5-11 | 5-11 |
Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Om te beginnen wijs ik erop dat in de titel van mijn vraag een stuk is weggevallen. In de correctie titel gaat mijn vraag over `de houding van onderzoeksrechter De Troy tegenover de bijstand van een advocaat bij een eerste verhoor'.
Ik heb deze week in een krant moeten lezen hoe verschillende advocaten aan de Brusselse balie hun beklag hebben gedaan over het optreden van onderzoeksrechter De Troy. Deze onderzoeksrechter zou er alles aan doen om te verhinderen dat advocaten, indien ze opgeroepen worden om een verdachte bij te staan, hun opdracht kunnen volbrengen. Concreet verbiedt hij de advocaten vóór het verhoor een gesprek te hebben met de verdachte en er waren verschillende incidenten, waarbij de heer De Troy in zijn contact met de advocaten, de normen van het fatsoen ruim zou hebben overschreden. Er zou zelfs geroepen, getierd en gedreigd geweest zijn.
Sinds enkele maanden organiseren de verschillende balies een permanentie om ervoor te zorgen dat een verdachte die voor de eerste maal bij een onderzoeksrechter moet verschijnen, kan worden bijgestaan door een advocaat. Op die manier wordt gedeeltelijk tegemoetgekomen aan de Salduzrechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Ook via de Senaatscommissie voor de Justitie werk ik samen met andere partijen en met u, mijnheer de minister, aan een wetsvoorstel, teneinde de Salduzrechtspraak definitief te integreren in de Belgische wetgeving.
Omdat ik bezorgd ben voor de huidige situatie bij de Brusselse balie, stel ik u dan ook volgende vragen.
Hoe reageert u op de weigering van bijstand tijdens het eerste verhoor bij deze specifieke onderzoeksrechter? Hebt u reeds contact gehad met onderzoeksrechter De Troy?
Betreft het hier één enkele onderzoeksrechter die problemen maakt van de aanwezigheid van de advocaat bij dit verhoor of waren er nog andere incidenten en vonden die plaats aan de balie in Brussel of ook in andere arrondissementen?
Het Brussels parket reageerde verrast op de kritiek, wat mijns inziens verbazend is omdat de Salduzproblematiek algemeen bekend is en er door de balies noodoplossingen zijn uitgewerkt. Waarom weigeren 22 van de 24 onderzoeksrechters gebruik te maken van die wachtdiensten?
Hoe kan deze situatie in de nabije toekomst worden voorkomen, zodat onderzoeksrechters wel vlot zullen samenwerken met de advocaten in het wachtsysteem van de balies. Kan in afwachting van een wettelijke regeling, die er hopelijk zeer snel zal komen, een ministeriële rondzendbrief worden verstuurd om dergelijke wantoestanden te voorkomen of zijn andere maatregelen mogelijk?
De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Wij hebben gisteren in de Senaatscommissie voor de Justitie een hele dag samen het Salduzdossier besproken. U bent dus perfect op de hoogte van het voorstel dat u zelf mee hebt ondertekend. Ik moet dus niet verder ingaan op de wetgevende context, noch op de oorsprong van de problematiek. Ik hoop dat we op korte termijn tot een oplossing kunnen komen.
Op het terrein heerst verwarring en daarom moeten we snel handelen.
De onderzoeksrechters vullen de zaak verschillend in en soms bestaat er een conflict tussen onderzoeksrechters en advocaten.
De Vereniging van Onderzoeksrechters heeft op 25 juni 2010 een eigen voorstel van handelen neergeschreven. Dat is echter geenszins bindend voor de individuele onderzoeksrechters, gelet op hun onafhankelijkheid.
Om dezelfde reden komt het mij niet toe enig commentaar te geven. Enkel de wetgever kan een einde maken aan de mogelijke diverse houdingen van diverse onderzoeksrechters.
Zoals ik al herhaaldelijk heb aangehaald, wordt het voorstel van de Vereniging voor Onderzoeksrechters in de praktijk niet algemeen toegepast.
In verschillende arrondissementen heeft men met de betrokken balie afspraken gemaakt om een wachtdienst op te richten en een bepaalde werkwijze afgesproken.
In andere arrondissementen wordt nog geen bijstand van een advocaat georganiseerd.
In de arrondissementen waar de mogelijkheid wel al georganiseerd is, blijft de onderzoeksrechter echter soeverein in zijn beslissing.
Conform artikel 151 van de Grondwet is de onderzoeksrechter onafhankelijk in de uitoefening van zijn taak.
Het is onmogelijk in het raam van deze mondelinge vraag een overzicht te geven van alle verschillende systemen die bestaan, laat staan van de individuele door elke onderzoeksrechter.
In het ressort Luik werd bijvoorbeeld onderzocht in welke vorm de eventuele bijstand door een advocaat tijdens het verhoor door de onderzoeksrechter gebeurt: passief, actief of ergens tussenin, bijvoorbeeld met de mogelijkheid om specifieke opmerkingen te formuleren.
Sommige onderzoeksrechters staan toe dat de advocaten een actieve rol spelen door het stellen van vragen en het formuleren van opmerkingen. Dat gebeurt in Neufchâteau en Marche-en-Famenne. In andere arrondissementen gaat het om een passieve rol, zoals in Eupen, Aarlen, Hoei.
Anders dan de onderzoeksrechters, die behoren tot de rechterlijke macht, zijn de magistraten van het Openbaar Ministerie hiërarchisch gestructureerd. Zij zijn derhalve verplicht de rondzendbrief te volgen die het College van procureurs-generaal heeft uitgevaardigd met addendum op 14 juli 2010.
Het College van procureurs-generaal wijst hierin naar het gegeven dat de Belgische wet de bijstand door een advocaat bij het eerste verhoor niet toestaat, gelet op het principe van het geheim van het onderzoek. Het College van procureurs-generaal stelt dat het zich niet in de plaats van de wetgever kan plaatsen om de concrete modaliteiten vast te leggen. Dat zou door de balies trouwens niet worden aanvaard en de onderzoeksrechters zijn hier evenmin door gebonden.
Het College heeft dus binnen het bestaande wettelijke kader naar bijna per definitie ontoereikende oplossingen voor de Salduz-rechtspraak gezocht.
Deze rondzendbrief wordt geëvalueerd in het licht van de evolutie van het huidige wetgevende werk en van de evolutie in de rechtspraak.
De situatie kan alleen worden gedeblokkeerd door een snel wetgevend optreden. Een ministeriële rondzendbrief biedt geen oplossing. Er moet een wettelijke regeling komen. Ik hoop dat we dit wetsvoorstel, mede door mevrouw Faes ondertekend, volgende week samen een hele dag kunnen bespreken en afhandelen. In voorbereiding van de vergadering van woensdag heb ik een afspraak gemaakt met OBFG en OVB om na te gaan op welke wijze ze bij het wetgevende initiatief kunnen worden betrokken. We moeten tot een oplossing komen die aanvaardbaar is, ook voor de advocatuur.
Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Natuurlijk zullen wij verder constructief samenwerken. De minister heeft verwezen naar de arrondissementen Neufchâteau en Marche-en-Famenne waar een actieve rol van de advocaat is toegestaan. Ik hoop dat de evaluatie daarvan bij de verdere bespreking aan bod komt.