4-96

4-96

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 19 NOVEMBRE 2009 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Louis Ide à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargée de l'Intégration sociale sur «la nouvelle réglementation concernant le don d'organes» (nº 4-1164)

M. le président. - M. Olivier Chastel, secrétaire d'État aux Affaires européennes, répondra.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - In België wordt de orgaandonatie tot nu toe geregeld door een wet van 1986. Die maakt het mogelijk de organen van een overledene te gebruiken wanneer die zich tijdens zijn leven niet tegen een eventuele donatie heeft verzet. Dat geldt niet wanneer men de organen van de overledene voor wetenschappelijke doeleinden wil gebruiken. Daarvoor is de uitdrukkelijke toestemming van de overledene nodig.

Op 1 december treedt er een nieuwe wet in werking, namelijk de wet van 19 december 2008 inzake het verkrijgen en gebruik van menselijk lichaamsmateriaal met het oog op de geneeskundige toepassing op de mens of het wetenschappelijk onderzoek. Door deze nieuwe wet kunnen organen ook zonder toestemming bij de overledene worden weggenomen. Wie zich verzet tegen het afstaan van zijn organen voor wetenschappelijk onderzoek, verzet zich ook tegen het afstaan ervan aan noodlijdende mensen. De nieuwe wet maakt geen onderscheid meer tussen de beide categorieën.

Bepaalde mensen op het terrein, zoals professor Herman Nys in De Huisarts van 5 november schrijft, vrezen dat deze nieuwe regeling nefaste gevolgen kan hebben voor het aantal organen dat voor donatie beschikbaar komt. Ze vrezen dat mensen die hun organen wel willen afstaan voor transplantatie maar niet voor wetenschappelijke doeleinden zich tegen orgaandonatie zullen verzetten.

Wat is de mening van de minister in deze kwestie?

Kan de wet zo worden aangepast dat er een onderscheid blijft bestaan tussen orgaandonatie voor transplantatie en voor de wetenschap?

Heeft de minister met de mensen op het terrein reeds rond de tafel gezeten?

Was de minister op de hoogte van de ongerustheid die er heerst?

De heer Olivier Chastel, staatssecretaris voor Europese Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De wet van 19 december 2008 verwijst inderdaad naar de bepalingen van de wet van 13 juni 1986 voor het opting-outbeginsel voor het wegnemen van menselijk lichaamsmateriaal na het overlijden. Dat betekent dat wie vanaf 1 december van dit jaar aangeeft dat hij na zijn overlijden geen organen wenst af te staan, meteen ook weigert menselijk lichaamsmateriaal af te staan met het oog op een toepassing die in deze wet wordt omschreven.

Toch wil ik de bewering nuanceren dat over deze verwijzing naar het opting-outbeginsel uit de wet op de orgaantransplantatie, `ongerustheid zou heersen op het terrein'. Tot vandaag kreeg ik geen informatie die erop wijst dat bij potentiële donoren zo'n wantrouwen heerst tegenover wetenschappelijk onderzoek, dat het aantal weigeringen tot wegneming van organen nu zou toenemen.

Ik wil in dit verband ook wijzen op een recente studie naar de bereidheid van burgers om menselijk lichaamsmateriaal af te staan voor wetenschappelijk onderzoek, die op vraag van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie in de KULeuven werd uitgevoerd. Uit deze studie blijkt dat er een groot maatschappelijk draagvlak voor en vertrouwen is in biomedisch onderzoek. Mensen aanvaarden doorgaans zonder probleem dat residuair lichaamsmateriaal, materiaal dat overgebleven is na een diagnostische of therapeutische ingreep, voor wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt. De burger blijkt ook een groot vertrouwen te hebben in de rol van de ethische commissies bij het beoordelen van wetenschappelijke onderzoeksprojecten. Uit de bevindingen van deze studie kan worden afgeleid dat het gebruik van post mortem weggenomen menselijk lichaamsmateriaal voor wetenschappelijk onderzoek een redelijk draagvlak kent. Ik wijs er ook op dat het menselijk lichaamsmateriaal voor wetenschappelijk onderzoek zich in een biobank dient te bevinden. Een koninklijk besluit in uitvoering van artikel 22 van de wet is in voorbereiding. Een biobank kan pas worden erkend na een gunstig advies van een ethische commissie. Dat biedt op zich toch een bijkomende waarborg voor de ethische kwaliteit van het geplande wetenschappelijk onderzoek.

Toch blijft er een verschil bestaan tussen enerzijds een opting-out voor het wegnemen van menselijk lichaamsmateriaal post mortem voor therapeutische toepassing en anderzijds een opting-out voor het wegnemen post mortem met als primaire intentie het wetenschappelijk onderzoek. Ik ben me bewust van de ethische gevoeligheden op dit punt. Ik zal hierover advies vragen aan het Raadgevend comité voor de bio-ethiek. Deze vraag zal deel uitmaken van een globale evaluatie van het Belgische model van `presumed consent' voor donatie post mortem.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik wil het probleem alleen maar preventief signaleren. Men heeft de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in campagnes voor orgaandonatie. Men heeft er alles aan gedaan om het taboe weg te werken. Het zou jammer zijn dat mensen zouden afhaken voor orgaandonatie omdat ze niet begrijpen wat er gebeurt.