4-82 | 4-82 |
(Voor de aanbevelingen aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 4-1203/1.)
Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V), rapporteur. - De wet betreffende de opvang van asielzoekers, die tijdens de vorige regeerperiode is goedgekeurd, voorziet in een evaluatie een jaar na de inwerkingtreding. Om die reden hebben heel wat leden van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, waaronder ikzelf, erop aangedrongen hoorzittingen te organiseren. Zo heeft de commissie verschillende experts en vertegenwoordigers gehoord. Er werden onder andere vertegenwoordigers gehoord van Fedasil, Rode Kruis Vlaanderen, Croix-Rouge de Belgique, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten, de Union des Villes et Communes de Wallonie, CIRÉ, Vluchtelingenwerk Vlaanderen en van de Brusselse gemeenten. Uiteraard kwam ook minister Arena aan het woord.
De commissie heeft beslist om de wet en de asielprocedure zelf afzonderlijk te evalueren, ofschoon iedereen erkent dat beide aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Voor de inhoud van de hoorzittingen verwijs ik naar het schriftelijke verslag. Op de conclusies en de aanbevelingen van de commissie wil ik wel dieper ingaan.
De commissie stelde vooraf vast dat de wet moeilijk kan worden geëvalueerd omdat de opvang zelf vanaf het begin moeilijk is verlopen.
Ten eerste heeft de commissie vastgesteld dat de wet nog niet naar behoren functioneert omdat veel van de nodige koninklijke besluiten nog altijd niet genomen zijn. Het gaat om niet minder dan 22 besluiten. Dat uitblijven is onder andere te wijten aan het feit dat de opvangstructuren overbezet zijn en dat met de actoren op het terrein wordt samengewerkt. De commissie roept minister Arena alleszins op de resterende 22 koninklijke besluiten zo snel mogelijk uit te vaardigen. De minister verbindt zich daar ook toe.
Een tweede probleem is de overbezetting van de opvangstructuren. De belangrijkste oorzaak hiervoor is dat een groot aantal personen al jarenlang in de opvang zitten. Daarnaast is er ook een stijging van het aantal asielzoekers en van het aantal meervoudige asielzoekers. Verder vormen ook de doorstroming naar de individuele opvangplaatsen en de uitstroom een probleem.
Ten slotte heeft ook het uitblijven van de aangekondigde rondzendbrief met betrekking tot de regularisaties gevolgen voor de opvang. We weten dat sommige mensen die in de opvang zitten, in aanmerking komen voor een regularisatie. Ook geeft het uitblijven van de rondzendbrief hoop aan heel wat mensen die niet zullen kunnen worden geregulariseerd. Zij dienen meervoudige aanvragen in in de hoop dat ze zullen worden geregulariseerd.
De commissie beveelt dan ook aan om de doorstroom van collectieve naar individuele opvangstructuren te bevorderen. Ook de uitstroom van uitgeprocedeerde en illegale personen moet worden gestimuleerd. Tevens moeten de huisvestingsproblemen van de personen die inmiddels een verblijfstitel hebben ontvangen, worden opgelost.
Vervolgens moet de nieuwe, in het regeerakkoord afgesproken circulaire over de regularisaties er zo snel mogelijk komen, wat uiteraard gevolgen zal hebben voor de opvang, maar op termijn uitdovend zal zijn.
De regering dient ook te onderzoeken hoe ze ongegronde meervoudige aanvragen vanaf het begin van de asielprocedure kan vermijden.
Een derde probleem vormt het manklopen van de opvang in twee fasen. Normaal gezien kan men na vier maanden van een collectieve naar een individuele opvangstructuur, maar heel vaak kunnen de betrokkenen niet doorstromen.
Sommigen hebben vragen bij die opvang in twee fasen. Ze vragen zich af of het, zeker voor gezinnen met kinderen, niet wenselijk is hen van meet af aan in de juiste vorm van opvang onder te brengen. Als dat niet mogelijk is, moet de collectieve fase alleszins worden ingekort.
We bevelen aan dat de capaciteit van de individuele opvangstructuren wordt verhoogd. Momenteel bedraagt de verhouding tussen individuele opvangstructuren en collectieve opvangmogelijkheden 46 tegenover 54. We bevelen eveneens aan dat de evaluatie van de individuele behoefte om te bepalen welke soort opvang het meest geschikt is, binnen de periode van een maand gebeurt.
Het vierde probleem betreft de uitstroom uit de opvangstructuren. Mensen die als vluchteling worden erkend en die een subsidiaire bescherming of regularisatie hebben gekregen, moeten de opvangstructuur verlaten. Desalniettemin blijven ze er gemiddeld zes maanden hangen als gevolg van de moeilijke overgang en het huisvestingsprobleem.
Om de uitstroom te bevorderen, heeft de regering maatregelen genomen middels instructies van Fedasil. Mensen die een legale verblijfstitel hebben gekregen, moeten de opvangstructuren verlaten, evenals de personen die nog in de procedure zitten maar voor wie de code 207 is afgeschaft.
We bevelen aan dat alle noodzakelijke maatregelen worden genomen om de overgang van materiële hulp naar maatschappelijke dienstverlening te waarborgen. Daarnaast moeten de praktische problemen voor mensen voor wie de code 207 is afgeschaft, worden opgelost, eventueel door het verlenen van een document waarin wordt vermeld dat ze recht hebben op steun.
De uitstroom van uitgeprocedeerde asielzoekers en andere vreemdelingen zonder legaal verblijfsrecht moet worden versneld: enerzijds, door de uitwerking van een koninklijk besluit dat de vrijwillige terugkeer bevordert en, anderzijds, door een betere samenwerking tussen Fedasil en de dienst Vreemdelingenzaken, waarvoor een nieuw samenwerkingsakkoord noodzakelijk is. De uitstroom van asielzoekers die een verblijfsstatuut hebben van meer dan drie maanden, moet eveneens worden gestimuleerd.
Over het vijfde punt, de duur van de materiële steun, kan ik kort gaan. Aanvankelijk was het de bedoeling de materiële steun tot maximaal één jaar te beperken. Dat hangt natuurlijk nauw samen met de asielprocedure, die normaal ook binnen een jaar is afgerond. Wij vragen deze termijn ook te respecteren en alle nodige middelen en mensen te leveren om de asielprocedure zo kort mogelijk te houden. Het spreekt natuurlijk vanzelf dat een nog kortere asielprocedure ook een weerslag heeft op de opvang. Mensen moeten in dat geval uiteraard minder lang worden opgevangen en er komt meer opvangcapaciteit vrij. In elk geval kunnen asielprocedures van langer dan een jaar een aanzuigeffect hebben.
Ten zesde vragen wij asielzoekers na zes maanden toegang te geven tot de arbeidsmarkt, zoals dat ook in het regeerakkoord is opgenomen. We vragen meteen ook de mogelijkheid te onderzoeken asielzoekers het recht te geven om vrijwilligerswerk te doen.
Het zevende probleem betreft de opvang van specifieke doelgroepen. De niet-begeleide minderjarigen kunnen niet zomaar in een collectieve opvangstructuur worden geplaatst. Voor hen zijn aangepaste structuren nodig, maar die zijn op het ogenblik ook volzet. Daardoor komen deze minderjarigen terecht in asielcentra of, erger nog, in noodopvang, waar er totaal geen begeleiding is. Ook mensen met psychologische en psychiatrische problemen kunnen niet de juiste verzorging krijgen in een collectief centrum of een lokaal opvanginitiatief. Ten slotte zijn er ook mensen die geweld gebruiken of een bedreiging vormen voor medebewoners of personeelsleden.
Voor deze drie doelgroepen vragen we dus aangepaste opvang en we beseffen dat dit ook bijkomende middelen zal vergen. We pleiten er bovendien voor de sanctiesystemen in de opvangstructuren beter op elkaar af te stemmen en daarvoor de nodige koninklijke besluiten uit te vaardigen. Het koninklijk besluit dat daarop betrekking heeft, is een van de 22 koninklijke besluiten die nog moeten worden uitgevaardigd.
Een achtste probleem dat werd gesignaleerd, is dat de verschillende bevoegde instanties en beleidsniveaus duidelijk te weinig op elkaar zijn afgestemd. De commissie pleit voor meer overleg en samenwerking tussen de verschillende instanties bevoegd voor asiel en migratie op federaal vlak, maar ook voor meer samenwerking met de verschillende bestuursniveaus. Daarom moet er regelmatig overleg komen tussen de verschillende federale kabinetten en administraties en ook tussen de verschillende bestuursniveaus. De ministers bevoegd voor asiel en migratie en maatschappelijke integratie moeten alle nuttige en nodige maatregelen nemen zodat de betrokken instanties een coherente politiek kunnen voeren.
De commissie deed, ten negende, ook aanbevelingen over het systeem van de coaches, dat sinds ongeveer een jaar bestaat. Deze coaches worden pas op het einde van de procedure ingezet, op het ogenblik dat de mensen het land moeten verlaten. De commissieleden en heel wat organisaties dringen erop aan coaches vanaf het begin van de procedure in te zetten om de asielzoekers te begeleiden zowel met het oog op terugkeer als met het oog op verblijf. Coaches moeten echte vertrouwenspersonen worden.
Het volgende punt dat ter sprake kwam, zijn de effecten van de opvangwet op het spreidingsplan. Door de opvangwet is het spreidingsplan, dat ervoor zorgde dat de financiële lasten voor de opvang van asielzoekers over het hele land werden gespreid, in principe uitdovend. We pleiten ervoor dat het spreidingsplan blijft bestaan voor asielzoekers voor wie code 207 is opgeheven.
Ten slotte zijn er de no-shows, personen die materiële hulp weigeren en zelf onderdak zoeken. Asielzoekers hebben tijdens de procedure geen recht op financiële steun, maar ze kunnen door familie worden opgevangen of, als ze zelf voldoende middelen hebben, kunnen ze zich buiten de opvangstructuren vestigen. Het gaat om ongeveer vijf procent asielzoekers. Er moet worden vermeden dat de no-shows in de grote steden samenhokken.
De regering zal te gepasten tijde geïnterpelleerd worden over de realisatie van deze aanbevelingen.
M. Berni Collas (MR). - Cette évaluation est importante car c'est la première, depuis l'entrée en vigueur de la loi « Accueil ». Nul n'ignore que les centres d'accueil manquent cruellement de place. Cela a été dit et répété. Sur la base de ce constat établi en commission, notre groupe s'est inquiété de plusieurs éléments.
On nous dit que les personnes ayant reçu un titre de séjour, et qui sont donc régularisées, disposent de deux mois pour quitter le centre d'accueil qu'elles occupent. Cette phase de transition a été mise en place par une décision d'août 2008. Nous nous sommes donc assurés, auprès de la ministre, que les personnes régularisées aujourd'hui, par exemple, auront bien quitté les centres deux mois plus tard. En résumé, cette décision est-elle vraiment effective ? D'après la ministre, les choses fonctionnent bien mais il n'est pas facile de mettre cette mesure en pratique. Néanmoins, elle reconnaît que certaines personnes restent plus de deux mois dans les centres, soit pour des raisons médicales, soit parce qu'il s'agit de familles avec enfants. Dans un souci d'humanité, on leur laisse un peu de temps.
Par ailleurs, on trouve dans les centres toute une série de ressortissants européens. Qui sont ces gens ? Quel régime ou quelle menace fuient-ils ? S'ils doivent de fuir le pays, c'est que le système de protection européen de base, notamment la Convention européenne des droits de l'homme, ne fonctionne pas comme il se doit. En attendant, ils occupent des places dans les centres.
Il ressort de l'exposé de la ministre que les ressortissants européens sont, selon la loi « Immigration », en droit d'introduire une demande d'asile. Ils peuvent, de ce fait, bénéficier des droits prévus par la loi « Accueil », dits droits dérivés. En outre, les Européens peuvent se retrouver dans une telle procédure s'ils ont un enfant en difficulté. Les parents de ces enfants profitent de cette aide légale, à la suite d'une décision de la Cour d'arbitrage. Celle-ci n'a fait aucune distinction entre les types de familles ou selon l'origine de celles-ci.
Il faut savoir en outre que certains pays de l'Est, récemment entrés dans l'Union européenne, connaissent encore certaines difficultés, surtout en ce qui concerne la population Rom. Ce sont principalement ces personnes qui introduisent des demandes.
Par ailleurs, on parle de 234 personnes qui ont un délai de cinq jours pour quitter la structure d'accueil, dans l'attente de la délivrance d'un ordre de quitter le territoire ou d'un retour volontaire. Nous nous sommes demandé si ces personnes sont réellement parties dans un délai de cinq jours. Selon la ministre, cela représente un flux de personnes qui font valoir des situations particulières qui leur permettraient de ne pas quitter le territoire. Sur les cas en cours d'analyse par Fedasil, il s'agit de quelque 200 personnes sur 16 000.
Enfin, il reste 12 arrêtés royaux à mettre en exécution ; certains ne nécessitent pourtant pas de mesures budgétaires considérables. Ils sont attendus dans le courant de cette année.
En ce qui concerne les recommandations, je tiens tout particulièrement à remercier Mme Lanjri pour le travail accompli ; elle mérite notre respect pour son engagement dans cette thématique et au-delà.
En commission, notre groupe a insisté sur trois points. D'abord, nous avons exprimé notre souhait de limiter voire de supprimer l'accueil en cas de demandes multiples. En effet, certains demandeurs introduisent cinq à six demandes voire plus, pour profiter plus longtemps des aides. Cela engorge inutilement les centres. Notre idée était de refuser l'accueil à une personne qui a déjà introduit plusieurs demandes. Cependant, pour garantir les droits individuels, on pourrait prévoir que ce refus ne soit pas automatique mais pris au cas par cas, après examen du dossier.
Nous nous réjouissons donc que le texte issu de l'évaluation préconise que le gouvernement trouve le moyen d'éviter les demandes multiples non fondées, dès le début de la procédure d'asile, afin de réduire la pression sur l'accueil.
Ensuite, si l'aide matérielle a été généralisée pendant toute la durée de la procédure d'asile, en ce compris le recours au Conseil d'État, c'est pour ne pas rendre la procédure trop attirante auprès des candidats à l'asile. Le droit à l'aide financière est ouvert lorsque le recours est déclaré recevable.
Dès lors, si l'on fait sauter ce verrou, on rend à nouveau plus attractive notre procédure et nous risquons donc d'inciter davantage de gens à se déclarer demandeurs d'asile en Belgique. Ce n'est pas, à notre avis, le moment dès lors que les demandes sont à nouveau en augmentation. Il s'agit de ne pas être plus généreux que nos voisins pour éviter tout appel d'air.
La phrase suivante relative à ce point a fait l'objet d'un consensus en commission : « L'aide matérielle devrait en principe être limitée à un an eu égard au principe selon lequel la procédure d'asile est clôturée dans l'année. Afin que ce délai puisse être respecté dans la mesure du possible, il sera veillé à ce que les instances d'asile disposent du personnel nécessaire. Toute dérogation à ce principe créerait un effet d'appel. »
En ce qui concerne l'accès des demandeurs d'asile au marché du travail, nous estimons de nouveau qu'il faut éviter tout appel d'air. L'Union européenne nous impose cet accès à l'emploi dans l'année après l'introduction de la demande, pour autant que le demandeur d'asile n'ait pas encore reçu de décision négative en première instance. Pour rappel, l'Union permet en outre de limiter l'accès au marché de l'emploi aux seuls métiers en pénurie, ce qui paraît encore plus logique avec la crise économique. Nous somme donc favorables à un accès à l'emploi mais pas à n'importe quelles conditions.
Nous sommes également d'avis qu'il importe dans un premier temps d'examiner la possibilité de permettre aux demandeurs d'asile d'exercer une activité bénévole, comme c'est le cas actuellement en commission des Affaires sociales. Il faut bien entendu examiner la question avant de décider afin d'éviter toute dérive.
Enfin, nous soutenons l'idée que les ministres en charge de la politique d'asile et de l'intégration sociale doivent prendre toutes les mesures nécessaires pour mener ensemble une politique cohérente.
Nos préoccupations ont été satisfaites. Nous voterons donc en faveur de ces recommandations.
M. Philippe Mahoux (PS). - Nous pouvons nous réjouir d'avoir à l'époque adopté une loi qui prévoyait sa propre évaluation par ceux qui l'ont votée. Cette formule extrêmement positive permet d'établir une forme d'équilibre entre ceux qui votent les lois et ceux qui les exécutent, en d'autres termes entre le législatif et l'exécutif. Je signalerai juste qu'il me paraît un peu hâtif de procéder à cette évaluation après un délai d'un an seulement.
La loi sur l'accueil a été conçue parallèlement à celle sur la procédure d'asile, preuve s'il en est qu'il devrait être possible de coordonner le règlement de ces matières pourtant gérées par des ministres différents. Il est donc sain que nous tentions d'évaluer concomitamment l'accueil et la procédure d'asile.
Que retenir de ce premier travail ? Il faut tout d'abord considérer que cette loi sur l'accueil a été reçue favorablement sur le terrain. Le texte était ambitieux mais il est cité en exemple pour les garanties qu'il apporte au respect de droit des demandeurs d'asile à une prise en charge digne et humaine.
Le travail de la commission a toutefois révélé des problèmes d'application de cette loi, dont la saturation des structures d'accueil qui ne permet pas un fonctionnement optimal des procédures prévues par la loi. Cette saturation est due à des éléments externes à la loi sur l'accueil. Nous savons tous que de trop nombreuses personnes résident dans les centres parce que l'arriéré de traitement des demandes qui a crû sous l'ancienne procédure n'a pas encore été résorbé et que les intéressés attendent une réponse définitive à leur demande d'asile. Nous savons tous que des milliers de personnes utilisent tous les moyens pour rester dans les structures d'accueil dans l'attente d'une position claire de l'État belge sur leur possibilité d'être légalement reconnues par l'intermédiaire d'une régularisation.
Je ne passerai pas en revue toutes les recommandations adoptées par notre commission pour un meilleur fonctionnement de l'accueil. Je renvoie à cet égard à l'excellent rapport de Mme Lanjri que je remercie pour la qualité de son rapport oral et pour le travail effectué. La commission de l'Intérieur et des Affaires administratives a travaillé sous la houlette de son président, Philippe Moureaux, de manière très volontaire tout en prenant en compte les contradictions entre les différentes opinions.
Je ne citerai qu'une conclusion, qui est pour moi la clé du problème, indépendamment de tous les autres aspects : la nouvelle circulaire relative aux régularisations convenue dans l'accord de gouvernement doit être publiée sans délai. Pour être complet, j'ajouterai, même si j'anticipe ainsi sur l'évaluation de la loi de procédure : donnons au CGRA et au Conseil du contentieux les moyens de résorber rapidement l'arriéré hérité du passé, non en trois ou quatre ans, comme ce serait le cas à la vitesse de croisière actuelle, mais vraiment rapidement. Alors, les personnes qui résident sur notre territoire depuis de très longues années sauront à quoi s'en tenir. Alors, il sera possible de désengorger les structures d'accueil et de les rendre véritablement efficaces, comme le prévoit la loi. Alors on pourra mettre en oeuvre tous les aspects de cette loi et travailler à un accueil digne de ces populations, de ces hommes, de ces femmes, de ces familles en situation d'instabilité. Alors, on pourra donner les moyens de s'intégrer dans notre pays à ceux qui auront obtenu d'y rester et aider à préparer leur départ ceux qui, sur la base de critères précis et clairs, n'auront pas obtenu d'y être accueillis. Alors, toutes les instances d'accueil pourront remplir pleinement la mission qui leur est confiée par la loi : assurer un accueil respectueux, humain et digne. Alors, la Belgique ne devra plus avoir honte que s'entassent dans ses universités, ses églises et ses immeubles, des hommes, des femmes, des enfants, des familles qui tentent parfois par des démarches désespérées de se faire entendre enfin. Nous savons que le gouvernement s'attelle à dénouer cette situation au plus tôt.
On ne peut qu'espérer qu'il aboutisse rapidement.
Si cette évaluation législative a pu mettre en évidence l'urgence d'une réponse, nous nous en réjouissons car, face à la situation actuelle, sans moyens supplémentaires, sans circulaire concrète pour assurer sa mise en oeuvre, la meilleure loi du monde, quelle qu'elle soit, ne vaut rien.
Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld). - De wet houdende opvang van asielzoekers stipuleert dat het parlement de toepassing van deze wet binnen het jaar moet evalueren. Door omstandigheden vond deze evaluatie later plaats. Desondanks heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden een zeer kritische analyse gemaakt van de opvangwet.
Eén van de grote knelpunten is het tekort aan opvangplaatsen voor asielzoekers. Verkeerdelijk wijten sommigen dat in de eerste plaats aan het uitblijven van een rondzendbrief omtrent de regularisaties van vreemdelingen. Open Vld ontkent de noodzaak van een nieuwe rondzendbrief niet. Die staat immers in het regeerakkoord. Open Vld ontvlucht ook haar verantwoordelijkheid niet: minister Turtelboom heeft al diverse voorstellen geformuleerd en ze heeft al nieuwe instructies uitgevaardigd voor de regularisatie van gezinnen met kinderen die hier vijf jaar verblijven en die bereid zijn binnen het jaar een job te vinden.
Open Vld gelooft niet dat een regularisatie onder bepaalde voorwaarden, ondanks de al genoemde maatregelen, zal zorgen voor een grote en blijvende daling van het aantal asielzoekers in opvangplaatsen. Het grote probleem zit namelijk niet in het feit dat regularisaties uitblijven, maar veeleer in het feit dat te veel mensen ten onrechte in de materiële opvang verblijven.
Open Vld vraagt daarom dat de minister van Maatschappelijke Integratie dringend een aantal structurele maatregelen neemt. Er moeten maatregelen worden getroffen om de doorstroom van collectieve naar individuele opvangstructuren te bevorderen. Zo kan het aantal individuele opvangplaatsen verder worden verhoogd. Verder dient de uitstroom gestimuleerd te worden, zowel van personen met recht op verblijf als van illegalen en uitgeprocedeerden. Daarom moet de minister vrijwillige terugkeer stimuleren, maar ook tot een coherent beleid komen met haar andere collega's, in het bijzonder met de minister van Migratie- en asielbeleid.
De regering moet ook onderzoeken hoe ze ongegronde, meervoudige aanvragen kan vermijden vanaf het begin van de asielprocedure, om op die manier de druk op de opvang te verlichten. Het aantal meervoudige asielaanvragen is de afgelopen jaren immers verdrievoudigd. Hierbij zijn er personen die al tot 19 keer een nieuwe aanvraag hebben ingediend en die telkens opnieuw opvang krijgen. Voor dergelijke gevallen vinden wij het noodzakelijk dat de mogelijkheid wordt onderzocht om de materiële opvang te beperken op basis van een beslissing per geval. Hetzelfde geldt voor de opvang van asielaanvragers uit een deel van de Europese Unie.
Vreemdelingen mogen ook niet overdreven lang in de materiële opvang verblijven. We kunnen ons vinden in de aanbevelingen die deze vorm van opvang tot één jaar te beperken, gezien het principe dat de asielprocedure binnen het jaar is afgesloten. Tegelijk waarschuwen we de regering dat elke afwijking van dit principe kan leiden tot een aanzuigeffect. Financiële hulp is zelden het geschikte hulpmiddel. Dat zou toch één zaak moeten zijn die we uit het verleden hebben geleerd.
De beste stap naar maximale integratie verloopt via arbeid. Daarom kunnen wij leven met de aanbeveling dat de regering, conform het regeerakkoord en onder strikte voorwaarden, de asielzoekers zo snel mogelijk toegang verleent tot de arbeidsmarkt. Zodra iemand werk heeft, is materiële opvang immers niet langer noodzakelijk. De regering heeft trouwens al beslist om asielzoekers na zes maanden procedure en voor zover ze geen beslissing in eerste instantie hebben gekregen, de toegang tot de arbeidsmarkt te verlenen. Met het oog op een succesvolle integratie kan onder dezelfde voorwaarde worden overwogen om asielzoekers toe te laten om vrijwilligerswerk te doen.
Eén van de meest treffende zaken die uit de evaluatie naar boven kwam, was dat Fedasil en DVZ nauwelijks of niet samenwerken. We dienden ook vast te stellen dat de samenwerking tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus verre vanzelfsprekend is. Open Vld vindt het dan ook een evidentie dat er geregeld overleg tussen de verschillende bevoegde federale kabinetten en administraties plaatsvindt om het opvangbeleid op elkaar af te stemmen.
Daarnaast moet er meer overleg zijn tussen de verschillende bestuursniveaus. Het is een absoluut minimum dat de ministers bevoegd voor migratie, asiel en sociale integratie alle nuttige en nodige maatregelen nemen zodat de betrokken instanties, verantwoordelijk voor respectievelijk het asielbeleid en het opvangbeleid, een coherente politiek voeren. Hopelijk kan dit leiden tot een echte samenwerking op het terrein.
Open Vld vraagt zich ook af in hoeverre het een gemiste kans is dat alle aspecten van het asielbeleid niet onder de bevoegdheid van één minister vallen. Op deze manier hadden we vermeden dat een minister die bevoegd is voor opvang geen greep heeft op de instroom en uitstroom van vluchtelingen. Die mening wordt gedeeld door het gewezen hoofd van Fedasil. Wij blijven dus bij ons pleidooi voor één minister voor beide bevoegdheden, omdat dit de enige garantie is voor beleidscoherentie en voor een efficiënt en humaan beleid op het terrein.
Hoe willen we de opvang van vreemdelingen beter organiseren? Dat was de vraag waarop de leden van de commissie voor de Binnenlandse Zaken een antwoord hebben pogen te formuleren. Het is een genuanceerd antwoord geworden, waar elke minister, elk niveau, elke actor voor zijn of haar verantwoordelijkheid wordt geplaatst. Er is nog heel wat werk aan de winkel. Om te beginnen moeten er 22 uitvoeringsbesluiten worden uitgevaardigd. Ik zou dus zeggen: aan het werk!
Mme Isabelle Durant (Ecolo). - Il est clair que nous portons une lourde responsabilité dans la situation que nous vivons aujourd'hui.
Monsieur Collas, je suis furieuse lorsque je vous entends parler d' « appel d'air », terme de plomberie désignant « quelque chose qui aspire ». Cette comparaison est scandaleuse !
Cela fait des mois que ce gouvernement tarde à trouver un accord. Les centres d'accueil sont pleins. M. Mahoux a évoqué les occupations d'églises où depuis des mois, des personnes vivent dans des conditions indécentes, attendant que le gouvernement tienne enfin ses promesses.
Je profite de ce qui sera sûrement ma dernière intervention au Sénat pour dénoncer ce scandale quotidien. Rue Saint-Lazare, des centaines de demandeurs d'asile font la grève de la faim et aujourd'hui, on veut les expulser. Heureusement, la zone de police a permis d'empêcher la survenue d'événements très graves. Tout le monde est sur ses gardes, cherchant à éviter les excès de langage.
Deux ans ont passé mais rien n'a bougé. On nous promet à nouveau un accord, pour le 21 juillet cette fois. Je ne puis admettre que chacun rejette la responsabilité sur l'autre. Cela ne peut plus durer ! De quoi avez-vous l'air, vous qui vous renvoyez la balle depuis deux ans ? C'est une honte !
Dans le rapport, on envisage la possibilité de limiter l'aide matérielle à un an alors qu'on sait parfaitement que ces personnes se tourneront alors vers les CPAS. À l'heure actuelle, elles ne peuvent pas trouver de logement. Par crainte du Vlaams Belang, certaines sont régularisées dans la discrétion. Aux autres, on dit qu'il faut attendre. Cette attitude n'est ni courageuse ni glorieuse. Je trouve que ce gouvernement se grandirait en choisissant une ligne, en l'assumant clairement et en cessant d'employer des termes indécents pour évoquer une situation dans laquelle vous portez une responsabilité majeure.
Étant d'un naturel optimiste, je veux croire qu'un accord sera trouvé pour le 21 juillet et qu'il adressera un signal clair à toutes les familles et enfants qui attendent depuis deux ans, dans le désespoir le plus complet, dans des conditions sanitaires, sociales et de sécurité déplorables. Il est grand temps de trouver une solution.
M. Berni Collas (MR). - On peut être d'accord où non avec Mme Durant. J'ai beaucoup de respect pour son engagement. Je voudrais juste la rassurer : l'expression « appel d'air » a été utilisée par tous les commissaires, y compris par celui d'Ecolo.
Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Bij het begin van mijn toespraak had ik graag de minister begroet. Met haar afwezigheid geeft ze aan hoe sterk dit debat haar interesseert.
Het Vlaams Belang heeft destijds het principe van de materiële opvang van asielzoekers gedurende de volledige duur van de asielprocedure toegejuicht als een stap voorwaarts in vergelijking met het systeem dat vóór 1 juni 2007 gold. Het uitzicht op financiële steun had immers een belangrijk aanzuigeffect op potentiële asielzoekers. In 2000, ten tijde van de massale regularisatiecampagne, werden in België niet minder dan 42 694 asielaanvragen ingediend. Dat jaar had België van alle EU-lidstaten de meeste asielzoekers per duizend inwoners. Er werden bij ons toen meer asielaanvragen ingediend dan in Frankrijk, waarvan de bevolking zes keer groter is. De afschaffing van de financiële steun in de ontvankelijkheidsfase zorgde voor een daling tot 24 549 asielaanvragen in 2001. In 2008 werden er 12 250 asielaanvragen ingediend.
Sinds 1 juni 2007 was voor nieuwe asielzoekers het uitgangspunt dat geen financiële steun meer wordt verleend. Het principe van materiële opvang tijdens de volledige asielprocedure staat of valt met de opvangcapaciteit en met de duur van de asielprocedure. Is de opvangcapaciteit niet toereikend, dan is er sprake van een bijzondere omstandigheid en kan beslist worden geen verplichte plaats van inschrijving toe te wijzen. De asielzoeker wordt dan doorverwezen naar de OCMW's.
Ook de gemiddelde duur van de afhandeling van de asielaanvragen en de uitstroom zijn van belang voor de bezetting van de opvangcapaciteit. In theorie zou de huidige capaciteit moeten volstaan. Er zijn 16 500 opvangplaatsen, terwijl er in 2007 en 2008 respectievelijk 11 120 en 12 250 nieuwe asielaanvragen werden ingediend. Als asielaanvragen binnen het jaar afgerond zijn én als de afgewezen asielzoekers ook daadwerkelijk de opvangstructuren verlaten, zouden er geen problemen rijzen.
Sinds september vorig jaar zijn de opvangstructuren verzadigd. Er werden nochtans extra plaatsen gecreëerd en Fedasil mocht in sommige gevallen de verplichte plaats van inschrijving opheffen. Nadien maakte Fedasil ook gebruik van de mogelijkheid om asielzoekers meteen naar de OCMW's door te verwijzen.
De oorzaak van de verzadiging ligt niet zozeer bij de instroom, maar bij de duur van de afhandeling van asielaanvragen. Bij de hervorming van de asielprocedure werd ernaar gestreefd asielaanvragen binnen maximaal 1 jaar af te handelen. Er bestaan echter geen duidelijke officiële statistieken over de duur van de afhandeling van asielaanvragen.
Dat bewijst nog maar eens hoezeer de asielprocedure en de opvang van asielzoekers met elkaar verstrengeld zijn. Dat minister Turtelboom bevoegd is voor de asielprocedure en minister Arena voor de opvang van asielzoekers, bevordert uiteraard de coherentie van het beleid niet.
Het grootste probleem is de moeilijke uitstroom. In de asielcentra zitten veel mensen die er niet meer thuishoren, hetzij omdat ze uitgeprocedeerd zijn, hetzij omdat ze al een verblijfsvergunning hebben gekregen. Zij zouden de opvangstructuren moeten verlaten, maar blijven er vaak nog lange tijd hangen. Erkende vluchtelingen en personen die een subsidiaire bescherming of een regularisatie hebben bekomen, blijven gemiddeld zes maanden in de materiële hulp hangen. Ook wie nog in de procedure zit, maar van wie de code 207 - verplichte plaats van inschrijving - wordt opgeheven, net als wie een legale verblijfstitel heeft verkregen, zou het centrum nochtans binnen de 45 dagen moeten verlaten. Volgens minister Turtelboom zitten er in de opvangcentra niet minder dan 2000 personen die inmiddels een verblijfsvergunning hebben, plus nog eens 800 EU-onderdanen die daar volgens ons evenmin horen te verblijven.
Minister Turtelboom verwijt minister Arena zelfs dat ze bed and breakfast organiseert voor mensen die niet in de asielcentra thuishoren.
Zowat 3000 mensen in de centra wachten op een beslissing inzake hun regularisatieaanvraag of op een uitspraak van de Raad van State op het door hen ingestelde cassatieberoep. Hoewel in beginsel noch de indiening van een regularisatieaanvraag, noch het instellen van beroep bij de Raad van State opschortend werken, wordt voor de vreemdelingen die daarmee te maken hebben, de verwijderingsbeslissing niet uitgevoerd.
Bovendien wordt een moratorium gehanteerd ten aanzien van de uitwijzing van personen die in aanmerking komen voor regularisatie op basis van de criteria van het regeerakkoord.
Voor een deel van die mensen werd de code 2207 opgeheven, waardoor ze bij de OCMW's moeten aankloppen voor financiële steun. Het doorsturen van de asielzoekers naar de OCMW's is geen oplossing, want het veroorzaakt een aanzuigeffect met meer overbezetting tot gevolg. Bovendien gaat het niet op de mislukking van de asielopvang af te wentelen op de lokale overheden.
Het Vlaams Belang blijft voorstander van de opvang van asielzoekers in gesloten centra zolang de procedure loopt. Dat is de enige manier om te verzekeren dat de verwijderingsbeslissing die volgt op een afwijzing van het asielverzoek, daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Er zal een ontradend effect van uitgaan op oneigenlijke asielzoekers, waardoor de instroom zal verminderen. Uitsluitend de federale overheid moet instaan voor de opvang. In geen geval mogen de lasten van de opvang van asielzoekers worden afgewenteld op de lokale overheden.
Het Vlaams Belang is gekant tegen de toekenning van financiële steun aan asielzoekers. Het gevaar bestaat dat binnen de kortste keren de uitzondering waarin de wet voorziet, weer de regel wordt. Het asielbeleid dreigt dan weer te ontsporen met tienduizenden aanvragen per jaar. Tijdelijk lijkt een uitbreiding van de opvangcapaciteit misschien onafwendbaar, maar er zijn andere mogelijkheden.
Het beroep bij de Raad van State en de indiening van een regularisatieaanvraag hebben geen opschortende werking. De vreemdelingen die daarmee te maken hebben, moeten effectief gerepatrieerd worden en moeten een beslissing op hun beroep of hun aanvraag afwachten in het land van herkomst.
Het Vlaams Belang blijft een uitgesproken voorstander van de opvang van vluchtelingen in de eigen regio. Op die manier kunnen met veel minder geld veel meer mensen worden geholpen. De instroom van oneigenlijke asielzoekers - die slechts uit zijn op materiële lotsverbetering - zal daardoor opdrogen, waardoor het opvangprobleem zich veel minder scherp zal stellen.
De minister van Asiel en Migratie moet bevoegd worden voor alle aspecten van de asielproblematiek, dus ook voor de opvang van asielzoekers. Alleen op die manier worden de verantwoordelijkheden duidelijk afgelijnd en is een samenhangend beleid mogelijk.
Minister Turtelboom had het onlangs over het feit dat een derde van de aanvragen komt van asielzoekers die al eens afgewezen zijn. Soms tot negentien maal toe. Dit is toch te gek voor woorden. Wij vinden dat er maar twee aanvragen mogen worden ingediend en dat de tweede asielaanvraag binnen een paar weken in een ultrakorte procedure moet worden afgehandeld.
In de aanbevelingen staan een aantal zaken waar wij kunnen achterstaan, al zijn ze dan nogal voorzichtig geformuleerd, zoals de vraag om te onderzoeken hoe de regering ongegronde meervoudige aanvragen kan voorkomen, of de vraag naar een betere samenwerking tussen Fedasil en DVZ op het vlak van verwijdering.
Maar in hun geheel gaan de aanbevelingen nog steeds uit van een zeer laks asiel- en migratiebeleid, dat steeds weer in nieuwe uitzonderingen op de regels voorziet en zo de problemen groter maakt in plaats van ze op te lossen. En dan spreken we nog niet over de uitgesproken Vlaams-Waalse tegengestelde visies in het dossier, die er wel degelijk zijn en belichaamd worden door de twee bevoegde ministers.
Bovendien wordt ondertussen een nieuwe massale regularisatie voorbereid. In totaal is er de voorbije vier jaar sprake van meer dan veertigduizend `individuele' regularisaties. Het is ondertussen duidelijk dat zowel PS als cdH de bestaande criteria nog verder willen verruimen, wat mogelijk goed zou zijn voor zeventig- tot tachtigduizend regularisaties. Voor een goed begrip: dat zijn er meer dan de vijftigduizend tijdens de collectieve regularisatieronde onder Verhofstadt. Het spreekt voor zich dat zo een massale `individuele' regularisatie een collectieve regularisatie de facto overbodig maakt.
Van 17 tot 20 juli gaat de regering in conclaaf over het asiel- en immigratiedossier. Die periode is natuurlijk niet toevallig gekozen. Daags voor de start van de besprekingen sluit het federale parlement namelijk zijn deuren, zodat de regering niet bang hoeft te zijn van enig parlementair weerwerk. Al even handig is uiteraard het feit dat tegen die tijd de zomeruittocht volop bezig is, het ideale moment dus om maatregelen door te drukken waarvoor - althans in Vlaanderen - geen draagvlak onder de bevolking bestaat.
Dat het zal gebeuren, staat ondertussen zowat buiten kijf. Een liberale bron verklaarde tegenover De Morgen: `Op de nationale feestdag zal premier Herman Van Rompuy op het balkon van de Wetstraat 16 uitroepen: Habemus papiram. Vervolgens zal hij de nieuwe landgenoten welkom heten.'
Enkel over het exacte cijfer van de nieuwe regularisatiecampagne bestaat nog onduidelijkheid. Als het van Open Vld afhangt, zou het gaan om twintig- tot dertigduizend regularisaties. Krijgen de PS en cdH hun zin, dan zijn het er tussen de zeventig- en tachtigduizend. Dat het hoe dan ook opnieuw om een massale regularisatiegolf zal gaan, is nu reeds duidelijk. Dat de maatregel per definitie zal leiden tot een toestroom van nieuwe illegalen en dus tot een verergering van het opvangprobleem is eveneens duidelijk, net zoals het feit dat de aanbevelingen in het licht van die toekomstperspectieven vrij zinloos zijn. Wij zullen ze dan ook niet goedkeuren.
Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - In eerste instantie sluit ik mij aan bij de collega's die gezegd hebben dat de opvangwet die we vandaag evalueren globaal goed is, maar dat de uitvoering van een groot aantal punten op heel wat vlakken te wensen overlaat. Ik sluit me zeer uitdrukkelijk aan bij de woorden van collega Durant, die zegt dat het een absolute schande is dat er nu nog altijd mensen niet worden opgevangen, dat ze op straat moeten slapen of in hotels worden ondergebracht. Dit is een land als het onze onwaardig en we moeten daartegen blijven reageren. Ik sluit mij ook aan bij de vaststelling dat er uiteraard wel een rechtstreeks verband is tussen het uitblijven van de regularisatie en de overbezetting in de open centra.
Ik vestig ook de aandacht op een rapport van de federale ombudsmannen, dat deze week naar de Kamer werd overgezonden. De Kamer had de federale ombudsmannen gevraagd een rapport te maken zowel over de open centra als over de gesloten centra. Veel vaststellingen in het rapport over de open centra komen overeen met wat wij in de hoorzittingen hebben opgevangen en wat werd opgenomen in het evaluatieverslag van mevrouw Lanjri, waarvoor ik haar feliciteer. In de commissie is goed werk geleverd, er werden heel wat personen gehoord, en mevrouw Lanjri heeft er een zeer correct verslag over uitgebracht. Het rapport van de federale ombudsmannen vertoont dus heel wat gelijkenissen met onze evaluatie. De federale ombudsmannen zeggen namelijk dat vier basisprincipes van opvang van asielzoekers in ons land eigenlijk niet gerealiseerd worden. In de eerste plaats zeggen ze dat de mensen die wij opvangen geen gelijke behandeling krijgen. Er is dan ook een harmonisatie van de verschillende centra nodig. Voor wie als asielzoeker in ons land terechtkomt, hangt veel af van het soort centrum waarin hij terechtkomt, een van Fedasil of een van het Rode Kruis of nog een ander centrum. Er is alleszins geen gelijke behandeling, en dat kan eigenlijk niet. Een tweede opmerking van de federale ombudsmannen is dat de exploitatie van de opvangcentra vaak niet menswaardig is. Heel wat van die centra laten te wensen over op het vlak van hygiëne en privacy. Het zou niet mogen dat mensen daar af en toe zeer lang moeten blijven.
Voorts zeggen ze dat de tweefasenopvang waarin de wet voorziet, op dit moment dode letter is omdat er te weinig individuele opvangplaatsen zijn. Mensen blijven nu gemiddeld vier tot zes maanden in de collectieve opvang, wat veel te lang is.
De laatste belangrijke opmerking van de federale ombudsmannen betreft het tekort aan opvangplaatsen in de open centra.
Ik zal niet ingaan op alle aanbevelingen die overigens door mevrouw Lanjri correct zijn voorgesteld. Ik wens er alleen de aandacht op te vestigen dat de koninklijke besluiten zeer dringend moeten worden goedgekeurd. De samenhang met de asielwetgeving vind ik vanzelfsprekend. Ik dring bij de voorzitter van de commissie dan ook aan op een evaluatie van de asielwet.
In tegenstelling tot mevrouw Lijnen vind ik dat er wel een samenhang is tussen het uitblijven van de regularisatiecriteria en de overbezetting. Al twee jaar doet de regering beloftes. Ik hoop dat de nieuwe deadline van 21 juli eindelijk wordt gehaald. Ik heb echter weinig vertrouwen in de onderhandelaars. Hun onwil en onkunde in dit dossier is al voldoende bewezen. Waarom zou het dit keer wel lukken? Niettemin wachten heel wat asielzoekers in de centra op een regularisatie. Ze willen niets liever dan deel uitmaken van onze maatschappij.
Het rapport stelt een coaching voor waarbij asielzoekers die hier aankomen, onmiddellijk een vertrouwenspersoon krijgen toegewezen die hen in alle procedures begeleidt. Hij doet dat met open vizier. Als asielzoekers geen papieren krijgen, begeleidt hij hen bij hun vrijwillige terugkeer. We mogen er niet van uitgaan dat de minister dat in een koninklijk besluit zal regelen, zoals in het rapport wordt aangegeven. De parlementsleden moeten zelf het initiatief nemen. Ik roep mijn collega's parlementsleden dan ook op zelf wetsvoorstellen in te dienen en goed te keuren. Ik denk onder meer aan de wetsvoorstellen van mevrouw Lanjri over vrijwilligerswerk en coaching, aan voorstellen van mijn fractie om de opsluiting in gesloten centra te verbieden. Laat ons zelf het heft in handen nemen. We kunnen niet wachten op ministers die uiteindelijk niets doen.
Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik wil u graag deelgenoot maken van het standpunt van LDD ter zake. Het verslag van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden inzake de evaluatie van de opvang van vreemdelingen gaat in grote mate voorbij aan de essentie van de problematiek van het asiel- en migratiebeleid.
In het verslag wordt uitdrukkelijk vermeld dat het uiteraard niet de bedoeling is de asielprocedure te evalueren, maar wel om de belangrijkste gevolgen voor het opvangnetwerk op te sommen door de wijzigingen aan de procedure op te vangen. Met andere woorden, men erkent impliciet dat de problemen bij de opvang net te wijten zijn aan een gebrekkig beleid en aan een ondoordachte wetgeving.
De huidige regering concentreert zich dan ook hoofdzakelijk op lapmiddelen om de gevolgen van het falende asielbeleid op te vangen. In plaats van duizend asielzoekers in Brusselse hotelkamers onder te brengen zullen vijfhonderd plaatsen in kazernes en andere leegstaande overheidsgebouwen worden vrijgemaakt.
Voor LDD is die oplossing verantwoord om de kosten te drukken. Die kosten zouden echter totaal overbodig zijn als de regering eindelijk een halt zou toeroepen aan de stijgende instroom van illegalen en asielzoekers en ernstig werk zou maken van een terugkeerbeleid.
De cijfers zijn immers glashelder. Sedert de Vlaamse partijen in de federale regering zich voortdurend laten gijzelen door het linkse front van PS, cdH en Ecolo, is het aanzuigeffect van België in de hele wereld nog nooit zo groot geweest. Het aantal asielaanvragen neemt jaar na jaar toe en de regularisatiedossiers zijn in 2008 gestegen tot 19 371. Dat zijn gemiddeld 1 614 dossiers per maand, tegenover 1 157 in 2007, een stijging van 40% na één jaar wanbeleid onder Leterme, Verhofstadt en Van Rompuy. In de eerste maanden van 2009 gaan de cijfers nog omhoog.
In het evaluatierapport van Fedasil wordt die stijging expliciet erkend. De cijfers betreffende de bezettingsgraad van het opvangnetwerk wijzen op een stijging sinds juni 2007. Het aantal asielzoekers, het aantal niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en het aantal personen dat in onze opvangstructuren verblijft op grond van het koninklijk besluit van 24 juni 2004, of na indiening van een aanvraag van medisch verblijf, blijft alsmaar stijgen. (...) In juni 2007 telde het netwerk 11 745 bewoners. Eind mei 2008 werd de kaap van 15 000 bewoners bereikt. In februari 2009, werden 16 350 bewoners in het netwerk opgevangen.
Het is voor LDD duidelijk dat mensenhandelaars en avonturiers ons land uitkiezen door de lakse regering en door de besluiteloosheid van minister Turtelboom. Zolang men de gemakkelijke toegang tot ons sociaal systeem niet opheft en zolang de repatriëring van afgewezen asielzoekers meer uitzondering dan regel is, blijft het dweilen met de kraan open.
Het is voor LDD duidelijk dat Vlaanderen en Franstalig België fundamenteel een andere visie hebben op migratie en asiel en dat het huidige federale wanbeleid daar de zoveelste illustratie van is. Zolang de Vlaamse belastingbetaler gemiddeld een derde méér betaalt dan de Franstaligen, zullen de kosten de dames Arena, Onkelinx en Milquet een zorg wezen.
Zowel CD&V als Open Vld zal wederom zwichten voor de ultimatums van de Franse furies en het land opzadelen met een nieuw `generaal pardon', net als begin 2000, toen in totaal 55 000 illegalen en uitgeprocedeerde asielzoekers werden geregulariseerd. Het zal dus blijven lonen om de Belgische wetten en de Brusselse bevolking te tarten met hongerstakingen en andere provocaties. Dat de Franstalige partijen daar alleen electoraal gewin in zien, mag er dan zelfs niet meer worden bijgezegd.
Conclusie: de structurele tekorten in de opvangnetwerken houden dan ook in eerste instantie direct verband met het falend asiel- en migratiebeleid. Zonder structurele ingrepen, zoals de afschaffing van de snel-Belgwet, het aanscherpen van de voorwaarden voor huwelijksmigratie, de beperking van de gezinshereniging, strengere voorwaarden voor nationaliteitsverwerving, het volledig afronden van de asielprocedure binnen de termijn van een jaar, een strengere controle op misbruiken op basis van zogezegde medische gronden, snellere begeleide en gestimuleerde terugkeer, en een transparant en efficiënt beleid met de noodzakelijke aandacht voor rechtszekerheid, zal de opvang van vreemdelingen tot steeds grotere problemen leiden. Het voorzien in bijkomende noodopvang zonder structurele beleidsmaatregelen schuift het probleem niet alleen op in de toekomst, maar leidt gegarandeerd ook tot nog grotere opvangtekorten.
Lijst Dedecker eist dan ook dat er, alvorens noodoplossingen en lapmiddelen worden gezocht en uitgevonden voor de huidige malaise, een garantie komt dat deze wantoestanden in de toekomst zullen worden uitgesloten.