5-316/1

5-316/1

Belgische Senaat

ZITTING 2010-2011

13 OKTOBER 2010


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat betreft het verval van het recht tot sturen

(Ingediend door de heer Guido De Padt)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 18 april 2008 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 52-1080/1).

Naar luid van artikel 46 van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, worden de formaliteiten die moeten worden vervuld met betrekking tot de uitvoering van de vervallenverklaringen van het recht tot sturen bepaald door het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs. Artikel 67 stelt dat iedereen die een verval van recht tot sturen heeft opgelopen, gehouden is om zijn (voorlopig) rijbewijs binnen vier werkdagen bij de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken, te laten toekomen. In de praktijk wordt echter vastgesteld dat veroordeelden regelmatig nalaten of weigeren hun rijbewijs in te leveren ter griffie, zoals door de wet bepaald. Doorgaans komen dergelijke feiten slechts aan het licht wanneer de betrokkene een nieuwe inbreuk pleegt of een ongeval veroorzaakt in de periode van het verval van het recht tot sturen. Alhoewel de ordediensten ongetwijfeld het nodige doen binnen hun mogelijkheden, ontbreekt een efficiënte controle op de naleving van het rijverbod. Bij een controle kunnen de politiediensten wel onmiddellijk nagaan of een bestuurder in het bezit is van een geldig rijbewijs. Zij kunnen echter niet controleren of een bestuurder zijn rijbewijs al of niet ingetrokken is en eigenlijk stuurt spijts een tegen hem uitgesproken verval.

Zo komt het voor dat tot een verval van het recht tot sturen veroordeelde bestuurders rustig blijven verder rijden, hun rijbewijs bij een controle voorleggen aan de politiediensten en nooit op heterdaad worden betrapt op het sturen spijts een verval. Dergelijke feiten komen, zoals gezegd, slechts aan het licht wanneer de betrokkene een nieuwe inbreuk pleegt of een ongeval veroorzaakt. De maximumstraf die een rechter dan in dergelijke gevallen kan opleggen, betreft een bestraffing van de eerste graad. Volgens artikel 29, § 2, zijn alle resterende overtredingen, niet opgesomd in § 1, namelijk overtredingen van de eerste graad en die kunnen enkel en alleen worden bestraft met een geldboete.

De indiener is van oordeel dat een geldboete in dergelijke gevallen geen adequate bestraffing inhoudt vermits het sturen spijts een verval toch een ernstig misdrijf is. Hij meent dan ook dat de rechter bij het niet inleveren van het rijbewijs en het verder blijven sturen, de mogelijkheid moet krijgen om een nieuw of bijkomend verval uit te spreken. Dit zal toelaten dat dergelijke overtredingen ook ten aanzien van kapitaalkrachtige bestuurders op een gepaste wijze zullen kunnen worden bestraft.

Een inbreuk op artikel 30, § 2, van de op 18 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer is eveneens niet strafbaar met een mogelijk verval van het recht tot sturen. Artikel 30, § 2, bepaalt dat de bestuurder en de persoon die hem desgevallend begeleidt, ingeval zij een overtreding begaan tegen de bepalingen vastgelegd krachtens artikel 23, § 1, 2º en 4º, worden bestraft met een geldboete alleen.

Artikel 23 bepaalt de formele voorwaarden waaraan een individu moet voldoen alvorens hem een rijbewijs kan worden afgeleverd. Het tweede en het vierde lid bepalen dat een kandidaat bestuurder moet geslaagd zijn voor een praktisch en een theoretisch examen. In concreto gaat het hier om het niet-naleven van de voorwaarden tijdens het sturen met een voorlopig rijbewijs.

In de praktijk wordt vastgesteld dat heel wat (jonge) bestuurders die geen houder zijn van een definitief rijbewijs, zich niet altijd houden aan de hen opgelegde beperkingen van het sturen met een voorlopig rijbewijs. Zo worden heel wat jonge bestuurders tijdens het weekend en 's nachts aangetroffen achter het stuur, doorgaans in de buurt van uitgaansgelegenheden zoals cafés en discotheken. Zij misbruiken op die momenten het vertrouwen dat in hen wordt gesteld.

Ook in dergelijke gevallen is de indiener ervan overtuigd dat enkel een geldboete niet altijd een gepaste straf inhoudt. Hij is hier eveneens de mening toegedaan dat de rechter de mogelijkheid zou moeten krijgen een verval van het recht tot sturen te kunnen uitspreken tegen deze overtreders.

Dit wetsvoorstel wil de rechter de mogelijkheid bieden het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uit te spreken indien hij oordeelt wegens overtredingen van artikel 46 en artikel 30, § 2, van de gecoördineerde wetten van 18 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. Daartoe wil dit wetsvoorstel de limitatieve lijst van overtredingen waarvoor dit mogelijk is, zoals opgesomd in artikel 38, uitbreiden.

Guido DE PADT.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 38 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, laatst gewijzigd bij de wet van 21 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in paragraaf 1, eerste lid, 5º, worden de woorden « en § 2 » ingevoegd tussen de woorden « artikelen 30, § 1 » en de woorden « of 33 »;

2º paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de bepaling onder 6º, luidende :

« 6º indien hij veroordeelt wegens overtreding van artikel 46 ».

27 september 2010.

Guido DE PADT.