4-725/1 | 4-725/1 |
30 APRIL 2008
Volgens de statistieken van de WGO van december 2004 zouden in de Europese Unie ongeveer twee miljoen jongeren lijden aan psychische aandoeningen gaande van een depressie tot schizofrenie.
Volgens de jongste statistieken van de FOD Volksgezondheid verbleven in België in 2004 649 kinderen tussen 0 en 18 jaar in psychiatrische instellingen (K-diensten).
Nog volgens de FOD Volksgezondheid waren er in 2007 223 erkende K-bedden in de algemene ziekenhuizen en 472 erkende bedden in de psychiatrische ziekenhuizen.
Als daar de erkende bedden in K1 (dagdienst) en K2 (nachtdienst) worden bijgeteld, komen we tot een aantal van 695 erkende bedden in 2007.
Ons land is partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind dat op 20 november 1989 door de algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen. Volgens de beginselen van die tekst, en meer bepaald het algemeen beginsel inzake non-discriminatie, mogen de lidstaten geen onderscheid maken tussen kinderen op een willekeurige basis als geslacht, handicap, of enige andere toestand.
In beginsel zijn het verdrag inzake de rechten van het kind en de andere verdragen die er betrekking op hebben dus zonder beperking van toepassing op de kinderen die in de K-diensten verblijven, en Unicef België vestigt daar ook de aandacht op in zijn verslag van maart 2008.
Er bestaan ook enkele zeer specifieke instrumenten inzake de rechten van de mens die de rechten van de meest kwetsbare kinderen beschermen. De kinderen met psychiatrische problemen verdienen uiteraard extra bescherming.
Kinderen die in instellingen verblijven, vormen overigens een kwetsbare groep voor wie wel degelijk internationale regels in het leven werden geroepen, zoals de regels van de Verenigde Naties.
Die voorschriften zijn echter geen dwingende rechtsregels, ook al zijn het waardevolle richtlijnen voor de interpretatie van de inhoud van het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind.
Er rijst dan ook een probleem inzake de handelingsbekwaamheid van jonge psychiatrische patiënten. Als ze rechten hebben, wie mag die dan wel uitoefenen ?
Het verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind is terzake expliciet : de kinderen oefenen zelf hun rechten uit.
In België is het niet gemakkelijk om te bepalen welk wettelijk kader van toepassing is voor de rechten van de kinderen die in K-diensten verblijven.
Enerzijds is er de belangrijke wetgeving betreffende de gedwongen ziekenhuisopname die verschillende bevoegdheidsniveaus aanbelangt : wet betreffende de jeugdbescherming, wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieken, decreet betreffende de jeugdhulp in de Franse Gemeenschap/Vlaamse decreten bijzondere jeugdbijstand, ...)
Anderzijds moet rekening worden gehouden met de levensomstandigheden in de K-diensten. De rechtspositie van de kinderen wordt geregeld door de federale wet met betrekking tot de rechten van de patiënt.
Die wet gaat uit van het beginsel dat de ouders verantwoordelijk zijn voor hun kinderen wanneer zij zelf niet in staat zijn hun rechten uit te oefenen. De « minderjarige » patiënt moet echter betrokken worden bij de uitoefening van zijn rechten en de jonge « volwassenen » mogen wel degelijk zelf hun rechten uitoefenen.
Er zijn al interessante initiatieven genomen om het internationaal recht betreffende de rechten van kinderen die in K-diensten verblijven ten uitvoer te leggen.
Het verslag van Unicef België van maart 2008 beklemtoont dat uit gedachtewisselingen en uitwisseling van ervaringen met de jongeren blijkt dat tal van punten nog moeten worden verbeterd.
Dit voorstel van resolutie strekt ertoe aanbevelingen te formuleren opdat de problematiek van kinderen in de psychiatrie niet beperkt wordt tot het aantal beschikbare plaatsen of het recht op gezondheidszorg, maar benaderd wordt in het licht van de rechten van het kind.
Deze aanbevelingen werden rechtstreeks ingegeven door de oproep van Unicef België na een uitgebreid onderzoek in de pediatrische en psychiatrische diensten, dat in 2006 gepubliceerd werd en na gedachtewisselingen met jongeren die in 2007 in K-diensten verbleven.
| Philippe MAHOUX. |
De Senaat,
A.Overwegende dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en de andere verdragen die er betrekking op hebben zonder beperking van toepassing zijn op de kinderen die in de K-diensten verblijven;
B.Gelet op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap van 23 december 2006 en de regels van de Verenigde Naties van 1990 voor de bescherming van minderjarigen van wie de vrijheid is ontnomen, aangenomen door de algemene Vergadering in resolutie 45/113 van 14 december 1990;
C.Gelet op de instrumenten van de Verenigde Naties met betrekking tot vrijheidsberoving bij berechting van minderjarigen;
D.Gelet op de initiatieven die al genomen werden om het internationaal recht inzake de rechten van kinderen die in K-diensten verblijven ten uitvoer te leggen;
E.Gelet op de Belgische wetgeving inzake de bescherming van personen met een mentale handicap en de wetgeving met betrekking tot de jeugdbescherming;
F.Gelet op de wetgeving van de deelgebieden met betrekking tot het beroven van een jonge psychiatrische patiënt van zijn vrijheid;
G.Gelet op de Belgische wetgeving met betrekking tot de rechten van de patiënt;
H.Gelet op het onderzoek dat Unicef België gevoerd heeft in de pediatrische en psychiatrische diensten, gepubliceerd in 2006, en de gedachtewisseling met de jongeren die in 2007 in de K-diensten verbleven.
Vraagt de federale regering, in samenwerking met de deelgebieden :
1.zonder beperking toe te zien op de grondrechten van de kinderen die in de K-diensten van de psychiatrie verblijven;
2.zich ervan te vergewissen dat de kinderen in de psychiatrie hun eigen leven in handen kunnen nemen; ze moeten kunnen worden gehoord over hun opname, hun behandeling en de eventuele alternatieven voor een opname. Ze hebben ook het recht hun vrijheidsberoving periodiek te laten controleren;
3.zich ervan te vergewissen dat deze kinderen voldoende worden geïnformeerd in een aangepaste taal en dat ze omringd worden door goed opgeleid personeel;
4.er volgens het beginsel van de minst schadelijke behandeling op toe te zien dat de kinderen alleen de behandeling krijgen die het minst invloed heeft op hun lichamelijke, mentale en morele integriteit;
5.deze kinderen het elementaire recht op een persoonlijke levenssfeer te garanderen;
6. erop toe te zien dat sociaal-economische omstandigheden geen beperking vormen van het recht om hun familie en hun naasten te zien;
7. te garanderen dat het recht op onderwijs dat ook geldt voor kinderen in ziekenhuizen niet kan worden beperkt, behalve wanneer die beperking nodig is in het licht van de opname, inzonderheid voor een observatie of voor een therapeutische behandeling;
8. de nodige maatregelen te treffen opdat slechts in uitzonderlijke omstandigheden en alleen voor de bescherming van de jongere en de anderen, een beroep kan worden gedaan op vrijheidsbeperking, zoals afzondering;
9. systematisch en via elke nuttige maatregel (bijvoorbeeld een bewustmakingscampagne) in te gaan tegen het stigmatiseren van de kinderpsychiatrie.
10 april 2008.
| Philippe MAHOUX. |