4-376/1 | 4-376/1 |
8 NOVEMBER 2007
Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 5 maart 2007 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 51-2959/001).
De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid rekende in zijn advies nr. 4 (1998) voor dat één werkloze op drie geld zou verliezen mocht hij een bezoldigde arbeid aanvaarden. Dat is wat men een « werkloosheidsval » noemt.
Een werkloosheidsval is een situatie waarin het aannemen van een baan een koopkrachtstijging met zich brengt die negatief of nihil is dan wel slechts lichtjes hoger ligt dan de inkomensvervangende tegemoetkoming (meer bepaald de werkloosheidsuitkering).
1º Algemeen kader
Als arbeid onvoldoende loont in vergelijking met het vervangingsinkomen en de daarmee gepaard gaande (fiscale en andere) voordelen, worden de betrokkenen er niet toe aangezet een baan aan te nemen.
Sinds het in 1997 verschenen OESO-rapport « Making Work Pay » besteden de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling veel aandacht aan dat knelpunt, en derhalve ook aan de noodzaak te beschikken over een socialezekerheidsstelsel dat de betrokkenen er niet toe aanzet onder het stelsel van de sociale uitkeringen te blijven vallen.
Verscheidene landen hebben in dat verband maatregelen genomen die beogen dat soort van « werkloosheidsvallen » weg te werken (voornamelijk de Verenigde Staten (1) , het Verenigd Koninkrijk (2) en Frankrijk (3) ).
Ook de Europese Unie besteedt veel aandacht aan dat vraagstuk. Sinds 1998 wordt aldus in de richtsnoeren van de Europese strategie voor de werkgelegenheid (ESW) beklemtoond hoe belangrijk het is werken financieel aantrekkelijk te maken. In het tijdvak 2003 — 2005 was « werken aantrekkelijk maken » één van de tien prioritaire acties van de ESW. Die doelstelling is tevens opgenomen in de nieuwe « Geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid 2005-2008 », meer bepaald in richtsnoer 19 : « Arbeidsmarkten toegankelijker, werken aantrekkelijker en arbeid lonend maken voor werkzoekenden, inclusief mensen met een achterstandspositie en inactieven », alsook in richtsnoer 22 : « Zorgen voor arbeidskostenontwikkelingen en regelingen voor loonvaststelling die bevorderlijk zijn voor de werkgelegenheid ».
De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid wijdt één deel van zijn meerdelig verslag 2005 aan het vraagstuk « Make work pay » in België, en vergelijkt meer bepaald de situatie in België met die in de andere Europese landen.
Zijn besluit luidt als volgt : « De indicatoren die een vergelijking toelaten van de « make work pay »-problematiek in de verschillende EU-lidstaten geven over het algemeen een eerder ongunstige situatie aan voor België.
Zo ligt zowel de globale (para)fiscale druk op arbeid [zie bijlage 2, grafiek 1] als de druk op laagbetaalde arbeid [zie bijlage 2, grafiek 2] bij de hoogste in de EU en blijkt ook de loonwig zeer omvangrijk te zijn [zie bijlage 2, grafiek 4]. Ook de werkloosheidsval is groot in ons land [zie bijlage 2, grafiek 3]. (...)
Het Belgische werkloosheidsuitkeringsstelsel, met gemiddelde initiële uitkeringen die in de loop van de werkloosheidsduur weinig afnemen, is echter weinig afgestemd op een verzekeringsstelsel dat werklozen aanzet tot het zoeken naar werk. » (4)
Een grafisch overzicht van die uiteenlopende Belgische indicatoren in een Europese context is opgenomen in de bijlage 2. Daaruit blijkt dat België uitermate zwak scoort in vergelijking met de andere landen.
De onderstaande grafiek geeft voor 2005 een beeld van de indicator « werkloosheidsval », zoals dat begrip wordt gedefinieerd door de EU, met name het percentage van de brutobezoldiging (bij de overgang van een periode van werkloosheid naar een nieuwe baan) dat wordt « opgeslorpt » door de gecombineerde gevolgen van de hogere belastingtarieven en sociale bijdragen en het verlies van de tegemoetkomingen.
Die indicator heeft betrekking op de alleenstaanden zonder kinderen die, wanneer zij aan het werk zijn, 67 % van het gemiddelde loon verdienen.
De cijfers spreken voor zich : België heeft een indicator-werkloosheidsval die veel hoger uitvalt dan het Europese gemiddelde.
Heffingspercentage op de lage lonen — Werkloosheidsval (2005)
Bron : Eurostat

In België, waar de daadwerkelijke marginale aanslagvoet ongeveer 85 % bedraagt, bedroeg het bijkomende nettoloon ingevolge de overstap van werkloosheid naar een laag betaalde baan in 2005 nauwelijks 15 % meer dan het bijkomende brutoloon. In de Europese Unie van 25 (met uitzondering van Bulgarije en Roemenië) bedroeg dat supplement gemiddeld 75 %.
Ook de Fédération des centres publics d'action sociale (CPAS) heeft in 2005 onderzoek gevoerd naar de werkloosheidsvallen (5) , waaruit niet alleen bleek dat het knelpunt er nog steeds is én dat het stevig ingebed is in het Belgische socialezekerheidsstelsel, maar ook dat het wordt verscherpt door de uiteenlopende voordelen van het statuut van steuntrekker, die de betrokkene verliest wanneer hij een baan aanneemt. De vereniging stelt aan de kaak dat het voeren van een efficiënt inschakelingsbeleid problematisch is, omdat het aannemen van een baan voor veel van die steuntrekkers betekent dat zij inkomsten derven in vergelijking met hun huidige situatie.
In tegenstelling tot de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, die hoofdzakelijk de fiscale en parafiscale vallen in het Belgische stelsel analyseerde, leggen de OCMW's de klemtoon op de voordelen welke inherent zijn aan de status van sociaal gerechtigde, zoals de vrijstelling van de heffing op de energieteller of de vrijstelling van het kijk- en luistergeld.
Verscheidene factoren hebben namelijk een weerslag op de omvang van de werkloosheidsvallen (6) : het bedrag van het vervangingsinkomen en van de aanvullende financiële tegemoetkomingen, de gedifferentieerde onderlinge fiscale behandeling tussen de statussen, het bereikte loonniveau (en bijgevolg het bedrag van het minimumloon), de vrijstelling van sommige heffingen (radio, tv enzovoort) ...
Eveneens een rol speelt het risico dat de sociaal gerechtigde kan terugvallen in een minder gulle financiële regeling wanneer hij opnieuw afhankelijk van een uitkering wordt na een beperkte periode van beroepsactiviteit. Tot slot kunnen ook de kosten ingevolge de baan, in verband met mobiliteit of voor de kinderopvang (bijvoorbeeld de aankoop van een auto, de opvangkosten in een crèche enzovoort) van doorslaggevend belang blijken.
De regering had niet volstrekt passief toegekeken sinds de eerste officiële rapporten over het cruciale vraagstuk van de werkloosheidsvallen zijn verschenen, maar men kan niet om de vaststelling heen dat de maatregelen die ze tot dusver heeft genomen nog altijd danig tekortschieten. Zo is bijvoorbeeld de werkgelegenheidsbonus (7) een uitstekend initiatief (dat moet worden uitgebreid), aangezien het nettoloon van de werknemers met een laag inkomen stijgt. De regering heeft bij de programmawet van 27 december 2006 ook bepaald dat de verhoogde kinderbijslag gedurende ten hoogste twee jaar behouden blijft voor de werklozen of de sociaal gerechtigden die een baan aanvaarden, op voorwaarde dat hun inkomen een bepaald bedrag niet overschrijdt (8) .
2º Opsomming van de drie aspecten die een grote rol spelen bij de in België bestaande werkloosheidsvallen
1º) Een specifiek fiscaal regime
De werkloosheidsuitkeringen en de andere vervangingsinkomens genieten een specifieke fiscale regeling, te weten een speciale korting op het te voldoen belastingbedrag. Zo betaalt iemand die een werkloosheidsuitkering ontvangt momenteel geen belastingen op de inkomensschijf tussen 5 940 en 7 500 euro, zulks in tegenstelling tot een loontrekkende of een zelfstandige, die wel op die schijf wordt belast omdat laatstgenoemde geen aanspraak maakt op een reeks verminderingen die alleen worden verleend aan wie een vervangingsinkomen geniet.
2º) De inkomensgarantie-uitkering
Een tweede aspect van de werkloosheidsval is de regeling inzake de inkomensgarantie-uitkering (IGU). De IGU is een aanvulling op de werkloosheidsuitkering voor de tijdelijk onvrijwillig deeltijdwerkers die een loon ontvangen dat lager ligt dan het gemiddeld maandelijks minimuminkomen. De IGU waarborgt dus aan de werkzoekende die een deeltijdse baan aanvaardt dat een deel van zijn werkloosheidsuitkering behouden blijft. Om er aanspraak op te maken, moet hij evenwel een voltijdse baan blijven zoeken.
In juli 2005 heeft de regering een hervorming van de IGU ingesteld waarop onmiddellijk bijzonder veel kritiek is gekomen. Kennelijk valt die hervorming in de praktijk immers bijzonder nadelig uit voor de deeltijdwerkers. Voor de meesten onder hen gaat de aanvullende uitkering waarop zij recht hebben sterk omlaag (tot meer dan 200 euro per maand).
Het resultaat is van dien aard dat de werklozen ertoe worden aangezet geen deeltijdse baan te aanvaarden, maar integendeel werkloos te blijven : het verkregen financiële voordeel door een baan aan te nemen, is immers te klein in vergelijking met de uitkering voor volledige werkloosheid.
Met name een wetsvoorstel van de fractie waartoe de indieners behoren (DOC 51 2621/001) beschrijft in detail de tekortkomingen van de IGU-regeling, en stelt een hervorming voor om die te verhelpen (9) .
3º) De vrijstelling van een aantal heffingen volgens de status
De sociaal gerechtigden genieten een aantal aan hun status inherente voordelen. Zo zijn de leefloners vrijgesteld van het kijk- en luistergeld; zij genieten het sociaal tarief voor hun energiefacturen; zij kunnen — onder bepaalde voorwaarden — aanspraak maken op door Belgacom verleende telefoonkaarten; zij zijn over het algemeen vrijgesteld van sommige gemeentebelastingen enzovoort. In bepaalde gevallen worden die voordelen ook toegekend aan wie recht heeft op een werkloosheidsuitkering.
3º Voorgestelde oplossingen
Die werkloosheidsvallen mogen niet blijven bestaan en moeten structureel worden weggewerkt. In dat verband werden wetsvoorstellen ingediend, inzonderheid de wetsvoorstellen DOC 51 2621/001 en DOC 51 1384/001.
In afwachting dat er structurele oplossingen komen, moet aan iedereen die een bezoldigde activiteit aanvat evenwel worden gewaarborgd dat een beroepsactiviteit een financieel voordeel zal opleveren.
Daarom stellen de indieners een duidelijke en ondubbelzinnige boodschap ten behoeve van de werklozen en de sociaal gerechtigden voor : indien de betrokkenen een beroepsactiviteit ondernemen, genieten zij maandelijks gewaarborgd ten minste een financieel voordeel van 20 %. Waarom 20 % ? Omdat dat de referentie is die in de OCMW-studie (2005) wordt gehanteerd om te bepalen dat de financiële stimulans volstaat om een baan aan te nemen.
De nadere regels van die garantie, die ertoe strekt dat financiële voordeel van 20 % (bestaande uit het verschil tussen het volledige netto-inkomen dat de werknemer ontvangt en het volledige netto-inkomen dat de betrokkene vóór de aanvang van zijn beroepsactiviteit ontving) te waarborgen, houden verband met de volgende facetten :
a) het op het einde van de maand ontvangen nettoloon;
b) het op het einde van het jaar ontvangen vakantiegeld;
c) de vervangingsinkomsten;
d) de eventuele kosten voor het kinderdagverblijf in het geval van een eenoudergezin en ingeval de partner werkt, dan wel kennelijk niet bij machte is voor de kinderen te zorgen;
e) het gedeelte van de eventuele kosten voor openbaar vervoer dat overeenkomstig de wetgeving niet door de werkgever ten laste worden genomen;
f) de heffing op de energieteller;
g) het kijk- en luistergeld;
h) de gemeentebelastingen.
De relevantie van die indicatoren werd duidelijk aangetoond in de OCMW-studie (2005).
De volgende drie indicatoren uit de studie werden niet in aanmerking genomen.
— De gezondheidszorg : die indicator is kennelijk niet langer relevant, want de regering heeft een hervorming ingesteld, die strekt tot een verruiming van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming ten voordele van wie de voorkeursregeling geniet (BIM, de vroegere WIGW). Aldus zullen de voordelige terugbetalingen in de gezondheidszorg niet langer gebaseerd zijn op het criterium van de status van de betrokkene, maar alleen nog op het inkomenscriterium. Die hervorming is nog niet in werking getreden, maar dat zou in 2007 wel geleidelijk moeten gebeuren.
— De verhoogde kinderbijslag : zoals reeds aangestipt, heeft de regering in december 2006 besloten de verhoogde kinderbijslag twee jaar lang toe te kennen aan mensen die na een periode van inactiviteit opnieuw aan de slag gaan.
— De telefoonkaarten : aan de minstvermogenden stelt Belgacom twee telefoonkaarten van 18,59 euro ter beschikking; het betreft dus een bedrag van 37 euro per jaar of 3 euro per maand. Dat lijkt geen bedrag dat echt enige invloed kan uitoefenen, en dan gaan we nog voorbij aan de moeilijkheden om die indicator in aanmerking te nemen.
Om dat recht op een « financieel voordeel » te doen gelden, moet iemand die aan de slag gaat en die voordien werkloosheidsvergoedingen of een leefloon genoot, zich naargelang het geval naar de RVA of het OCMW begeven, en aan de hand van bewijzen ter staving aantonen dat zijn financieel voordeel in verhouding tot zijn vorige situatie lager dan 20 % ligt sinds hij beroepsmatig aan het werk is gegaan.
Dat recht is geldig gedurende twee jaar en gaat in vanaf de eerste dag waarop de persoon zijn beroepsactiviteit heeft aangevat. Het derde jaar ontvangt de persoon die nog steeds in een werkloosheidsval zou zitten nog slechts tweederde van het bedrag dat hij de voorgaande jaren heeft gekregen. Het vierde jaar heeft hij nog slechts recht op een derde van het bedrag dat hij het eerste jaar heeft ontvangen. Dat recht geldt alleen voor iemand die een activiteit van loontrekkende aanvat.
De Koning bepaalt de regel voor de berekening van het financiële voordeel en het percentage van het financiële voordeel dat geldt voor de personen die een beroepsactiviteit aanvatten met een minder dan voltijdse arbeidsduur.
Kortom, dit wetsvoorstel beoogt alle werkloosheidsvallen onverwijld uit te roeien. Het zou overbodig kunnen blijken te zijn de dag waarop de oorzaken zelf van de verschillende vormen van arbeidsvallen verdwenen zullen zijn (door de volledige afschaffing van de sociale lasten op de lage lonen, de verhoging van het minimumloon enzovoort).
Artikelen 2 en 3
Artikel 2 bepaalt de voorwaarden voor de toekenning van het gewaarborgd financieel voordeel, het bedrag ervan en de geldigheidsduur van dat recht als de werknemer door de RVA werd vergoed.
Wat de voorwaarden betreft, geldt het recht op het « gewaarborgd financieel voordeel », ten belope van 20 %, alleen voor een persoon die een voltijdse activiteit van loontrekkende aanvat en voor zover hij vóór de eerste dag van de beroepsactiviteit al minstens drie maanden het statuut van uitkeringsgerechtigde volledig werkloze had. Voor de personen met een minder dan voltijdse beroepsactiviteit bepaalt de Koning de regel voor de berekening van het financiële voordeel en het percentage van het financiële voordeel dat van toepassing is. Dat moet lager liggen dan 20 %.
Wat het bedrag betreft, heeft de begunstigde recht op een gewaarborgd totaal netto-inkomen van 120 % vergeleken bij de situatie vóór de aanvang van zijn beroepsactiviteit.
Voor de bepaling van het bedrag van dat totaal netto-inkomen worden de volgende gegevens in aanmerking genomen :
a. het op het einde van de maand ontvangen nettoloon;
b. het op het einde van het jaar ontvangen vakantiegeld;
c. de vervangingsinkomsten;
d. de eventuele kosten voor kinderopvang, in het geval van een eenoudergezin en ingeval de partner werkt, dan wel kennelijk niet bij machte is voor de kinderen te zorgen;
e. het gedeelte van de eventuele kosten voor openbaar vervoer dat overeenkomstig de wetgeving niet door de werkgever ten laste wordt genomen;
f. de heffing voor de energieteller;
g. het kijk- en luistergeld;
h. de gemeentebelastingen.
Wat de duur betreft, geldt dat recht gedurende twee jaar vanaf de eerste dag waarop de persoon zijn beroepsactiviteit heeft aangevat. Het derde jaar ontvangt de betrokkene, als hij nog steeds in een werkloosheidsval zit, nog slechts tweederde van het bedrag dat hij de voorgaande jaren heeft gekregen. Het vierde jaar heeft hij nog slechts recht op een derde van het aanvullend bedrag van de RVA.
Artikelen 4 en 5
De artikelen 3 en 4 creëren het gewaarborgd financieel voordeel voor de leefloners, volgens dezelfde voorwaarden en nadere regels als voor de rechthebbenden op werkloosheidsuitkeringen.
Artikel 6
Artikel 6 bepaalt dat de federale Staat het « gewaarborgd financieel voordeel » voor 100 % subsidieert als de werkgever een leefloner was (net als voor de situatie waarin de werknemer door de RVA werd vergoed). De voorgestelde regeling strekt er immers toe het federaal karakter van de sociale bescherming te vrijwaren en te verhinderen dat de financiële last stiekem naar de OCMW's wordt overgeheveld.
| Anne DELVAUX. Marc ELSEN. Georges DALLEMAGNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In hoofdstuk IV, afdeling 3, met als opschrift « Andere uitkeringen », van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering wordt een artikel 131novies ingevoegd, luidende :
« Art. 131novies. — § 1. Vanaf de eerste dag dat de werkloze zijn werkloosheidsuitkeringen verliest omdat hij een beroepsactiviteit als werknemer aanvat, heeft de werknemer recht op een « gewaarborgd financieel voordeel », als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1º hij moet de werkloosheidsuitkering gedurende minimum drie maanden vóór de eerste dag van de aanvatting van zijn beroepsactiviteit hebben ontvangen;
2º hij moet zijn beroepsactiviteit voltijds uitoefenen.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder :
1º V : het bedrag van het « gewaarborgd financieel voordeel »;
2º U : het bedrag van de werkloosheidsuitkering die de gerechtigde gedurende de laatste maand vóór de aanvatting van zijn beroepsactiviteit heeft ontvangen;
3º NL : het netto op het einde van de maand ontvangen loon;
4º VG : een twaalfde van het vakantiegeld dat de werknemer op het einde van het jaar ontvangt;
5º K : de eventuele kosten inzake kinderopvang;
6º OV : het niet door de werkgever ten laste genomen deel van de eventuele kosten inzake openbaar vervoer;
7º KL : de vrijstelling inzake kijk- en luistergeld;
8º E : het specifieke voordeel voor de werklozen inzake elektriciteit en gas;
9º G : de vrijstelling van gemeentebelasting.
Het bedrag van het « gewaarborgd financieel voordeel » wordt verkregen door de toepassing van de volgende formule :
V = (1,2 x U) - (NL + VG - E - KL - G - OV - K)
Om elk van de in 2º tot 9º vernoemde variabelen in de berekening van V te laten meetellen, moet de gerechtigde aan de hand van documenten het bestaan van financiële uitgaven voor elk van die variabelen bewijzen. De Koning bepaalt de voorwaarden met betrekking tot de aanvaarding van die bewijzen.
§ 3. Het recht op het « gewaarborgd financieel voordeel » is uitsluitend geldig gedurende twee jaar, te rekenen van de eerste dag van de aanvatting van de beroepsactiviteit.
Het derde jaar zal de gerechtigde maar een bedrag ontvangen gelijk aan V × 2/3.
Het vierde jaar zal de gerechtigde maar een bedrag ontvangen gelijk aan V/3. ».
Art. 3
De Koning is gemachtigd om de bij deze wet gewijzigde bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 te wijzigen.
Art. 4
Artikel 3 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, waarvan de huidige tekst het eerste lid wordt, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
« Wie recht heeft op het in titel I, hoofdstuk II, afdeling 3, bedoelde « gewaarborgd financieel voordeel », moet niet aan de in de punten 4º en 5º, van het eerste lid van dit artikel vermelde voorwaarden voldoen. ».
Art. 5
In dezelfde wet wordt in titel I, hoofdstuk II, een afdeling 3, bestaande uit artikel 13bis, ingevoegd, luidende :
« Afdeling 3 : Het gewaarborgd financieel voordeel
Art. 13bis. — Wie conform artikel 10 en artikel 12 recht had op het leefloon en dat recht heeft verloren omdat hij een beroepsactiviteit als werknemer heeft aangevat, heeft recht op een « gewaarborgd financieel voordeel », als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
1º hij moet het leefloon gedurende minimum drie maanden vóór de eerste dag van de aanvatting van de beroepsactiviteit hebben ontvangen;
2º hij moet zijn beroepsactiviteit voltijds uitoefenen.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder :
1º V : het bedrag van het « gewaarborgd financieel voordeel »;
2º NL : het netto op het einde van de maand ontvangen loon;
3º VG : een twaalfde van het vakantiegeld dat de werknemer op het einde van het jaar ontvangt;
4º K : de eventuele kosten inzake kinderopvang;
5º OV : het niet door de werkgever ten laste genomen deel van de eventuele kosten inzake openbaar vervoer;
6º U : het bedrag van het leefloon dat de gerechtigde gedurende de laatste maand vóór de aanvatting van zijn beroepsactiviteit heeft ontvangen;
7º KL : de vrijstelling inzake kijk- en luistergeld;
8º E : het specifieke voordeel voor de leefloners inzake elektriciteit en gas;
9º G : de vrijstelling van gemeentebelasting.
Het bedrag van het « gewaarborgd financieel voordeel » wordt verkregen door de toepassing van de volgende formule :
V = (1,2 x U) - (NL + VG - E - KL - G - OV - K)
Om elk van de in 2º tot 9º vernoemde variabelen in de berekening van V te laten meetellen, moet de gerechtigde aan de hand van documenten het bestaan van financiële uitgaven voor elk van die variabelen bewijzen. De Koning bepaalt de voorwaarden met betrekking tot de aanvaarding van die bewijzen.
§ 3. De Koning bepaalt de nadere regels door middel waarvan de gerechtigden het gewaarborgd financieel voordeel van het centrum ontvangen.
§ 4. Het recht op het « gewaarborgd financieel voordeel » is uitsluitend geldig gedurende twee jaar, te rekenen van de eerste dag van de aanvatting van de beroepsactiviteit.
Het derde jaar zal de gerechtigde maar een bedrag ontvangen gelijk aan V × 2/3.
Het vierde jaar zal de gerechtigde maar een bedrag ontvangen gelijk aan V/3. ».
Art. 6
In titel II, hoofdstuk VI, met als opschrift « Staatstoelage », afdeling 4, met als opschrift « Andere verhoogde toelagen », van dezelfde wet wordt een artikel 43bis ingevoegd, luidende :
« Art. 43bis. — Het centrum ontvangt een toelage ten belope van 100 % van het bedrag van het met toepassing van artikel 13bis verleende gewaarborgd financieel voordeel. ».
29 oktober 2007.
| Anne DELVAUX. Marc ELSEN. Georges DALLEMAGNE. |
BIJLAGE 1
De prime de retour à l'emploi (herintredingspremie) in Frankrijk
Bron : site van de Espace Emploi, Travail et Formation professionnelle van de Franse regering
« Le montant de la prime pour l'emploi (PPE) individuelle est calculé en pourcentage du revenu d'activité déclaré. Le pourcentage appliqué varie selon le montant de ce revenu.
Pour les revenus 2005 (prime versée en 2006), le calcul s'effectue en fonction des éléments figurant dans le tableau ci-dessous.
| Situation de famille | Revenu d'activité en année pleine compris entre (1) | Montant de la prime individuelle |
| Célibataire, veuf, divorcé | 3 570 < R < 11 899 | R × 6 % |
| ou marié bi-actif (2) ou personne à charge du foyer exerçant une activité professionnelle rémunérée au moins 3 570 euros | 11 889 < R ≤ 16 659 | (16 659 - R) × 15 % |
| Marié mono-actif (3) | 3 570 < R < 11 899 | (R × 6 %) + 81 euros |
| 11 899 < R < 16 659 | (16 659 - R) × 15 % + 81 euros | |
| 16 659 < R < 23 798 | 81 euros | |
| 23 798 < R < 25 376 | (25 376 - R) × 5,5 % | |
| Célibataire, veuf, divorcé [case T cochée] (4) | 3 570 < R < 11 899 | (R × 6 %) |
| 11 899 < R < 16 659 | (16 659 - R) × 15 % | |
| 16 659 < R < 25 376 | 0 euro (5) | |
| (1) http://www.travail.gouv.fr/informations-pratiques/fiches-pratiques/remuneration/prime-pour-emploi-1034.html | ||
1) Le revenu déclaré doit également être au moins égal à 3 570 euros.
2) Les couples bi-actifs sont les couples mariés (ou liés par un Pacte Civil de Solidarité, en abrégé, PCS, c'est-à-dire un contrat conclu entre deux personnes majeures, de sexe différent ou de même sexe, pour organiser leur vie commune), dont les deux conjoints (ou partenaires) exercent une activité leur procurant au moins 3 570 euros avant conversion éventuelle en équivalent temps plein.
3) Les couples mono-actifs sont les couples soumis à une imposition commune dont un seul des conjoints (ou partenaires) exerce une activité lui procurant un revenu d'au moins 3 570 euros avant conversion éventuelle en équivalent temps plein.
4) Sauf les personnes veuves ayant coché à la fois la case L (enfant à charge issu du mariage avec le conjoint décédé) et la case T (non prise en compte dès lors que ces personnes bénéficient du quotient familial des contribuables mariés).
5) Dans ce cas, le foyer peut bénéficier de la majoration forfaitaire de 70 euros s'il a une ou plusieurs personnes à charge.
La prime attribuée au foyer fiscal correspond au total des primes individuelles, éventuellement majoré en fonction du nombre de personnes à la charge du foyer (majoration de 35 ou 70 euros selon le cas). Le montant de la prime, tel que calculé par l'administration fiscale, apparaît sur l'avis d'imposition de l'année en question. La prime n'est pas versée lorsque son montant total, au titre du foyer fiscal, est inférieur à 30 euros. »
BIJLAGE 2
Prestatie-indicatoren van de lidstaten van de Europese Unie inzake « Make Work Pay », volgens de berekeningen van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2005)
Globale (para)fiscale druk op arbeid in loondienst (dat wil zeggen het aandeel van de belastingen op het inkomen en de sociale bijdragen in de totale loonmassa) in België en in de overige landen van de EU in 2003 ( %)
Bron : Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, 2005, bladzijde 82, op grond van de gegevens van de EU
Grafiek 1

Grafiek 2 : Fiscale en parafiscale druk op laagbetaalde arbeid (10) in België en in de overige landen van de EU : recent verloop en situatie in 2003 (%)
Volgens de definitie van de EU is de fiscale en (para)fiscale druk op laagbetaalde arbeid « de inkomensbelasting plus de socialezekerheidsbijdragen (van werknemers en werkgevers) min de uitkeringen in natura, uitgedrukt in procenten van de arbeidskost voor een lage-loonverdiener (meer bepaald een éénverdiener met een loon dat 67 pct. van dat van de gemiddelde productie-arbeider bedraagt). ».
Bron : Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, 2005, bladzijde 82, op grond van de gegevens van de Europese Unie

Grafiek 3 : Werkloosheidsvallen (11) in België en in de overige landen van de EU : recent verloop en situatie in 2003 (%)
« De EC-indicator met betrekking tot de werkloosheidsval betreft de marginale effectieve aanslagvoet op een inkomen uit arbeid wanneer de overstap wordt gemaakt van werkloosheid naar (laagbetaald) werk. Deze variabele wordt gedefinieerd als één minus de ratio van de verandering in netto-inkomen ten opzichte van de verandering in bruto-inkomen, voor een alleenstaande met een loon dat 67 pct. van het gemiddelde loon van een productie-arbeider bedraagt. De werkloosheidsval is derhalve groter naargelang de indicator hoger uitvalt (dichter bij 100 pct.) : een hoge waarde geeft immers aan dat een toename van het bruto-inkomen slechts leidt tot een relatief kleine toename van het netto-inkomen. » Verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2005), blz. 84.
Bron : Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, 2005, bladzijde 84, op grond van de gegevens van de Europese Unie

Grafiek 4 : Loonwig (12) in België en in de overige landen van de EU15 in 1996 en 2004
Inkomstensbelastingen en werkgevers- en werknemersbijdragen in procenten van de loonkosten.
Bron : Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, 2005, bladzijde 87, op grond van de gegevens van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)

(1) Meer bepaald de Earned Income Tax Credit, op grond waarvan, naar gelang van het geval, een belastingkrediet aan de lage inkomensgroepen dan wel een directe netto storting aan de gezinnen wordt toegekend, om de gezinnen met een laag inkomen ertoe aan te zetten aan de slag te gaan. De EITC werd in 1975 ingesteld, maar had destijds een zeer beperkte impact. De regeling werd geleidelijk uitgebouwd en aangescherpt. De twee recentste wijzigingen, die van 1999 en van 2001 in het bijzonder, hebben de regeling aanzienlijk versterkt.
(2) Meer bepaald de Working Family Tax Credit (belastingkrediet voor werkende gezinnen); dat is een fiscale maatregel ten behoeve van gezinnen met kinderen en met een bescheiden inkomen, waarvan ten minste één lid meer dan 16 uur per week werkt.
(3) De prime pour l'emploi (PPE) is een steunmaatregel om opnieuw aan de slag te gaan en de beroepsactiviteit te behouden. De bonus wordt toegekend aan personen die een (on)bezoldigde beroepsactiviteit uitoefenen, waarbij aan bepaalde inkomensvoorwaarden moet worden voldaan. Het bedrag ervan wordt berekend op grond van een percentage van de activiteitsinkomsten (zie bijlage voor de mogelijke bedragen). De bonus wordt afgetrokken van de te betalen inkomstenbelasting ofwel direct gestort aan de begunstigde (als die niet belastingplichtig is).
(4) Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, Verslag 2005, blz. 94.
(5) Analyse 2005 des pièges à l'emploi, Fédération des CPAS, Service Insertion Professionnelle, september 2005
(6) Isabelle DE GREEF herinnert daaraan in « Les pièges financiers en Belgique, aperçu de la législation du chômage, des spécificités institutionnelles et études de cas types », nota van de Service d'Analyse Économique, IRES, juni 1999.
(7) De verlaging van de persoonlijke socialezekerheidsbijdragen op de lage lonen werd in 2000 ingesteld. In de loop van de daaropvolgende jaren werd ze geleidelijk uitgebouwd, en ten slotte officieel « werkgelegenheidsbonus » gedoopt in 2005.
(8) De cdH stelt dit voor sinds 1999, in de vorm van wetsvoorstel DOC 51 1834/001 van de heer Benoît Drèze, mevrouw Joëlle Milquet en de heer Jean-Jacques Viseur, ook al bevatte dat wetsvoorstel enkele nuanceringen, hoofdzakelijk wat betreft de beperking in de tijd van die maatregel.
(9) In wetsvoorstel DOC 51 2621/001 stelt de heer Benoît Drèze voor de berekeningsmethode voor de IGU zodanig aan te passen dat die inkomensgarantie-uitkering voor onvrijwillig deeltijdwerkers gelijk zou zijn aan een deel van de voltijdse werkloosheidsuitkering, overeenstemmende met de niet-gepresteerde arbeidstijd in verhouding tot een voltijdse baan. De voorgestelde IGU-berekening zou samen te vatten zijn in de volgende formule : IGU = dagelijkse werkloosheidsuitkering x aantal werkloosheidsdagen.
(10) Volgens de definitie van de EU is de fiscale en (para)fiscale druk op laagbetaalde arbeid « de inkomensbelasting plus de socialezekerheidsbijdragen (van werknemers en werkgevers) min de uitkeringen in natura, uitgedrukt in procenten van de arbeidskost voor een lage-loonverdiener (meer bepaald een éénverdiener met een loon dat 67 pct. van dat van de gemiddelde productie-arbeider bedraagt). ».
(11) « De EC-indicator met betrekking tot de werkloosheidsval betreft de marginale effectieve aanslagvoet op een inkomen uit arbeid wanneer de overstap wordt gemaakt van werkloosheid naar (laagbetaald) werk. Deze variabele wordt gedefinieerd als één minus de ratio van de verandering in netto-inkomen ten opzichte van de verandering in bruto-inkomen, voor een alleenstaande met een loon dat 67 pct. van het gemiddelde loon van een productie-arbeider bedraagt. De werkloosheidsval is derhalve groter naargelang de indicator hoger uitvalt (dichter bij 100 pct.) : een hoge waarde geeft immers aan dat een toename van het bruto-inkomen slechts leidt tot een relatief kleine toename van het netto-inkomen. » Verslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2005), blz. 84.
(12) Inkomstensbelastingen en werkgevers- en werknemersbijdragen in procenten van de loonkosten.