4-82

4-82

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 2 JUILLET 2009 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Hugo Coveliers à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique sur «les problèmes permanents relatifs à la validité des arrêtés royaux nos 78 et 79» (nº 4-996)

M. le président. - M. Olivier Chastel, secrétaire d'État aux Affaires étrangères, chargé de la Préparation de la Présidence européenne, adjoint au ministre des Affaires étrangères répondra.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Ik heb al vier keer een vraag gesteld over die beruchte koninklijke besluiten. Telkens antwoordt een andere staatssecretaris als woordvoerder van de minister. Die woordvoerders kunnen uiteraard niet antwoorden op mijn repliek, zodat ik mijn vragen over deze koninklijke besluiten stap voor stap moet stellen om een volledig antwoord te krijgen.

Vast staat dat er iets gebeurd is met die koninklijke besluiten. Dat blijkt uit de antwoorden op mijn vorige vragen. In het antwoord op mijn vorige vraag stelde de minister dat de tekst die door de Koning werd ondertekend, identiek is aan de tekst die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Als ik dat antwoord naast het antwoord op de daaraan voorafgaande vraag leg, betekent dit dat de verschillen betrekking hebben op enerzijds de versie die werd goedgekeurd door de Ministerraad en anderzijds de versie van de besluiten die werd ondertekend door de Koning en daarna werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

Nu blijken de diensten van de minister over een proces-verbaal van 28 september 1993 te beschikken, opgemaakt in het kader van een onderzoek van de toenmalige onderzoeksrechter Bulthé. In dat proces-verbaal wordt gesteld dat een besluit dat reeds aan de Raad van State ter advies is voorgelegd en nadien substantiële wijzigingen ondergaat, opnieuw aan de beraadslaging van de Ministerraad moet worden onderworpen.

Aangezien de minister in het vorige antwoord te kennen gaf dat zij beschikt over de versie die werd goedgekeurd door de Ministerraad én over de versie gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, kan zij vaststellen of er al dan niet substantiële wijzigingen zijn gebeurd. Indien er substantiële verschillen zijn, moet de minister meedelen op welke punten de tekst is gewijzigd en waarom de tekst niet opnieuw aan de Ministerraad is voorgelegd.

Als ik mij vergis en de tekst toch opnieuw ter beraadslaging aan de Ministerraad is voorgelegd, dan wil ik graag weten op welke datum die Ministerraad heeft plaatsgegrepen, zodat ik kan nagaan welke beslissing de Ministerraad over dit gewijzigd koninklijk besluit heeft genomen.

De heer Olivier Chastel, staatssecretaris voor Buitenlandse Zaken, belast met de Voorbereiding van het Europese Voorzitterschap, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Mijn diensten delen me mee dat ze geen kennis hebben van het proces-verbaal waarnaar senator Coveliers verwijst. Ik kan er dus ook moeilijk commentaar op geven.

Dit gezegd zijnde, bevestig ik dat, wat de huidige praktijk betreft, de rondzendbrief van de eerste minister van 21 december 2007 betreffende de werking van de Ministerraad het volgende bepaalt: `In de notificatie van de beslissing kan worden gesteld dat een dossier, na advies van de Raad van State, opnieuw aan de Raad moet worden voorgelegd, maar wanneer echter de Raad van State fundamentele opmerkingen maakt, moet het dossier in ieder geval opnieuw aan de Ministerraad worden voorgelegd, zelfs indien dit niet eerder formeel op de Ministerraad werd beslist. Het is de minister-dossierbeheerder die ter zake zijn politieke verantwoordelijkheid moet nemen.'

Volgens de Kanselarij van de eerste minister bestond er geen dergelijke rondzendbrief in 1967, maar golden er wel verspreide instructies van 1958. Op basis van een eerste onderzoek vermelden die de Raad van State niet. Dat sluit echter niet uit dat destijds ter zake bijzondere gebruiken bestonden, maar zelf heb ik daar geen weet van. Het is hoe dan ook onmogelijk om vandaag de houding van de toenmalige minister te beoordelen op basis van regels die toen misschien nog niet in voege waren.

Het komt me in elk geval voor dat de minister die deze besluiten aan de Koning voorgelegd heeft, zijn politieke verantwoordelijkheid heeft genomen door het dossier geen tweede maal aan de Ministerraad voor te leggen. Ik heb er geen kennis van dat andere leden van de toenmalige regering hem dat zouden hebben verweten. Onder die voorwaarden lijkt het me moeilijk om een oordeel te vellen over een keuze van meer dan veertig jaar geleden, waarbij de ministers van de toenmalige regering zelf geen vragen hadden.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Met veel genoegen heb ik het antwoord van de minister beluisterd. Spontaan rijzen bij mij al een reeks andere vragen als ik hoor dat de toenmalige minister zijn politieke verantwoordelijkheid heeft genomen.

Dat is de vraag niet. De ultieme vraag is of er aan de koninklijke besluiten iets veranderd is of niet. Indien in 1968 een minister er geen graten in zag om koninklijke besluiten te laten veranderen en vervolgens te laten ondertekenen, is het mogelijk dat anno 2009 bepaalde rechtbanken er wel graten in zien om die koninklijke besluiten toe te passen. Met een zeer recent arrest kan ik immers illustreren dat een Hof of een rechtbank niet gehouden zijn om een koninklijk besluit toe te passen dat niet met toepassing van of conform met een wet is genomen. Daarover gaat het mij en daarover zal ik na het zomerreces wellicht nog enkele vragen stellen.