5-25COM

5-25COM

Commission de la Justice

Annales

MERCREDI 19 JANVIER 2011 - SÉANCE DU MATIN

(Suite)

Demande d'explications de M. Bert Anciaux au ministre de la Justice sur «la situation en ce qui concerne la santé mentale des prisonniers en Belgique» (nº 5-281)

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Opnieuw confronteren zeer negatieve cijfers ons met de precaire geestelijke gezondheidstoestand van de gedetineerden in België. Onze gevangenissen dragen al zeer lang een bijzonder dubieus en zelfs uitgesproken negatief imago met betrekking tot de menselijke benadering van gevangenen en de wijze waarop ze gedetineerden voorbereiden op een succesvolle rentree in de samenleving. Sommigen horen dat niet graag, maar die laatste opdracht is volgens mij nog steeds de belangrijkste taak van gevangenissen. De recente cijfers over de aanvragen voor euthanasie bewijzen eens te meer het schrijnende en ontoelaatbare van deze situatie.

Gevangenen met een ziekte die hun lichaam dodelijk aantast, maken kans op vrijlating om medische redenen. Buiten de gevangenismuren kunnen ze met hun euthanasieaanvraag bij een arts terecht. Hoe ligt het voor gevangenen die om psychische redenen hun opsluiting niet aankunnen? Steeds meer gevangenen vragen, wegens een geestelijk onvermogen om in de gevangenis te leven, een einde te stellen aan hun leven. Specialisten begrijpen deze reactie, zeker bij mensen met een zeer lange celstraf voor de boeg of bij geïnterneerden die het hopeloze van hun situatie inzien. De afgelopen maanden ontving Justitie drie keer de vraag om euthanasie. In één geval ging het om een man met een ongeneeslijke, dodelijke spierziekte. Nog voor de vraag werd beantwoord, werd hij in november vrijgelaten om medische redenen. Hij overleed enkele weken later.

Twee andere vragen, van mannen die getuigen van een ondraaglijk psychisch lijden, wachten nog op behandeling. Eén van hen is al twintig jaar geïnterneerd. De kans dat hij een beroep kan doen op euthanasie is volgens professor palliatieve geneeskunde Wim Distelmans klein: `Het is buiten de muren al niet evident om aan te tonen dat je ondraaglijk psychisch lijdt en in een uitzichtloze situatie verkeert. Dat zijn de voorwaarden om met enkel een psychische aandoening een beroep te doen op euthanasie. Ik heb de vraag om informatie over levensbeëindiging als arts vijf keer gekregen van binnen de gevangenis. Dan gaat het om mondige mensen die de weg naar informatie vinden. Ik ben er zeker van dat we hier over het topje van de ijsberg spreken.'

Onderzoek toonde aan dat opsluiting in de gevangenis frequent depressies veroorzaakt. Een gedetineerde breekt vaak bruusk met zijn vroegere sociaal leven: een verbroken of soms vernietigde band met familie en vrienden, het verlies van werk. Opsluiting kan iemand drijven naar diep en uitzichtloos lijden, een erg zwaar ziektebeeld, soms ongeneeslijk. Zomaar ingaan op vragen voor euthanasie kan dan lijken op een verkapte of gecamoufleerde vorm van doodstraf. Anderzijds behoort het `lijden' tot de essentie van een opsluitingstraf: de veroordeelde moet afzien. De vraag of dit gunstig is voor de gevangenen en voor de samenleving blijft moeilijk te beantwoorden en vraagt zeker om vele nuances.

Hoe gaat de minister om met deze nieuwe situatie waarbij gevangenen met een ernstig psychisch ziektebeeld vragen om euthanasie? Wat ondernemen de diensten van Justitie concreet en bewijsbaar om het psychisch lijden van gevangenen tot een minimum te beperken? Deelt de minister de mening dat psychisch lijden geen vanzelfsprekende plaats mag hebben in de gevangenissen? Is de minister het met me eens dat een ernstig psychisch ziektebeeld beter in een andere omgeving kan worden bestreden? Beaamt de minister dat dit psychisch lijden oorzaak kan zijn van een nog groter onverantwoordelijk gedrag eenmaal de gevangenen vrijkomen en dat dit lijden als noodzakelijk onderdeel van de straf eigenlijk een slechte zaak is voor zowel de samenleving als voor de betrokken gestraften? Wat zal de minister in de nabije toekomst ondernemen om de geestelijke gezondheid van gedetineerden te verbeteren?

Waar liggen volgens de minister de cruciale oorzaken van deze aanhoudende en dus structurele malaise in het Belgische gevangeniswezen?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het betreft inderdaad een zware problematiek omdat het gaat om de essentie van bestraffen, om schuld en boete, om de limieten van ons vrijheidsberovend systeem. Op basis van het werk van professor Dupont hebben we gezocht naar de juiste definitie van de functie van een gevangenisstraf. Dat is in de beginselenwet helder gedefinieerd. Het grote probleem ligt in de toepassing ervan.

De toestand blijft zorgwekkend. In februari 2010 heb ik er tijdens het debat over de strafuitvoering op gewezen dat de problematiek van de geïnterneerden, 10% van de gevangenispopulatie, de eerste prioriteit moet zijn. Die mensen horen niet in de gevangenis thuis. Hiervoor zijn investeringen nodig. Op korte termijn moeten er minstens vijfhonderd plaatsen bijkomen in psychiatrische forensische centra. In Vlaanderen zullen onder meer in Gent en Antwerpen en in Wallonië in Doornik psychiatrische gedetineerden in een aparte instelling worden ondergebracht. Daarnaast moeten de Gemeenschappen en de FOD Volksgezondheid in het zorgcircuit vijfhonderd plaatsen creëren.

Euthanasie wil ik relativeren. Het blijft immers een uitzondering. Als een gedetineerde te kennen geeft euthanasie te willen, wordt de wettelijke procedure gevolgd zoals die geldt voor iedereen. In geen geval beslist de administratie over euthanasie. Ze voert ze ook niet uit. Euthanasie is een medische beslissing en handeling. In de gevangenis gaat het om zeer uitzonderlijke gevallen. Het lijkt me dan ook niet gepast nu al conclusies te trekken alsof het om een groot probleem gaat. Als het verzoek om euthanasie niet gerespecteerd zou worden, dan moet dit gesignaleerd worden, maar in principe geldt dezelfde procedure als buiten de gevangenis. Een gevangenisstraf heeft uiteraard een impact op het individu en veroorzaakt detentieschade. De vraag is welke vermijdbare detentieschade kan worden geëlimineerd. Dat is het debat van de beginselenproblematiek, van de wet-Dupont. We moeten nagaan hoe we via infrastructuur, sociaal klimaat, assistentie en dienstverlening van de gemeenschappen humane detentievoorwaarden kunnen realiseren. Infrastructuur is daarbij een belangrijk element.

Arbeid in de gevangenis wordt onderschat. Het is het middel bij uitstek om te functioneren. Er is contact met de buitenwereld en familie, vorming, sport en ontspanning. Er moet intensief worden samengewerkt met de diensten van de gemeenschappen en de gewesten. Een debat over intensere samenwerking met de gemeenschappen en zelfs regionalisering is zeker wenselijk.

(Mme Christine Defraigne prend place au fauteuil présidentiel.)

Ik begrijp uw bekommernis zeer goed, maar helaas kan ik niet op alle aspecten daarvan ingaan.

We hebben ervoor gezorgd dat alle gevangenissen beschikken over een psychosociale dienst en over een zorgequipe. Het is een stevige stap vooruit dat alle gevangenen daarop een beroep kunnen doen, maar voldoende is dat nog niet.

De problematiek van de euthanasie in de gevangenissen intrigeert me, ook al omdat dit de eerste keer is dat iemand mij daarmee confronteert. Tot vandaag is mij daarover nog nooit een probleem gemeld, maar ik kan me best voorstellen dat dit in de gevangenissen een zeer delicaat probleem vormt waarvoor we bijzondere aandacht moeten hebben, als zou blijken dat daar niet correct mee wordt omgesprongen, quod non voor zover ik vandaag weet.

De heer Bert Anciaux (sp.a). - Ik besef dat mijn vraag vrij algemeen gesteld was en dat u er dan ook moeilijk diep op kunt ingaan. Het vormt een problematiek die ik wil blijven volgen en die blijkbaar ook de minister bezighoudt.

Toch ben ik ook wat ontgoocheld. Ik besef hoe moeilijk dit dossier ligt en hoe moeilijk het is om er initiatieven voor te ondernemen. Ik hoop alleen dat er geen moedeloosheid groeit bij de vandaag al veel te zeldzame mensen die zich daarvoor inzetten. Er worden wel stappen gezet, maar er moet nog veel meer gebeuren.

Ik zal er ook op aandringen dat er meer overleg komt met de Gemeenschappen, over cultuur, sport, welzijn ... Ik weet uit eigen ervaring hoe belangrijk het nieuwe initiatief van de psychosociale dienst is, omdat ik als advocaat zeer veel interneringen heb begeleid. Maar die ervaring heeft me ook geleerd hoe middeleeuws het er vaak nog toegaat. Er moeten nog veel meer stappen gezet worden, zo niet zullen we grote drama's meemaken.