4-832/1 | 4-832/1 |
26 JUNI 2008
Inleiding
Het recht op gezondheid is een fundamenteel mensenrecht. Toegang tot basisgezondheidszorg is een essentiële voorwaarde om dit recht te realiseren.
In het kader van de Paris Declaration on Aid Effectiveness (2005) heeft de internationale gemeenschap er zich toe verbonden de krachten te bundelen als één van de strategieën om de effectiviteit van de hulp te vergroten.
Staten dragen de primaire verantwoordelijkheid voor de realisering van het recht op gezondheid voor hun inwoners. Een systeem om voor de noodzakelijke financiering te zorgen moet dan ook gebaseerd zijn op de veronderstelling, en zelfs de voorwaarde, dat alle staten — ook de zogenaamde lage-inkomenslanden (low-income countries) volgens de classificatie van de Wereldbank — hun uiterste best doen om zelf het recht op gezondheid te realiseren.
In april 2001 beloofden de staatshoofden van de Afrikaanse landen om minstens 15 % van hun budget aan gezondheid te besteden. Deze norm verdient uitbreiding naar alle ontwikkelingslanden.
Echter, het lijkt niet realistisch dat de zogenaamde low-income-countries meer binnenlandse inkomsten verwerven dan 20 % van hun Bruto Binnenlands Product (BBP). Dat wil zeggen dat deze landen in het beste geval 3 % van het BBP (of 15 % van 20 % van het BBP) aan gezondheidszorg kunnen besteden. Verschillende internationale studies van onder meer de Wereldgezondheidsorganisatie en praktijkervaring van internationale Niet-Gouvernementele Organisaties (NGO's) wijzen uit dat basisgezondheidszorg minstens 40 USD per persoon per jaar kost. Dat wil zeggen dat enkel landen met een BBP per capita van 1 300 USD op korte termijn naar financiële zelfredzaamheid kunnen streven. Voor veel ontwikkelingslanden is dat niet haalbaar.
Wanneer staten hun uiterste best doen om het recht op gezondheid te realiseren, doch over onvoldoende eigen middelen beschikken, dan ontstaat een secundaire verantwoordelijkheid in hoofde van de staten die over voldoende middelen beschikken om andere staten bij te staan. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de zogenaamde high-income countries, waaronder België, om de zogenaamde low-income countries bij te staan, en dit zolang als nodig. Het streven naar financiële zelfredzaamheid moet, voor wat de armste landen in de wereld betreft, voorlopig worden opgeborgen.
Het is niet alleen noodzakelijk om de binnenlandse en internationale financiële middelen gevoelig te verhogen, het is ook van wezenlijk belang om de duurzaamheid van de internationale hulp te verbeteren. Momenteel zijn de meeste engagementen in het kader van buitenlandse hulp kortetermijnengagementen. Dit leidt vaak tot sub-optimaal gebruik van buitenlandse hulp. Een direct en contraproductief gevolg van deze kortetermijnplanning is de weigerachtige houding van ontvangende of rechthebbende landen ten opzichte van het gebruik van buitenlandse hulp voor het uitbreiden van wederkerende uitgaven (geneesmiddelen, lonen van gezondheidspersoneel), terwijl dat vaak de belangrijkste uitgaven zijn. De niet verzekerde duurzaamheid van de buitenlandse hulp ligt hier aan de basis : aangezien de inkomsten op lange termijn niet verzekerd zijn, wordt het aanwerven en opleiden van bijkomend gezondheidspersoneel namelijk een risicovolle zaak. Bovendien waakt onder meer het Internationaal Monetair Fonds (IMF) erover dat ontwikkelingslanden niet meer besteden aan wederkerende uitgaven dan wat ze in de toekomst uit eigen middelen zullen kunnen financieren. Dit leidt tot de absurde toestand dat de meest hulpbehoevende landen een groot gedeelte van de buitenlandse hulp opsparen, eerder dan het uit te geven. Volgens een schatting van het Independent Evaluation Office van het IMF werd van elke bijkomende dollar buitenlandse hulp aan Afrika sinds het akkoord over de Millenniumdoelstellingen slechts 27 cent daadwerkelijk uitgegeven.
Het is daarom aangewezen dat de rijke landen hun buitenlandse hulp voor gezondheid (in verhouding tot hun financiële draagkracht) samenbrengen in een gemeenschappelijk fonds, zodat een eventuele terugval van de bijdrage van een land kan worden opgevangen door een verhoogde bijdrage van een ander land. Dit gebeurt reeds voor het Wereldfonds ter bestrijding van aids, tuberculose en malaria, en voor de International Development Association van de Wereldbank.
Ook is het belangrijk om het maatschappelijk middenveld te betrekken bij deze inspanning, zowel in de donorlanden (teneinde het maatschappelijk draagvlak voor de gezamenlijke inspanning te verbreden) als in de ontvangende of rechthebbende landen (teneinde de binnenlandse inspanning te versterken en de besteding van de financiële middelen te bewaken). Ook hier kan het Wereldfonds ter bestrijding van AIDS, Tuberculose en Malaria als voorbeeld dienen.
Tijdens de voorbije maanden hebben verschillende landen nieuwe initiatieven gelanceerd teneinde de Millenniumdoelstellingen op het vlak van gezondheid te behalen :
Duitsland : « Providing for Health Initiative »;
Noorwegen : « Global Campaign for the Health Millennium Goals »;
Verenigd Koninkrijk : « International Health Partnership »;
Canada : « Catalytic Initiative to Save a Million Lives »;
Frankrijk : « Couverture Maladie Universelle ».
Het Verenigd Koninkrijk heeft zich onlangs duidelijk geëngageerd om over een termijn van 7 jaren omgerekend 12 miljard USD te besteden aan gezondheidssystemen en -diensten in ontwikkelingslanden. Samen met eerder aangegane verbintenissen komt dit neer op bijna 0,1 % van het BBP van het Verenigd Koninkrijk. Maar om te slagen in het opzet — toegang tot basisgezondheidszorg als mensenrecht — zullen alle donorlanden dit voorbeeld moeten volgen en onderling afspreken hoe ze hun inspanningen op elkaar zullen afstemmen.
Coördinatie van internationale initiatieven en nationale programma's is dan ook van kapitaal belang.
| Marleen TEMMERMAN. |
De Senaat,
A. wijst op het feit dat het recht op gezondheid een mensenrecht is en de toegang tot basisgezondheidszorg een essentiële voorwaarde om dat recht te realiseren;
B. attendeert op de verschillende Europese initiatieven en de wenselijkheid deze initiatieven te bundelen in het kader van de Paris Declaration on Aid Effectiveness;
C. benadrukt dat staten de primaire verantwoordelijkheid dragen in de realisering van het recht op gezondheid voor hun inwoners, wat onder meer een minimum financieel engagement van 3 % van het BBP inhoudt;
D. wijst op de secundaire verantwoordelijkheid in hoofde van staten die over voldoende middelen beschikken om andere arme staten bij te staan in hun inspanning om het recht op gezondheid te realiseren;
E. geeft aan dat basisgezondheidszorg minstens 40 dollar per persoon per jaar kost;
F. is zich bewust van het feit dat enkel landen met een BBP per capita van 1 300 dollar financieel in de behoefte aan basisgezondheidszorg voor hun onderdanen kunnen voldoen, en voortvloeiend uit deze constatering, dat het streven naar financiële zelfredzaamheid wat betreft de armste landen daarom voorlopig moet worden opgeborgen;
G. wijst op de noodzaak aan duurzaamheid van de internationale hulp ook wat betreft de wederkerende uitgaven;
H. herinnert aan het engagement genomen in het kader van de MDG's om 0,7 % van het BBP aan internationale samenwerking te besteden;
Vraagt de federale regering :
1. haar engagement om 0,7 % van het BBP aan buitenlandse hulp te besteden te herbevestigen en alle andere hoge-inkomenslanden (« high-income countries ») op te roepen om hetzelfde te doen;
2. zich te engageren om 15 % van haar buitenlandse hulp te besteden aan gezondheidszorg (gecombineerd : 0,1 % van het BBP) en alle andere hoge-inkomenslanden op te roepen om hetzelfde te doen;
3. te bevestigen dat deze engagementen duurzaam zijn (dus niet aflopen in 2015 of 2020), zodat het streven naar financiële zelfredzaamheid van ontvangende of rechthebbende landen niet noodzakelijk is, voor zover die landen zich engageren om zelf hun uiterste best te doen zoals onder punt 4 geformuleerd;
4. zich ten volle in te spannen om alle landen ervan te overtuigen dat ze ernaar streven om minstens 3 % van hun BBP — uit eigen middelen — te besteden aan gezondheidszorg in hun strijd om het recht op gezondheid te realiseren;
5. actief de andere hoge-inkomenslanden (conform de classificatie van de Wereldbank) uit te nodigen om een belangrijk gedeelte van de buitenlandse hulp te verzamelen in de vorm van een Wereldgezondheidsfonds naar het model van het reeds bestaande Wereldfonds ter bestrijding van aids, tuberculose en malaria;
6. in beschouwing te houden dat dit Wereldfonds ter bestrijding van aids, tuberculose en malaria eventueel als basis voor een Wereldgezondheidsfonds kan dienen;
7. als waarnemer aansluiting te zoeken bij de bestaande nationale initiatieven zoals het Providing for Health Initiative van Duitsland, de Global Campaign for the Health Millennium Goals van Noorwegen, het International Health Partnership van het Verenigd Koninkrijk, het Catalytic Initiative to Save a Million Lives van Canada, de Couverture Maladie Universelle van Frankrijk en andere gelijkaardige initiatieven in die functie telkens te wijzen op de verschillende gelijklopende initiatieven en aan te dringen op een overkoepelend gecoördineerd systeem (onder leiding van de Wereldgezondheidsorganisatie, UNAIDS en andere VN-organisaties), dat streeft naar een enkelvoudig financieringssysteem, — liefst gebruik makend van een reeds bestaand financieringssysteem — hier genoemd een « Wereldgezondheidfonds »;
8. deze gezamenlijke inspanning te beschouwen als een manier om het recht op gezondheid te realiseren en om de Millenniumdoelstellingen op het vlak van gezondheid te behalen en als een stap op weg naar een globale sociale zekerheid — ongeacht het gekozen ideologisch model : hetzij Beveridge, hetzij Bismarck of een (ander) gemengd model —, waarbij België een voortrekkersrol kan opnemen;
9. de oprichting van een Wereldgezondheidsfonds als doelstelling op te nemen in de nationale wetgeving.
30 april 2008.
| Marleen TEMMERMAN Sabine de BETHUNE Margriet HERMANS Olga ZRIHEN Jean-Paul PROCUREUR Josy DUBIÉ. |