4-36

4-36

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 26 JUIN 2008 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Proposition de loi introduisant l'injonction de payer dans le Code judiciaire (de Mme Martine Taelman, Doc. 4-139)

Discussion générale

M. le président. - L'ordre du jour appelle l'examen de la proposition de loi introduisant l'injonction de payer dans le Code judiciaire.

La commission de la Justice a scindé cette proposition de loi en deux nouveaux textes.

Le premier texte a trait aux matières visées à l'article 78 de la Constitution (Doc. 4-139/7) et le second aux matières visées à l'article 77 de la Constitution (Doc. 4-139/8).

M. le président. - M. Mahoux se réfère à son rapport écrit.

De heer Hugo Coveliers (VB). - Collega Van dermeersch die hoogzwanger is, heeft me gevraagd haar tekst voor te lezen. Aangezien hier regelmatig staatssecretarissen antwoorden in de plaats van ministers, ben ik zo vrij een collega te vervangen.

Ziehier haar tekst: `Voorliggend wetsvoorstel is gebaseerd op richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Intussen is er ter zake ook al een verordening met betrekking tot internationale transacties die directe werking heeft vanaf 12 december 2008 en een aantal artikelen treden reeds in werking op 12 juli 2008. In België bestaat bovendien reeds geruime tijd de summiere rechtspleging om betaling te bevelen via artikel 1338 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Die summiere rechtspleging om betaling te bevelen is mogelijk voor vorderingen tot 1860 euro. Voor kleine schuldvorderingen kan men bovendien een soort abonnement nemen bij advocaten en advocatenkantoren om die en masse te laten invorderen om zo de gerechts- en advocatenkosten in verhouding te houden tot de hoegrootheid van de schuldvorderingen. Het wetsvoorstel beoogt een aanpassing van de summiere rechtspleging om betaling te bevelen. Het is ongetwijfeld een nobele doelstelling om de knelpunten van de bestaande summiere rechtspleging te evalueren en te verbeteren. Zo wil men de rechtspleging goedkoper maken. Daar kan natuurlijk nooit iets op tegen zijn. De tussenkomst van een advocaat wordt facultatief gemaakt, het maximumbedrag, de aanmaning en de vereisten van een geschrift worden afgeschaft.

Precies met dat laatste heb ik het moeilijk, aangezien de hele aanpassing erg voordelig is voor de schuldeiser en met de rechten van de verdediging van de schuldenaar een loopje wordt genomen. Met dit wetsvoorstel vallen we van het ene uiterste in het andere, wat niet de bedoeling kan zijn. De aanmaning tot betaling en het deurwaardersexploot die dit wetsvoorstel wil weglaten zijn bovendien twee stappen die het soms mogelijk maken een regeling te treffen. Bovendien moet een schuldenaar een tweede kans krijgen door middel van een aanmaning om over te gaan tot betaling wanneer hij de factuur even uit het oog verloren is. De niet-betaling van een factuur is logischerwijze een onvoldoende basis om te kunnen vaststellen dat het om een onbetwiste vordering gaat. In België is het momenteel mogelijk om binnen de negentig dagen een uitvoerbare titel te bekomen. Als er dan al moeilijkheden optreden om betaling te bekomen, is dat dikwijls ook te wijten aan de betalingsproblemen van veel overheden, die veelal nooit in staat blijken te zijn standaardbetalingstermijnen in acht te nemen waarin de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties voorziet. Vele vragen blijven in de nieuwe procedure die dit wetsvoorstel invoert onbeantwoord. Niets garandeert dat de procedure niet zal kunnen worden gebruikt voor facturen die wel degelijk betwist worden. Er wordt in dit wetsvoorstel geen enkele band gelegd met de schuldbemiddeling: wat als de schuldenaar wel wil betalen, maar gewoon niet kan? Wat als de factuur onredelijk is betreffende de factuurvoorwaarden? Wie zal schuldeisers die ter kwader trouw zijn tijdig een halt toeroepen? Het voorliggend wetsvoorstel is al te zeer geschreven op het lijf van de schuldeisers. Het recht van de verdediging en de rechtsbescherming van de schuldenaar worden met de voeten getreden. Daar kan ik niet mee akkoord gaan.' Tot zover collega Van dermeersch.

Ik voeg daar in eigen naam aan toe dat dit wetsvoorstel wederom een groot aantal verplichtingen bij de griffies legt. De griffies van heel wat rechtbanken kunnen hun verplichtingen, bijvoorbeeld het opmaken van de documenten van de burgerlijke stand bij een echtscheidingsprocedure, nu al niet meer aan.

Wij zullen het standpunt van collega Van dermeersch volgen en het wetsvoorstel niet goedkeuren.

M. Philippe Mahoux (PS). - Depuis quelque temps, nous assistons au dépôt de très nombreuses propositions de loi qui ont souvent pour objectif quasi unique d'accélérer les procédures. Les auteurs de ces propositions considèrent qu'un des motifs majeurs de l'arriéré judiciaire réside précisément dans les procédures elles-mêmes et que leur accélération est une fin en soi.

Nous sommes frappés par le fait que ces propositions, si elles amènent des simplifications, débouchent fréquemment sur une perte de garantie pour le justiciable.

Dans le cas qui nous occupe, l'objectif louable d'accélérer la procédure pour la récupération de créances néglige complètement le débiteur.

Nous nous étonnons également qu'une telle approche focalise l'attention sur la récupération des créances, sans qu'aucune proposition ne vise à prendre en compte l'accumulation des dettes, la gestion de celles-ci ainsi que les conséquences sociales. Les créances doivent être honorées, mais il faut garantir une égalité de traitement aux débiteurs et aux créanciers, en les protégeant contre les abus.

En commission, nous nous sommes abstenus à l'égard de ce texte, en raison de son caractère unilatéral.

-La discussion générale est close.