4-1040/1 | 4-1040/1 |
3 DECEMBER 2008
Het is de bedoeling met dit wetsvoorstel een toestand te corrigeren waarover reeds veel gediscussieerd is en die elk jaar hevig wordt betwist door het onderwijzend personeel. Dat moet immers meemaken dat zijn salaris van december in januari wordt uitbetaald.
Het is nu al tien jaar dat dit salaris in het begin van het nieuwe jaar op de bankrekening verschijnt, in plaats van op het einde van december. De betwistingen rond die toestand geven jaarlijks aanleiding tot discussies bij het onderwijzend personeel.
Oorspronkelijk diende de Franse Gemeenschap de uitbetaling van de salarissen uit te stellen, om het begrotingsjaar in evenwicht te kunnen afsluiten. Toen was die instelling, die reeds over een executieve beschikte, echter nog niet bevoegd om decreten goed te keuren over het onderwijs, aangezien die materie nog onder de bevoegdheid van de federale overheid viel.
Wegens de omvang van de begrotingsproblemen van de Franse Gemeenschap, was de federale regering verplicht de salarissen voor de maand december van het voltallig onderwijzend personeel in Franstalig België over te dragen naar het volgende begrotingsjaar.
Die maatregel had slechts eenmaal gevolgen voor de begroting van de Franse Gemeenschap, maar ze is blijven gelden voor de leerkrachten, die elk jaar met dezelfde situatie geconfronteerd worden. Zij worden reeds te lang door dat systeem benadeeld, in een bijzonder delicate periode van het jaar.
Vandaag blijkt de regering van de Franse Gemeenschap bereid om de vereiste begrotingsregularisering tot stand te brengen, door de vereffening van de salarissen van december — dat wil zeggen hun werkelijke uitbetaling — in december uit te voeren in plaats van in januari van het volgend jaar, temeer omdat de begrotingsneutraliteit van de verrichting door het Instituut voor Nationale Rekeningen aan de minister van Begroting van de Franse Gemeenschap gewaarborgd werd.
Budgettair kan die regularisering gemakkelijk worden uitgevoerd, maar er rijzen nieuwe problemen rond de fiscale kant van de zaak.
Het aanslagjaar waarin het salaris van december ook werkelijk in december wordt uitbetaald, telt dan dertien bezoldigingsmaanden in plaats van twaalf, met als fiscaal gevolg voor elke leerkracht een niet te veronachtzamen extra bedrag aan belastingen. Gemiddeld zou het om meer dan 500 euro per leerkracht gaan.
Uit die vaststelling blijkt dat er behoefte is aan een andere maatregel, die van fiscale aard is.
Dit wetsvoorstel strekt ertoe dit probleem op te lossen door het salaris van de maand december, dat werkelijk wordt vereffend in de loop van diezelfde maand, afzonderlijk te behandelen, zonder dat dit voor de leerkrachten extra belastingkosten voor het regulariseringsjaar met zich brengt.
Aangezien het om belastingwetgeving gaat die moet voldoen aan artikel 10 van de Grondwet, is het duidelijk dat dergelijke maatregel een algemene werkingssfeer dient te hebben en dus betrekking moet hebben op alle bezoldigingen van dezelfde aard.
Het is met dit initiatief vanzelfsprekend niet de bedoeling die salarissen belastingvrij te maken, maar wel te voorkomen dat ze in het jaar van vereffening worden gevoegd bij de inkomsten waarvoor het marginaal tarief geldt. Momenteel wordt die marginale aanslagvoet van de begunstigde op 40, 45 of zelfs 50 % geraamd.
De techniek die wordt gebruikt, moet daarom de afzonderlijke belastbaarheid zijn tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot het geheel van de inkomsten van het betreffende jaar, zoals dat geldt voor loonachterstallen, vakantiegeld dat wordt uitbetaald aan een werknemer in het jaar waarin hij zijn werkgever verlaat, inkomsten uit een vorige beroepswerkzaamheid, enz.
De wettelijke bepaling voorziet tevens in een voorwaarde om te voorkomen dat werkgevers ten nadele van hun werknemers gebruik maken van financiële constructies : het gaat alleen om inkomsten voor de maand december die hetzij voor het eerst, hetzij opnieuw na vijf aanslagjaren, in december worden vereffend.
| Philippe MAHOUX. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
Artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld met een 8º, luidende :
« 8º tegen de gemiddelde aanslagvoet met betrekking tot de belastbare inkomsten van het jaar waarop zij betrekking hebben :
de inkomsten bedoeld in artikel 23, § 1, 4º voor arbeid verricht in de twaalfde maand van het kalenderjaar, wanneer die inkomsten na minstens vijf aanslagjaren opnieuw, of voor het eerst, in de loop van die maand worden vereffend, terwijl ze voordien in de loop van de eerste maand van het volgende jaar werden vereffend. »
Art. 3
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
27 november 2008.
| Philippe MAHOUX. |