4-16

4-16

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 14 FÉVRIER 2008 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Karim Van Overmeire au ministre de l'Intérieur sur «l'emploi des langues dans les rapports entre les services du Registre national et les communes à facilités» (nº 4-77)

M. le président. - Mme Inge Vervotte, ministre de la Fonction publique et des Entreprises publiques, répondra.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Deze vraag betreft de naleving, of beterde de niet-naleving van de taalwetgeving door de FOD Binnenlandse Zaken bij het versturen naar de faciliteitengemeenten van de oproepingskaarten voor het uitreiken van nieuwe identiteitskaarten. Het verhaal heeft een ruime voorgeschiedenis. In het Vlaams parlement bracht Vlaams parlementslid Erik Tack de problematiek herhaaldelijk ter sprake naar aanleiding van de situatie in Ronse, een Vlaamse gemeente met faciliteiten voor Franstaligen. Collega Tack ondervroeg in april 2007 dienaangaande onder meer Vlaams minister van Binnenlands Bestuur Marino Keulen.

In november 2007 werd de minister Dewael door volksvertegenwoordiger Jambon in de Kamer over dezelfde problematiek ondervraagd. Wat opvalt is dat de standpunten van de twee ministers diametraal tegenover elkaar staan.

De diensten van het Rijksregister stellen voor heel het land de oproepingskaarten voor de uitreiking van nieuwe identiteitskaarten op. Voor wat de faciliteitengemeenten betreft, mogelijk ook voor alle gemeenten van het land, maakt het Rijksregister voor het bepalen van de taal waarin die oproepingskaarten worden opgesteld, gebruik van de informatiegegevens die in het centraal bestand van identiteitskaarten zijn opgeslagen. Daarin wordt onder meer vermeld welke taal de burger heeft gekozen voor de uitgifte van zijn kaart. Daardoor komt het dat in Ronse, en naar we aannemen in alle andere Vlaamse faciliteitengemeenten en mogelijk zelfs in heel Vlaanderen, een aantal personen de oproepingskaart automatisch in het Frans krijgen. Zoals de minister op 14 november 2007 in commissie heeft meegedeeld, baseren de diensten van het Rijksregister zich daarvoor op artikel 41, §1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, dat bepaalt dat `centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik maken van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend.'

Minister Keulen is echter een heel andere mening toegedaan. Hij is van oordeel dat de zogenaamde circulaire-Peeters volop van toepassing is. Dat betekent dat de Franstaligen die in een Vlaamse faciliteitengemeente wonen de oproepingskaart eerst in het Nederlands moeten krijgen en dat ze daarna pas de kaart in het Frans kunnen aanvragen indien ze dat wensen.

De huidige situatie leidt ertoe dat bijvoorbeeld de gemeente Ronse de oproepingsbrieven die ze van het Centraal Rijksregister krijgt, vernietigt omdat ze in het Frans zijn opgesteld, vervolgens zelf oproepingsbrieven in het Nederlands laat drukken en die naar de betrokkenen verstuurt. Indien de gemeente niet op die manier zou handelen, zou ze de taalwet overtreden.

Om uit te maken wie het hier bij het rechte eind heeft, moeten eerst de procedure en de verschillende administratieve handelingen die gevolgd worden bij het toesturen van de oproepingskaarten, nauwkeurig in kaart worden gebracht. Vervolgens moet uiteraard een correcte lezing van de taalwetgeving worden gegeven.

Indien we goed zijn ingelicht, verloopt de procedure als volgt. De diensten van het Rijksregister drukken de kaarten af voor alle gemeenten van heel het land. Vervolgens sturen ze de kaarten door naar de gemeentebesturen, die de kaarten doorsturen naar de burgers. Duidelijk is dat alle contacten tussen burger en overheid in deze aangelegenheid via het gemeentebestuur plaatsgrijpen en dat het Rijksregister daar op geen enkel ogenblik bij betrokken is. Het opstellen van de oproepingskaarten door het Rijksregister en het doorsturen ervan naar de gemeentebesturen aan de ene kant en het opsturen van de oproepingskaarten naar de burgers aan de andere kant, vormen twee afzonderlijke administratieve handelingen en elk van die handelingen moet in het licht van de taalwetgeving worden beschouwd.

De diensten van het Rijksregister beroepen zich in deze aangelegenheid op artikel 41, maar dat handelt over de betrekkingen van de centrale diensten met particulieren en is hier dus niet van toepassing.

Het artikel dat hier wel van toepassing is, is artikel 39, §2, omdat het versturen van de oproepingsbrieven aan particulieren een administratieve handeling is in het kader van een betrekking tussen een lokale dienst en een particulier. In gemeenten in het Nederlandstalig taalgebied mag hierbij alleen het Nederlands worden gebruikt, met dien verstande dat in de taalgrensgemeenten de diensten die zich tot de particulieren wenden, dat doen in `die van beide talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend of het gebruik hebben gevraagd', zo zegt artikel 12 van de gecoördineerde taalwetten.

Sinds de arresten van de Raad van State van 23 december 2004 weten we echter dat de interpretatie van de gemeente Ronse juist is. In het geval van Ronse moet de brief eerst in het Nederlands worden verstuurd en pas daarna kan een vertaling in het Frans worden gestuurd als daarom wordt gevraagd.

Wij denken dat de conclusie voor de hand ligt en dat al de oproepingskaarten die de diensten van het Rijksregister naar de gemeenten opsturen in het Nederlandse taalgebied, inclusief de taalgrensgemeenten en de randgemeenten, per definitie in het Nederlands moeten zijn opgesteld.

Hierover kreeg ik van de minister graag antwoord op volgende vragen.

Bevestigt hij de correctheid van onze analyse van de te volgen procedure voor het versturen van de oproepingsbrieven voor identiteitskaarten en erkent hij dat tot op heden een verkeerde lezing van de taalwetgeving werd gegeven door de diensten van het Rijksregister?

Sluit de minister zich aan bij de volgens ons correcte lezing van zijn Vlaamse collega, minister Keulen? Die verzekerde ons in het Vlaams Parlement dat minister Dewael de taalwetgeving uitstekend kent en dat het hem zou verbazen indien de minister een andere interpretatie van de taalwetgeving zou geven.

Indien de minister zich aansluit bij zijn Vlaamse collega, neemt hij dan de nodige maatregelen om de huidige procedures die gevolgd worden door de diensten van het Rijksregister wat de taalkeuze betreft voor het opstellen van de oproepingskaarten, aan te passen aan de correcte lezing van de taalwetgeving?

Mevrouw Inge Vervotte, minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.

Ik verwijs in eerste instantie naar mijn antwoord van 14 november 2007 op de vraag van de heer Jambon in de kamercommissie Binnenlandse Zaken. De identiteitskaarten zijn een federale materie die geregeld wordt door de wet van 19 juli 1991 en de diverse uitvoeringsbesluiten ervan. De federale minister van Binnenlandse zaken staat in voor de organisatie van de verdeling van de identiteitskaarten. De gemeenten spelen enkel een uitvoerende rol als orgaan van een federale dienst binnen het kader van de federale wet van 19 juli 1991. Het Rijksregister is derhalve niet zomaar een tussenpersoon.

Deze wet bepaalt dat bij het Rijksregister van de natuurlijke personen een centraal bestand van de identiteitskaarten wordt gehouden, genaamd `Register van de identiteitskaarten'. Het bevat de gegevens die expliciet in de wet zijn opgesomd, waaronder de gevraagde taal voor de uitgifte van de identiteitskaart. Dat laatste geldt alleen voor de negentien gemeenten van Brussel Hoofdstad en voor de gemeenten met taalfaciliteiten, zijnde de randgemeenten en de taalgrensgemeenten. Voor de homogeen eentalige gemeenten wordt uiteraard de taal van de gemeente vermeld.

Op basis van de taal opgenomen in het Register van de identiteitskaarten worden de uitnodigingen om zich aan te melden voor de aanmaak van een nieuwe elektronische identiteitskaart door de FOD Binnenlandse Zaken opgemaakt en aan de gemeenten bezorgd, die ze verder aan hun inwoners bezorgen. De FOD Binnenlandse Zaken hanteert daarbij de gebruikte en bekende taal van de particulier die is opgenomen in het Register van de identiteitskaarten, zoals bepaald in artikel 41, §1, van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken.

Niets belet echter dat een houder van een kaart een nieuwe elektronische identiteitskaart aanvraagt in een andere taal dan die van zijn huidige kaart en daartoe het vereiste basisdocument invult. In het Register van de identiteitskaarten wordt dan ook de gevraagde taal voor de uitgifte van de nieuwe elektronische identiteitskaart opgenomen.

Het is echter ook mogelijk dat steden en gemeenten, op voorwaarde dat ze de FOD Binnenlandse Zaken hierom vragen en ervan op de hoogte brengen, zelf de oproepingsbrieven voor een nieuwe elektronische identiteitskaart opstellen en rechtstreeks versturen naar hun inwoners. Het Rijksregister bezorgt hen dan enkel de lijst van hun desbetreffende burgers met de nodige identificatiegegevens. Verschillende gemeenten, waaronder de stad Ronse, gaan reeds zo te werk. In dat geval zijn de terzake geldende bepalingen van de taalwet van toepassing, namelijk deze die de betrekkingen van een plaatselijke dienst met een particulier regelen, en ook de betreffende omzendbrieven van de gewestelijke overheden aan de gemeenten, met name de circulaire-Peeters.

Om kort en concreet te zijn: de stad Ronse heeft ervoor gekozen zelf de uitnodigingen op te stellen en te versturen en krijgt daartoe de nodige identificatiegegevens van het Rijksregister. Ze respecteert daarbij de omzendbrief van de Vlaamse Regering.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Ik had gehoopt meer duidelijkheid te krijgen, maar ik vrees dat de verwarring alleen maar groter wordt, nu blijkt dat de gemeenten en de steden zelf kunnen instaan voor de oproepingsbrieven voor nieuwe elektronische identiteitskaarten. Sommige gemeenten treden enkel als doorgeefluik op, andere gemeenten - ik weet niet of ze dat op eigen kosten doen - maken de oproepingsbrieven zelf aan. Er ontstaat een moeilijke en onduidelijke situatie.

De Vast Commissie voor Taaltoezicht gaf 17 januari 2008 haar advies over dit onderwerp. Het was uiteindelijk geen advies, want de Nederlandstalige en de Franstalige afdeling hadden twee tegenovergestelde standpunten. De Nederlandstalige afdeling sluit zich aan bij de visie die ik daarnet heb uiteengezet, de Franstalige afdeling sluit zich aan bij de visie van de minister van Binnenlandse Zaken. Tenzij de gemeenten zelf voor de kosten opdraaien, worden ze door het Rijksregister gedwongen om de taalwetgeving te overtreden. Dat is absurd.