5-200/1

5-200/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2010

30 SEPTEMBER 2010


Voorstel van resolutie betreffende de stand van zaken in de onderhandelingen in de Wereldhandelsorganisatie over de Doha Development Agenda

(Ingediend door mevrouw Christine Defraigne)


TOELICHTING


Dit voorstel van resolutie neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 6 november 2008 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-997/1 - 2008/2009).

Tijdens de onderhandelingsronde, die in juli 2008 in GenŤve plaatsvond, heeft men geen consensus kunnen vinden over de handel in landbouw- en industriŽle producten, noch over de uitwisseling van diensten. De laatste ministeriŽle onderhandelingen zijn mislukt omdat men er niet in slaagde nauwkeurig de parameters te bepalen van een beding dat de ontwikkelingslanden moest beschermen tegen plotse periodes van invoer die hun systeem van landbouwproductie in gevaar kunnen brengen : inzake dat beding stonden twee partijen tegenover elkaar, gegroepeerd achter, aan de ene kant, de Amerikanen — als woordvoerders van de exporteurs van landbouwgrondstoffen — en, aan de andere kant, de IndiŽrs — als woordvoerders van de overlevingslandbouw.

De laatste gesprekken hadden echter ongetwijfeld de verdienste dat de belangrijkste knelpunten, die bij nieuwe gesprekken bij voorrang moeten worden aangepakt, aan het licht kwamen.

Hoewel er sinds begin 2008 heel wat vooruitgang is geboekt, waardoor de leden van de Wereldhandelsorganisatie dichter bij het afronden van dat akkoord kunnen komen, liggen de ministeriŽle onderhandelingen van de Wereldhandelsorganisatie die de Doha-cyclus moeten afsluiten sinds eind juli 2008 stil.

Sindsdien hebben de ministers beslist hun deskundigen opnieuw aan het werk te zetten om voor het einde van het jaar een akkoord te proberen vinden over de nog openstaande zaken die deel uitmaakten van de onderhandelingen van juli : inzake landbouw, het beruchte speciale beschermingsbeding en enkele andere onderwerpen, zoals de Amerikaanse en Europese subsidies voor de katoenteelt. Wat de industriŽle goederen betreft, blijven eveneens verscheidene technische punten openstaan, onder andere de lijst van sectoren waarin de verlaging van de douanerechten verder zal gaan dan de algemene regeling voor alle producten.

Ondanks die zorgwekkende schaduwzijde tekent de omtrek van het eindpakket van de Doha-cyclus zich voldoende duidelijk af om er de economische, politieke en systeemgebonden weerslag van in te schatten.

Op economisch gebied komt dit neer op de halvering van de douanerechten die vandaag voor industrie en landbouw gelden, waarvan twee derde in de ontwikkelde landen en een derde in de groeilanden, terwijl de armste landen van die verlaging van de douanerechten worden vrijgesteld. Voor dat alles geldt een periode van tenuitvoerlegging van vijf jaar voor de ontwikkelde landen en van tien jaar voor de ontwikkelingslanden. Aangezien die douanerechten hoog zijn, moet de weerslag op de handel groot zijn. De weerslag van de bijkomende mogelijkheden op het vlak van de dienstverlening is moeilijker in te schatten.

Wat de landbouwsubsidies betreft, worden de tijdens de vorige ronde vastgelegde bovengrenzen voor overheidssteun, met 70 tot 80 % verlaagd. De exportsubsidies zullen definitief worden verboden. Andere onderwerpen moeten nog worden afgerond : de regulering van antidumping, de visvangstsubsidies, de douaneprocedures, bepaalde aspecten van de bescherming van de intellectuele eigendom of de goederen en diensten op het vlak van het milieu, om slechts enkele voorbeelden te geven.

Op politiek gebied gaat het er vooral om een nieuw evenwicht te brengen in de regels van de Wereldhandelsorganisatie, iets wat de ontwikkelingslanden eisen. Ze menen dat er uit de acht vorige cycli oude machtsverhoudingen zijn meegenomen, waardoor hun integratie in de internationale handel wordt gehinderd en bijgevolg ook hun groei alsook de armoedebestrijding op gebieden waar ze inmiddels concurrentievoordelen hebben verworven inzake nijverheids- en landbouwgoederen of diensten.

De tijd dat de Verenigde Staten, Europa, Canada en Japan de lakens uitdeelden bij de GATT of de Wereldhandelsorganisatie is voorbij en de Doha-cyclus moet worden beschouwd als de voorloper van een billijker systeem waarin de groeilanden — China, India, BraziliŽ, Zuid-Afrika, IndonesiŽ, enz. — als tegenprestatie bereid moeten zijn hun deel van de verantwoordelijkheid te dragen.

Het derde en laatste aspect van die cyclus, is het systeemaspect. De Doha-cyclus afsluiten komt neer op het verzilveren van de economische winst van een nieuwe reeks van openstellingen van op grond van de bijdragemogelijkheden van de deelnemers billijk gespreide markten. De zaak afronden betekent ook dat men een van de zeldzame internationaal efficiŽnte reguleringssystemen consolideert. Omgekeerd betekent niet afronden, dat men een openbaar goed uitholt dat men met geduld en moeite gedurende meer dan een halve eeuw heeft opgebouwd en dat transparantie, voorspelbaarheid en stabiliteit heeft gebracht.

Christine DEFRAIGNE.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. gelet op de ministeriŽle verklaring van Doha die op 14 november 2001 werd aangenomen door de Wereldhandelsorganisatie,

B. gelet op het slotdocument dat bij consensus op 12 september 2008 in GenŤve, na de jaarzitting 2008 van de parlementaire conferentie over de Wereldhandelsorganisatie, werd aangenomen,

C. meent dat de belangen van de ontwikkelingslanden, vooral van de minst ontwikkelde landen (MOL), alsook de verbintenis van alle leden van de Wereldhandelsorganisatie ten gunste van de ontwikkelingscyclus centraal in de onderhandelingen moeten blijven staan,

D. is ervan overtuigd dat een mislukking van de Doha-cyclus de onzekerheid die momenteel de wereldeconomie beheerst nog zou doen toenemen en de geloofwaardigheid van het multilaterale handelsstelsel op losse schroeven dreigt te zetten, waardoor men zou wegzakken in regionale en bilaterale handelsovereenkomsten,

Vraagt de regering :

1. eraan te herinneren hoeveel belang ze hecht aan een multilaterale aanpak van het handelsbeleid en aan de rol van de Wereldhandelsorganisatie, die in staat moet zijn om een algemeen, ambitieus en evenwichtig resultaat voor de internationale handel te waarborgen, waarbij de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MOD) volledig in acht worden genomen;

2. de nodige diplomatieke initiatieven te nemen opdat de Wereldhandelsorganisatie op coherente wijze met de andere internationale organisaties in allerijl de nieuwe uitdagingen aangaat waarbij handel een rol speelt, zoals voedselzekerheid, energie, handelssteun en de klimaatwijziging;

3. er bij de Europese Commissie op aan te dringen dat de onderhandelingen zo snel mogelijk worden hervat, op grond van de vooruitgang die tot dusver bij de onderhandelingen werd geboekt en dat er voor het einde van dit jaar een akkoord wordt gesloten;

4. de grote economische wereldactoren (G20) te vragen zich bij de huidige onderhandelingen verantwoordelijk op te stellen, de geest van de ontwikkelingscyclus zonder voorbehoud in acht te nemen en alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk een akkoord te bereiken;

5. India en de Verenigde Staten te verzoeken een politieke oplossing te vinden voor het probleem van de toepassingsvoorwaarden voor het bijzondere beschermingsmechanisme, om een rechtvaardig evenwicht te verzekeren tussen het belang van de handel en dat van de voedselzekerheid — door bijvoorbeeld de uitbreiding van de tariefcontingenten, de vereenvoudiging van de tarieven, of subsidies voor katoen;

6. het initiatief ę Alles behalve wapens Ľ van de Europese Unie te promoten, door een volledig taks- en quotavrije toegang tot de markt te waarborgen voor de minst ontwikkelde landen;

7. het programma voor handelsgerelateerde bijstand en gerichte technische bijstand te stimuleren;

8. het ontwikkelingsaspect te verdedigen bij het afronden van de Doha-cyclus;

9. aan de hand van een ambitieus Europees standpunt voorbereidingen te treffen voor de hervorming van de Wereldhandelsorganisatie, om deze organisatie efficiŽnter en transparanter te maken en haar meer democratische legimiteit te verlenen, alsook voor haar verplichting om rekenschap af te leggen, haar transparantie, haar openheid en haar aanpassing aan het schema van het deugdelijk bestuur.

20 juli 2010.

Christine DEFRAIGNE.