4-494/1

4-494/1

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

20 DECEMBER 2007


Wetsvoorstel betreffende de ontzetting van het recht verkozen te worden bij een veroordeling op grond van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen

(Ingediend door de heren Philippe Mahoux en Christophe Collignon)


TOELICHTING


Sinds de aanvang van de jaren 1990 worden verscheidene Staten van de Europese Unie op zorgwekkende wijze geconfronteerd met de activiteiten van extremistische groeperingen die de essentiële waarden van de democratie en de mensenrechten betwisten.

Ongelukkigerwijze blijft België niet gespaard van de opkomst van vrijheidsbedreigende en racistische partijen, die zich tegenwoordig binnen het democratische systeem uiten en niet langer buiten dat systeem om.

Voor die partijen of bewegingen, die onverdraagzaamheid, racisme of discriminatie op grond van andere motieven dan het zogenaamde ras, xenofobie, antisemitisme of negationisme uitdragen, die de fundamentele rechten en vrijheden in gevaar brengen, is in een democratische samenleving geen plaats.

België heeft zich daarom voorzien van verscheidene juridische instrumenten ter bestrijding van alle daden en gedragingen die strijdig zijn met de elementairste mensenrechten, zoals het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.

De artikelen 15bis en 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven zijn een eerste maatregel waardoor overheidsmiddelen kunnen worden ontzegd aan partijen die de de rechten en vrijheden die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens met voeten treden (1) .

Vervolgens is er de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen. Die vier wetten geven de rechter de mogelijkheid personen die bovenvermelde wetten overtreden, te ontzetten van bepaalde burgerrechtelijke en politieke rechten, overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek.

De ontzettingen die overeenkomstig die bepaling van het Strafwetboek kunnen worden uitgesproken behelzen het recht openbare ambten, bedieningen of betrekkingen te vervullen; het recht om verkozen te worden; het recht om enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren; het recht om gezworene of deskundige te zijn, als instrumentair of attesterend getuige bij akten op te treden; het recht om in rechte te getuigen anders dan om enkel inlichtingen te geven; het recht om geroepen te worden tot het ambt van voogd, toeziend voogd of curator, behalve over de eigen kinderen; het recht om het ambt van gerechtelijk raadsman of van voorlopig bewindvoerder uit te oefenen; het recht om een wapen te dragen, deel uit te maken van de burgerwacht of te dienen in de krijgsmacht (2) .

Dit voorstel heeft tot doel het beginsel voorop te stellen dat men automatisch het recht om verkozen te worden, verliest. Zodra op grond van de wet van 30 juli 1981, de wet van 23 maart 1995 of de wetten van 10 mei 2007 een gevangenisstraf wordt uitgesproken, ook al is het met een gedeeltelijke of volledige opschorting, wordt de straf van ontzetting van het recht om verkozen te worden daar automatisch aan toegevoegd.

De algemene doelstelling van dit voorstel is de democratie en haar instellingen te beschermen, door mensen die strafbare feiten plegen zoals aanzetten tot haat of discriminatie, of discrimineren op grond van vermeend ras, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, rijkdom, religieuze, filosofische of politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, een lichamelijk of genetisch kenmerk of sociale afkomst, het recht om verkozen te worden te ontnemen. Hetzelfde geldt voor strafbare feiten zoals het deelnemen aan organisaties, georganiseerde propaganda-activiteiten en anderssoortige propaganda-activiteiten die aanzetten tot rassendiscriminatie en ze aanmoedigen, het verspreiden van ideeën die steunen op rassensuperioriteit of -haat en ten slotte, het ontkennen, minimaliseren, proberen te rechtvaardigen of goed te keuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd.

Het gaat er dus niet om die personen absoluut uit te sluiten van elke deelname aan het democratisch leven, dat impliceert dat de gemeenschap in haar geheel haar vertegenwoordigers kiest. Het stemrecht valt immers niet onder de automatische uitsluiting. Het Grondwettelijk Hof heeft immers voor recht gezegd : « Artikel 7, eerste lid, 2º, van het Kieswetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het kiesrecht van veroordeelden bedoeld in die bepaling van rechtswege schorst » (3) . Volgens het Grondwettelijk Hof heeft het automatische karakter van het verval van het actief kiesrecht onevenredige gevolgen, in zoverre het veroordeelde personen hun kiesrecht van rechtswege ontzegt gedurende een termijn die veel langer kan duren dan die van de uitvoering van de straf en wegens de gevolgen van dat verval die in een aantal besluiten van de uitvoerende macht aanzienlijk zijn verzwaard.

Maar zowel het Europees Hof voor de rechten van de mens (4) als de Commissie voor Democratie door Recht, de zogenaamde « Venetië-Commissie » staan de grotere strengheid betreffende het recht om verkozen te worden toe. Volgens deze laatste immers « kan de ontzetting uit het recht om zich verkiesbaar te stellen, onderworpen worden aan minder strenge voorwaarden dan de ontzetting uit het stemrecht, aangezien de uitoefening van een openbare functie op het spel staat en het gewettigd kan zijn de personen wier activiteit binnen dit ambt in strijd is met een dominerend openbaar belang, eruit te ontzetten » (5) .

Er moet tevens op worden gewezen dat de rechter de mogelijkheid behoudt te beslissen of het aangewezen is betrokkene te ontzetten van alle rechten die worden opgesomd in artikel 31 van het Strafwetboek of van een gedeelte ervan, uiteraard met uitzondering van het recht om verkozen te worden, aangezien de ontzetting daarvan automatisch zal zijn.

De noodzaak om een harmonieus samenleven te waarborgen binnen een maatschappij gekenmerkt door diversiteit is een van de voornaamste uitdagingen waarmee onze maatschappij thans wordt geconfronteerd. Op grond van deze uitdaging is het de wetgever toegestaan van mening te zijn dat het aanzetten tot rassendiscriminatie of een racistische discriminerende daad, alsook elke andere discriminatie op grond van andere motieven dan het vermeende ras, zoals bepaald in de wetten van 10 mei 2007, zwaar moeten kunnen worden gestraft op het vlak van de uitoefening van politieke rechten.

Het is dus van essentieel belang erop toe te zien dat de burgers en verkozenen wier opinies gebaseerd zijn op racisme, discriminatie, xenofobie, of het ontkennen van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, hun recht om verkozen te worden niet kunnen gebruiken om onze democratische waarden met voeten te treden.

Philippe MAHOUX.
Christophe COLLIGNON.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 27 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, ingevoegd bij de wet van 10 mei 2007, wordt vervangen als volgt :

« Art. 27. — Bovendien kunnen de hoven en rechtbanken de persoon die veroordeeld is op grond van de artikelen 20 tot 25 voor een termijn van vijf tot tien jaar ontzetten van de uitoefening van het stemrecht.

De persoon die veroordeeld is krachtens de artikelen 20 tot 25, wordt bovendien voor een termijn van vijf tot tien jaar veroordeeld tot de ontzetting van het recht om verkozen te worden. Tevens kan hij worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31, 1º, 3º, 4º, 5º en 6º, van het Strafwetboek, overeenkomstig artikel 33 van hetzelfde wetboek. »

Art. 3

Artikel 1, derde lid, van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, vervangen bij de wet van 7 mei 1999, wordt opgeheven.

Art. 4

In dezelfde wet wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidende :

« Art. 1bis. — De hoven en rechtbanken kunnen de persoon die veroordeeld is op grond van artikel 1, voor een termijn van vijf tot tien jaar ontzetten van de uitoefening van het stemrecht.

De persoon die veroordeeld is krachtens artikel 1 wordt bovendien voor een termijn van vijf tot tien jaar veroordeeld tot de ontzetting van het recht om verkozen te worden. Tevens kan hij worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31, 1º, 3º, 4º, 5º en 6º, van het Strafwetboek, overeenkomstig artikel 33 van hetzelfde wetboek. »

Art. 5

Artikel 30 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, wordt vervangen als volgt :

« Art. 30. — Bovendien kunnen de hoven en rechtbanken de persoon die veroordeeld is op grond van de artikelen 27 tot 29 voor een termijn van vijf tot tien jaar ontzetten van de uitoefening van het stemrecht.

De persoon die veroordeeld is krachtens de artikelen 27 tot 29, wordt bovendien voor een termijn van vijf tot tien jaar veroordeeld tot de ontzetting van het recht om verkozen te worden. Tevens kan hij worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31, 1º, 3º, 4º, 5º en 6º, van het Strafwetboek, overeenkomstig artikel 33 van hetzelfde wetboek. »

Art. 6

Artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie wordt vervangen als volgt :

« Art. 25. — Bovendien kunnen de hoven en rechtbanken de persoon die veroordeeld is op grond van de artikelen 22, 23 of 24 voor een termijn van vijf tot tien jaar ontzetten van de uitoefening van het stemrecht.

De persoon die veroordeeld is krachtens de artikelen 22, 23 of 24 wordt bovendien voor een termijn van vijf tot tien jaar veroordeeld tot de ontzetting van het recht om verkozen te worden. Tevens kan hij worden veroordeeld tot ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31, 1º, 3º, 4º, 5º en 6º, van het Strafwetboek, overeenkomstig artikel 33 van hetzelfde wetboek. »

23 november 2007.

Philippe MAHOUX.
Christophe COLLIGNON.

(1) Artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen : « Indien een politieke partij door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene, met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden die gewaarborgd worden door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en door de aanvullende protocollen bij dat verdrag die in België van kracht zijn, moet de dotatie die krachtens dit hoofdstuk aan de in artikel 22 bedoelde instelling wordt toegekend, zo de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State dat beslist, binnen vijftien dagen door de Controlecommissie worden ingetrokken, ten belope van het bedrag waartoe de Raad van State heeft beslist. »

(2) Zie artikel 31 van het Strafwetboek.

(3) Arrest nr. 187/2005 van 14 december 2005 uitgesproken door het Grondwettelijk Hof naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Rechtbank van eerste aanleg van Gent.

(4) Arrest Zdanoka vs. Letland van 16 maart 2006.

(5) Venetië-Commissie, Advies nr. 190/2002, Wetboek goed gedrag in verkiezingsaangelegenheden.