gelijke Kansen verwelkomt het initiatief om deze problematiek op de agenda van het Adviescomité te zetten en ondersteunt de doelstelling van de resolutie om de positie en de rechten van de vrouw in Afghanistan te verbeteren;
2. De lange geschiedenis van discriminatie en geweld tegen vrouwen in Afghanistan is een bijzondere bron van zorg. Afghanistan staat op de voorlaatste plaats op de OECD Social Institutions and Gender index wat betreft gendergelijkheid;
3. De hoorzittingen bevestigen dat de rechten van de vrouw in Afghanistan dagelijks geschonden worden en dat er een sterke link is tussen democratisering, veiligheid, ontwikkeling en de rechten van vrouwen. Het is dus belangrijk dat dit onderwerp hoog op de politieke agenda van de internationale gemeenschap en in het bijzonder van België blijft staan;
4. Het Adviescomité stelt vast dat er intensieve betrekkingen zijn tussen België en Afghanistan. In 2003 werd een diplomatiek bureau geopend in Kaboel en in 2010 werd beslist een Belgische ambassade te openen vanaf januari 2011;
5. Inzake veiligheid en wederopbouw werkt België mee aan de EUPOL-missie in Afghanistan en levert ze een significante bijdrage aan ISAF (International Security Assistance Force), de internationale troepenmacht die zich inzet voor vrede en stabiliteit in Afghanistan. België treedt op in Afghanistan onder het commando van de NAVO met VN-mandaat;
6. Inzake ontwikkelingssamenwerking is Afghanistan geen partnerland van België. Er is geen directe bilaterale samenwerking, maar Afghanistan is wel een prioritair land via multilaterale samenwerking en via steun aan nationale en internationale niet-gouvernementele organisaties;
7. De financiële bijdrage voor hulp aan Afghanistan groeit gestaag. In 2002 bedroeg de hulp ongeveer 6 miljoen euro. In 2010 werd er 14,5 miljoen euro vrijgemaakt. De bedragen worden hoofdzakelijk via de VN besteed;
8. De hoorzittingen leren ons in eerste instantie hoe het Belgisch beleid — in het bijzonder het buitenlands beleid, het defensiebeleid en het ontwikkelingsbeleid — aandacht heeft voor de situatie van vrouwen in Afghanistan;
9. Het belang van het universele karakter van mensenrechten in het algemeen en vrouwenrechten in het bijzonder wordt terecht onderstreept in het voorstel van resolutie;
10. De Belgische Defensie houdt bij haar opdracht in Afghanistan rekening met het NAVO Actieplan 1325 en het Belgisch Nationaal Actieplan 1325;
11. Inzake de bescherming en promotie van vrouwenrechten in Afghanistan is België een pionier. In 2001 waren we het eerste land dat een internationale conferentie rond dit thema organiseerde samen met UNIFEM;
12. België heeft van 2002 tot 2008 UNIFEM en PNUD financieel gesteund om genderprogramma's in Afghanistan uit te werken en genderinitiatieven te steunen. Sinds 2009 verloopt die Belgische steun niet langer via UNIFEM, maar wel via UNICEF en PNUD;
13. In Afghanistan zijn ondanks de moeilijke werkomstandigheden heel wat NGO's, ook Belgische, aanwezig. Via indirecte hulp wordt onder andere steun geboden aan lokale vrouwenorganisaties;
14. Vrouwenrechtenschendingen vereisen een evenwichtige aanpak. Het betrekken van mannen bij het zoeken naar oplossingen in Afghanistan is daarbij cruciaal en werd door verschillende sprekers tijdens de hoorzittingen benadrukt;
15. Wat de politieke vertegenwoordiging van vrouwen in Afghanistan betreft, telt het land sinds de laatste verkiezingen van september 2010 27,7 % vrouwelijke parlementairen.
2. Advies
Rekening houdende met de hoorzittingen en de daaropvolgende gedachtenwisseling, doet het Adviescomité het volgende voorstel :
Algemene aanbevelingen
1. Het Adviescomité drukt haar waardering uit dat België in haar relatie met Afghanistan aandacht heeft voor de moeilijke situatie van vrouwen en apprecieert de aanwezigheid van de Belgische actoren op het terrein die zich inzetten voor de bescherming en promotie van de rechten van de vrouw;
2. Het Adviescomité meent dat er voldoende juridische instrumenten aanwezig zijn — zowel het internationale verdragskader, als de nationale wetgeving — om de bescherming van de rechten van de vrouw in Afghanistan te garanderen, maar stelt een gebrekkige implementatie vast van die rechtsregels;
3. Het Adviescomité meent dat de Belgische inspanningen nog verder opgedreven moeten worden om de mensenrechten te beschermen en de ontplooiing van het land te ondersteunen. Bij het opentrekken van die hulp moet er bijzondere aandacht zijn voor de rechten van de vrouw door :
a) het uitvoeren van onze engagementen genomen in het kader van VN-resolutie 1325 en, meer in het bijzonder, de vraag om dringend het Belgische Nationale Actieplan 1325 te evalueren en te actualiseren. Bovendien moet steun worden verleend aan de opstelling van een Afghaans Nationaal Actieplan 1325;
b) de samenwerking met de indirecte actoren te versterken. Het is belangrijk de lokale Afghaanse vrouwengroepen te versterken en de rol van de Afghaanse vrouwenbeweging te erkennen;
c) vrouwelijke parlementairen te steunen. De internationale gemeenschap moet bijdragen aan de ondersteuning en internationale netwerking van deze vrouwen. Er moeten middelen worden vrijgemaakt zodat ze een beroep kunnen doen op de expertise van bijvoorbeeld de Interparlementaire Unie (IPU), het East-West Institute, ...;
d) meer middelen in te zetten om de vrouwenrechten in Afghanistan te beschermen en te versterken, in het bijzonder door bij te dragen aan de financiering van gerichte programma's van UN Women;
Specifieke aanbevelingen
4. Punt 6 van de resolutie moet worden geschrapt. De vraag is overbodig gezien de NAVO nu een Actieplan hanteert met uitdrukkelijke aandacht voor Afghanistan;
5. Punt 7 van de resolutie moet worden herschreven en wijzen op het voortzetten en versterken van de uitbouw van kennis en expertise van gender en conflict. Daarbij zou gebruik moeten worden gemaakt van de beschikbare informatie, studies en expertise van de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling;
6. Punt 12 van de resolutie moet worden geschrapt. De aandacht voor de mensenrechten in Afghanistan is van het grootste belang. De voorgestelde handleiding lijkt niet het geëigende instrument hiertoe;
7. Punt 13 van de resolutie moet worden geschrapt. De aanwezigheid van Belgische militairen moet worden gezien in een ruimer perspectief, rekening houdende met het engagement dat ons land heeft genomen binnen de NAVO. Bovendien is het respect voor de mensenrechten als conditionaliteit voor een dergelijke missie niet het juiste uitgangspunt.
B. Bespreking
De rapporteurs overlopen het voorstel van advies, waarbij de vaststellingen een aantal belangrijke elementen uit de hoorzittingen hernemen.
Graag zou mevrouw de Bethune in vaststelling 13 melding maken van het werk van de Belgische NGO « Moeders voor Vrede », waarvan een vertegenwoordiger gehoord werd tijdens de hoorzittingen. Spreekster merkt terzijde op dat de verantwoordelijke van « Moeders voor vrede », mevrouw Anita Purnal de Marie Popelin-prijs 2010 heeft ontvangen van de Nederlandstalige Vrouwenraad.
Wat punt 2 van de aanbevelingen betreft, merkt mevrouw Zrihen op dat verzocht is de verwijzing naar de nationale wetgeving te doen vervallen, aangezien het internationale verdragskader reeds vermeld wordt.
Mevrouw Lijnen ondersteunt het idee van het opstellen van vaststellingen die de belangrijke elementen uit de hoorzittingen samenvatten. Ze verheugt zich bovendien dat de rapporteurs de twee aanbevelingen willen aanpassen waarmee zij, als indiener van het voorstel van resolutie, problemen had. In aanbeveling 2 wordt gefocust op het internationale verdragskader, waarin reeds voldoende juridische elementen aanwezig zijn. De nationale wetgeving is bovendien soms in strijd met het internationale verdragskader.
Mevrouw de Bethune stelt voor in punt 2 van de aanbevelingen het woord « voldoende » te vervangen door het woord « belangrijke ». Zij zou bovendien de verwijzing naar de nationale wetgeving niet schrappen, want Afghanistan heeft belangrijke wetten gestemd, maar die worden niet uitgevoerd. Er zou dus waardering kunnen worden geuit voor dat wettelijk kader.
Mevrouw Lijnen is het ermee eens de nationale wetgeving te vermelden. Toch waarschuwt een rapport van maart 2009 van de tiende zitting van de VN-Mensenrechtenraad in Genève ervoor dat op het gebied van onderwijs, werk en politieke participatie, vrouwen nog steeds worden geconfronteerd met discriminerende wetten, praktijken en houdingen. Dat mag zeker niet worden genegeerd.
Senator de Bethune wenst mevrouw Sima Samar, voorzitter van de Afghanistan Independent Human Rights Commission, te citeren : « Progress of women's rights has been guaranteed in the constitution, equal rights for women and men has been assured in the constitution, but this has to become a reality in the ground in the country. »
Bijgevolg zou punt 2 van de aanbevelingen ook gewag moeten maken van het feit dat de Afghaanse Grondwet de gelijke kansen van mannen en vrouwen waarborgt, maar dat er nog steeds wettelijke discriminaties en een gebrekkige implementatie worden vastgesteld. Spreekster stelt volgende formulering voor : « Het Adviescomité meent dat er belangrijke juridische instrumenten aanwezig zijn om de bescherming van de rechten van de vrouw in Afghanistan te garanderen — zowel het internationale verdragskader als de Afghaanse Grondwet —, maar stelt een gebrekkige implementatie vast van die rechtsregels, alsook het bestaan van een aantal wettelijke discriminaties tegen de vrouw; ».
Mevrouw Zrihen bevestigt dat er voldoende instrumenten aanwezig zijn in de Afghaanse Grondwet en in het internationale verdragskader om de bescherming van de vrouwenrechten in Afghanistan te garanderen. Die rechtsregels worden echter niet voldoende ten uitvoer gelegd. Ondanks die regels blijft er discriminatie bestaan.
Mevrouw Lijnen is het eens met de formulering van mevrouw de Bethune.
De voorzitter besluit en zegt dat de aanbeveling moet worden geformuleerd, in de zin dat het zich ontwikkelende nationale recht wel bescherming biedt maar dat er nog vormen van discriminatie blijven bestaan zowel in de wetgeving, als in de praktijk, wat uitdrukkelijker wordt vermeld in het tweede deel van de zin.
Wat punt 6 van de aanbevelingen betreft, wijst mevrouw Zrihen erop dat het er veeleer om gaat alleen de tweede zin van punt 12 van het voorstel van resolutie te doen vervallen.
Inzake datzelfde punt wenst mevrouw Lijnen toe te lichten waarom de opstelling van een handleiding werd voorgesteld. Nederland heeft zo'n handleiding opgesteld voor haar ambassades. Er zou kunnen worden verwezen naar het Nederlands voorbeeld, maar de auteurs hebben er geen problemen mee om dit stuk te laten vallen. Het eerste deel van punt 12 van het dispositief moet wel worden behouden.
Mevrouw Sleurs merkt op dat de N-VA-fractie problemen heeft met punt 4b van het dispositief, waar sprake is van « quota voor vrouwelijke vertegenwoordiging op parlementair, uitvoerend en justitieel vlak ». Er werd reeds een amendement ingediend, dat zal worden besproken in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. Het woord « quota » geeft namelijk geen enkele aanduiding over de grootte van deze gegarandeerde vertegenwoordiging. Zij zou het woord « quota » vervangen door « een gegarandeerde en groeiende vertegenwoordiging van vrouwelijke vertegenwoordigers ». Zo wordt gekozen voor het belang van een duurzame en substantiële vertegenwoordiging. Het lijkt aangewezen om bij de concrete invulling uit te gaan van de reële mogelijkheden op het terrein en niet van wat vanuit het eigen standpunt als wenselijk zou kunnen worden beschouwd.
Mevrouw de Bethune is het niet eens met collega Sleurs, aangezien Afghanistan een kieswet gestemd heeft waarin quota zijn opgenomen. Ze meent bijgevolg dat de tekst kan worden behouden, maar deze discussie zal in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging moeten worden gevoerd.
V. ADVIES
A. Vaststellingen
1. Het Adviescomité voor Gelijke Kansen verwelkomt het initiatief om deze problematiek op de agenda van het Adviescomité te zetten en ondersteunt de doelstelling van de resolutie om de positie en de rechten van de vrouw in Afghanistan te verbeteren;
2. De lange geschiedenis van discriminatie en geweld tegen vrouwen in Afghanistan is een bijzondere bron van zorg. Afghanistan staat op de voorlaatste plaats op de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OECD) Social Institutions and Gender index wat betreft gendergelijkheid;
3. De hoorzittingen bevestigen dat de rechten van de vrouw in Afghanistan dagelijks geschonden worden en dat er een sterke link is tussen democratisering, veiligheid, ontwikkeling en de rechten van vrouwen. Het is dus belangrijk dat dit onderwerp hoog op de politieke agenda van de internationale gemeenschap en in het bijzonder van België blijft staan;
4. Het Adviescomité stelt vast dat er intensieve betrekkingen zijn tussen België en Afghanistan. In 2003 werd een diplomatiek bureau geopend in Kaboel en in 2010 werd beslist een Belgische ambassade te openen vanaf januari 2011;
5. Inzake veiligheid en wederopbouw werkt België mee aan de EUPOL-missie in Afghanistan en levert ze een significante bijdrage aan ISAF (International Security Assistance Force), de internationale troepenmacht die zich inzet voor vrede en stabiliteit in Afghanistan. België treedt op in Afghanistan onder het commando van de NAVO met VN-mandaat;
6. Inzake ontwikkelingssamenwerking is Afghanistan geen partnerland van België. Er is geen directe bilaterale samenwerking, maar Afghanistan is wel een prioritair land via multilaterale samenwerking en via steun aan nationale en internationale niet-gouvernementele organisaties;
7. De financiële bijdrage voor hulp aan Afghanistan groeit gestaag. In 2002 bedroeg de hulp ongeveer 6 miljoen euro. In 2010 werd er 14,5 miljoen euro vrijgemaakt. De bedragen worden hoofdzakelijk via de VN besteed;
8. De hoorzittingen leren ons in eerste instantie hoe het Belgisch beleid — in het bijzonder het buitenlands beleid, het defensiebeleid en het ontwikkelingsbeleid — aandacht heeft voor de situatie van vrouwen in Afghanistan;
9. Het belang van het universele karakter van mensenrechten in het algemeen en vrouwenrechten in het bijzonder wordt terecht onderstreept in het voorstel van resolutie;
10. De Belgische Defensie houdt bij haar opdracht in Afghanistan rekening met het NAVO Actieplan 1325 en het Belgisch Nationaal Actieplan 1325;
11. Inzake de bescherming en promotie van vrouwenrechten in Afghanistan is België een pionier. In 2001 waren we het eerste land dat een internationale conferentie rond dit thema organiseerde samen met United Nations Development Fund for Women (UNIFEM);
12. België heeft van 2002 tot 2008 UNIFEM en United Nations Development Programme (UNDP) financieel gesteund om genderprogramma's in Afghanistan uit te werken en genderinitiatieven te steunen. Sinds 2009 verloopt die Belgische steun niet langer via UNIFEM, maar wel via UNICEF en UNDP;
13. In Afghanistan zijn ondanks de moeilijke werkomstandigheden heel wat NGO's, waaronder de Belgische NGO « Moeders voor Vrede », aanwezig. Via indirecte hulp wordt onder andere steun geboden aan lokale vrouwenorganisaties;
14. Vrouwenrechtenschendingen vereisen een evenwichtige aanpak. Het betrekken van mannen bij het zoeken naar oplossingen in Afghanistan is daarbij cruciaal en werd door verschillende sprekers tijdens de hoorzittingen benadrukt;
15. Wat de politieke vertegenwoordiging van vrouwen in Afghanistan betreft, telt het land, sinds de laatste verkiezingen van september 2010, 27,7 % vrouwelijke parlementairen.
B. Advies
Rekening houdende met de hoorzittingen en de daaropvolgende gedachtewisseling, doet het Adviescomité het volgende voorstel :
1. Algemene aanbevelingen
1. Het Adviescomité drukt haar waardering uit dat België in haar relatie met Afghanistan aandacht heeft voor de moeilijke situatie van vrouwen en apprecieert de aanwezigheid van de Belgische actoren op het terrein die zich inzetten voor de bescherming en promotie van de rechten van de vrouw;
2. Het Adviescomité meent dat er belangrijke juridische instrumenten aanwezig zijn om de bescherming van de rechten van de vrouw in Afghanistan te garanderen — zowel het internationale verdragskader als de Afghaanse Grondwet —, maar stelt een gebrekkige implementatie vast van die rechtsregels, alsook het bestaan van een aantal wettelijke discriminaties tegen de vrouw;
3. Het Adviescomité meent dat de Belgische inspanningen nog verder opgedreven moeten worden om de mensenrechten te beschermen en de ontplooiing van het land te ondersteunen. Bij het opentrekken van die hulp moet er bijzondere aandacht zijn voor de rechten van de vrouw door :
a) het uitvoeren van onze engagementen genomen in het kader van VN-resolutie 1325 en, meer in het bijzonder, de vraag om dringend het Belgische Nationale Actieplan 1325 te evalueren en te actualiseren. Bovendien moet steun worden verleend aan de opstelling van een Afghaans Nationaal Actieplan 1325;
b) de samenwerking met de indirecte actoren te versterken. Het is belangrijk de lokale Afghaanse vrouwengroepen te versterken en de rol van de Afghaanse vrouwenbeweging te erkennen;
c) vrouwelijke parlementairen te steunen. De internationale gemeenschap moet bijdragen aan de ondersteuning en internationale netwerking van deze vrouwen. Er moeten middelen worden vrijgemaakt zodat ze een beroep kunnen doen op de expertise van bijvoorbeeld de IPU, het East-West Institute, ...;
d) meer middelen in te zetten om de vrouwenrechten in Afghanistan te beschermen en te versterken, in het bijzonder door bij te dragen aan de financiering van gerichte programma's van UN Women;
2. Specifieke aanbevelingen
4. Punt 6 van de resolutie moet worden geschrapt. De vraag is overbodig gezien de NAVO nu een Actieplan hanteert met uitdrukkelijke aandacht voor Afghanistan;
5. Punt 7 van de resolutie moet worden herschreven en wijzen op het voortzetten en versterken van de uitbouw van kennis en expertise van gender en conflict. Daarbij zou gebruik moeten worden gemaakt van de beschikbare informatie, studies en expertise van de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling;
6. De tweede zin van punt 12 (« Hiertoe zal een handleiding voor onze ambassade worden opgesteld ») van de resolutie moet worden geschrapt. De aandacht voor de mensenrechten in Afghanistan is van het grootste belang. De voorgestelde handleiding lijkt niet het geëigende instrument hiertoe;
7. Punt 13 van de resolutie moet worden geschrapt. De aanwezigheid van Belgische militairen moet worden gezien in een ruimer perspectief, rekening houdende met het engagement dat ons land heeft genomen binnen de NAVO. Bovendien is het respect voor de mensenrechten als conditionaliteit voor een dergelijke missie niet het juiste uitgangspunt.
VI. STEMMINGEN
Het advies is eenparig aangenomen door de 11 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteurs.
| De rapporteurs, | De voorzitter, |
| Olga ZRIHEN. | Nele LIJNEN. |
| Sabine de BETHUNE. | |