5-5

5-5

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 21 OKTOBER 2010 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Luc Sevenhans aan de minister van Landsverdediging over «het taalkundig onevenwicht in het Belgische officierenkorps en de voorgestelde werkgroep rond de vervlaamsing van de legertop» (nr. 5-43)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.

De heer Luc Sevenhans (N-VA). - De voorbije dagen was er opschudding over de vervlaamsing van Landsverdediging. Dat verbaast me. Er wordt vastgesteld dat de chefs van de verschillende legercomponenten Vlamingen zijn. Dat is juist, maar dat is al meer dan een jaar het geval. Het feit dat dit nu in de belangstelling wordt gebracht is geen toeval. Het wordt misbruikt in de lopende onderhandelingen of wat daarvoor moet doorgaan. Kolonel Gennart werd daartoe voor de kar gespannen. Tegelijkertijd stuurde kolonel Gennart kwakkels rond over Florennes.

Gisteren werd deze problematiek uitvoerig besproken in de commissie van Landsverdediging in de Kamer. Daar werd voorgesteld deze problematiek in een werkgroep te bespreken. De minister heeft gisteren geantwoord dat hij bereid is elk initiatief te overwegen. Ik heb intussen echter begrepen dat hij niet op dat voorstel zou ingaan. Wat is de minister van plan? Ik adviseer de minister niet op dat voorstel in te gaan, want de problematiek is voldoende bekend en kan worden opgelost binnen Landsverdediging.

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van minister De Crem.

Het is niet aan de regering, in dit geval de minister van Landsverdediging, om de werking van het parlement te bepalen. Het parlement beslist autonoom over de wijze waarop het zijn werkzaamheden regelt. Ik sta steeds ter beschikking van het parlement.

Over de problematiek zelf kan ik het volgende zeggen. De wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger bepaalt in artikel 6bis dat, om tot een graad van opperofficier te worden bevorderd, iedere beroepsofficier de grondige kennis moet bezitten van de taal van het andere taalstelsel dan dat waartoe hij behoort.

Momenteel telt de lijst van potentiële kandidaten voor de graad van opperofficier ongeveer dertig procent Franstaligen en zeventig procent Nederlandstaligen. Procentueel voldoen dus minder Franstalige kolonels aan de voorwaarden. Het cijfer van het aantal officieren dat over de grondige kennis van de andere taal beschikt, vertoont hetzelfde onevenwicht, met name 197 Franstaligen en 489 Nederlandstaligen. Om dit te verhelpen worden de Franstaligen aangemoedigd om aan het examen over de grondige kennis deel te nemen en te slagen. Het zijn echter de betrokkenen zelf die uiteindelijk het initiatief moeten nemen.

De cijfers tonen aan dat maatregelen dienen te worden genomen vanaf het begin van de loopbaan van de officieren. Teneinde tweetaligheid te bevorderen, werden verschillende initiatieven genomen zonder de taalwetgeving te hoeven aanpassen, bijvoorbeeld door de tweetalige officieren voorrang te geven bij hun wapenkeuze, door de jonge officieren aan te moedigen hun standplaats te kiezen in een eenheid van het andere taalstelsel, door de kennis van de tweede landstaal op te leggen om te mogen deelnemen aan bepaalde cursussen of door een breed geheel van tools van het type `e-learning' aan te bieden voor het aanleren van een taal.

Die maatregelen hebben het nadeel dat er slechts een mogelijk effect is op lange termijn.

Op korte termijn werd de mogelijkheid geboden om gepersonaliseerde taalcursussen te volgen. Vier kolonels zijn op dat aanbod ingegaan. Eén van hen, die de taalcursus bij CERAN in Spa heeft gevolgd, heeft het examen over de grondige kennis afgelegd, maar hij was niet geslaagd. De drie andere kolonels hebben hun examen van grondige kennis nog niet afgelegd.

De heer Luc Sevenhans (N-VA). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord.

Ik kan mij volledig terugvinden in het tweede deel van zijn antwoord. De problematiek is bekend. Er is een overwicht aan Nederlandstalige generaals en de reden daarvoor moet men zoeken bij de talenkennis van de kolonels, de toekomstige generaals.

Ik apprecieer de vriendelijke woorden van de minister wanneer hij zegt dat hij openstaat voor het parlement. U mag gerust de boodschap meegeven dat ik mijn collega's van de Kamercommissie heb gevraagd niet in te gaan op de vraag om een werkgroep of wat dan ook op te richten, want daar zal slechts een politiek spel worden gespeeld.

Het is een probleem binnen Landsverdediging en het moet binnen Landsverdediging worden opgelost.