4-186/1

4-186/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2007

19 SEPTEMBER 2007


Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek teneinde aanmatiging van macht ten aanzien van rechterlijke overheden strafbaar te stellen

(Ingediend door mevrouw Isabelle Durant c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 28 april 2005 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-1157/1 — 2004/2005).

De politieke ethiek moet haar plaats weer opeisen. Daar zijn we reeds vele jaren stellig van overtuigd en we worden in die overtuiging gesterkt door de affaire die het voorzitterschap van onze Hoge Vergadering de vorige regeerperiode op zijn grondvesten deed daveren. Het is onaanvaardbaar dat een politicus een brief stuurt naar een magistraat van de rechterlijke orde met de bedoeling de rechtspleging te beïnvloeden, ook al gebeurt dat uit barmhartigheid. Het is duidelijk dat dergelijk optreden geheel in strijd is met het beginsel van de scheiding der machten, een grondbeginsel van onze rechtsstaat. Men kan onmogelijk trouw zweren aan de Grondwet en tegelijk straffeloos de draak steken met de beginselen ervan.

Het is meer dan 25 jaar geleden dat ÉCOLO van de politieke ethiek een van zijn belangrijkste stokpaardjes heeft gemaakt. Uit deze affaire en de vergoelijkende reacties erop van vele politici blijkt eens te meer dat er op dit gebied nog bedroevend veel werk aan de winkel is. De verbijsterende verklaringen van bepaalde lokale bestuurders, zoals « Verkies majoretten als we niets meer mogen doen » of « Het schandaal dat men rond die zaak schopt doet aan het dwaze spaghetti-arrest denken », tonen voldoende aan dat bepaalde vernieuwingen slechts windowdressing zijn.

Meer algemeen meent ÉCOLO dat er een einde moet worden gemaakt aan de paradox dat de politieke bemoeizucht ten opzichte van de rechterlijke macht niet wordt bestraft door de Belgische wetgeving. De democratie moet zich degelijk wapenen tegen elke pressie vanwege één van de drie machten op een andere, of ze verzeilt in praktijken die alleen in totalitaire regimes kunnen thuishoren. Die leemte in onze wetgeving is des te paradoxaler omdat het Strafwetboek, dat door parlementsleden is aangenomen, de inmenging van de rechterlijke macht in de uitoefening van de wetgevende macht onverdroten aan de schandpaal nagelt (artikel 237), terwijl het omgekeerde niet verboden is.

De indieners van dit wetsvoorstel hebben inspiratie geput uit het Britse « Contempt of Court » en uit de internationale verdragen die België nochtans heeft goedgekeurd. Ze willen dan ook van de inmenging van de politieke overheden in de uitoefening van de rechterlijke macht een strafrechtelijk misdrijf maken.

Ze stellen voor om naar analogie van het bestaande artikel 237 van het Strafwetboek een nieuw artikel 238bis in te voegen dat elke verkozene, ongeacht de stemgerechtigde assemblee waarvan hij lid is, verbiedt zich in te mengen in de uitoefening van de rechterlijke macht, hetzij door zich te bemoeien met het verloop van een zaak waarvan het onderzoek loopt of die verwezen is naar de gerechtshoven en rechtbanken, hetzij door te pogen het vonnis te beïnvloeden over een zaak die in beraad is genomen, of hetzij door zich op een of andere wijze te verzetten tegen de uitvoering van een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

Tevens wordt het bestaande artikel 239 gewijzigd, enerzijds om het verbod op dergelijk gedrag uit te breiden tot de administratieve overheden (zoals de burgemeesters en de provinciegouverneurs) en anderzijds om bij die administratieve overheden de ministers en staatssecretarissen van de federale, gewest- en gemeenschapsregeringen op te nemen, alsook de Belgische leden van de Europese Commissie. Die wijzigingen zijn echter zo geformuleerd dat ze geenszins indruisen tegen het positief injunctierecht dat de minister ten aanzien van het openbaar ministerie en de officieren van de gerechtelijke politie heeft. Voor het overige verandert de inhoud van die bepaling niet.

Dit gewijzigde artikel 239 beoogt echter niet de administratieve overheden die de verkozen assemblees in hun midden aanwijzen (zoals de schepenen of de gedeputeerden). Dit wetsvoorstel is niettemin op hen van toepassing via artikel 238bis, waarvan de invoeging zoals hierboven vermeld wordt voorgesteld, omdat de betrokkenen lid zijn van die stemgerechtigde assemblees.

Zoals voor de magistraten die zich schuldig maken aan inmenging in de uitoefening van de wetgevende macht, zijn de sancties bij inmenging in de uitoefening van de rechterlijke macht gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en geldboete van 50 tot 500 euro. De daders van dergelijk strafrechtelijk misdrijf kunnen bovendien worden veroordeeld tot ontzetting, voor 5 tot 10 jaar, van het recht om openbare ambten, bedieningen of betrekkingen (zoals het burgemeesterschap in een gemeente) te vervullen, van het recht om te worden verkozen (in alle verkiezingen) en van het recht om enig ereteken te dragen of enige adellijke titel te voeren (artikel 31, 1º tot 3º van het Strafwetboek).

De indieners van dit wetsvoorstel zijn er zich van bewust dat het niet volstaat om alle gebieden waarin meer politieke ethiek aan de dag moet worden gelegd, te bestrijken. Ze zijn er evenwel van overtuigd dat het er in hoge mate kan toe bijdragen.

Isabelle DURANT.
Marcel CHERON.
José DARAS.
Josy DUBIÉ.
Carine RUSSO.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In boek II, titel IV, van het Strafwetboek, wordt het opschrift van Hoofdstuk II vervangen als volgt :

« Aanmatiging van macht door de wetgevende, administratieve en rechterlijke overheden »

Art. 3

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 238bis ingevoegd, luidende :

« Art. 238bis. — Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro worden gestraft, de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de parlementen van gewesten en gemeenschappen, de provincieraden, de gemeenteraden, de districtraden en de OCMW-raden en hun opvolgers, alsook de in België verkozen leden van het Europees parlement en hun opvolgers, die zich inmengen in de uitoefening van de rechterlijke macht, hetzij door zich te bemoeien met het verloop van een zaak waarvan het onderzoek loopt of die verwezen is naar de hoven en rechtbanken, hetzij door te pogen het vonnis te beïnvloeden over een zaak die in beraad is genomen, hetzij door zich op een of andere wijze te verzetten tegen de uitvoering van een in kracht van gewijsde gegane beslissing.

Bovendien kunnen zij worden veroordeeld tot ontzetting, voor vijf tot tien jaar, van de rechten genoemd in het 1º, 2º, en 3º van artikel 31. ».

Art. 4

Artikel 239 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 juni 2006, wordt vervangen als volgt :

« Art. 239. — Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van vijftig tot vijfhonderd euro worden gestraft, en tot ontzetting, voor vijf jaar tot tien jaar, van de rechten genoemd in het 1º, 2º, en 3º van artikel 31, kunnen worden veroordeeld :

1º gouverneurs, arrondissementscommissarissen, burgemeesters, en leden van bestuurslichamen die zich in de uitoefening van de wetgevende macht inmengen, zoals bepaald in artikel 237, tweede lid;

2º ministers, staatssecretarissen, leden van de gewest- en gemeenschapsregeringen, staatssecretarissen van de gewestregeringen, Belgische leden van de Europese Commissie, gouverneurs, arrondissementscommissarissen, burgemeesters en leden van bestuurslichamen die zich inmengen in de uitoefening van de rechterlijke macht, zoals bepaald in artikel 238bis, of die zich aanmatigen besluiten te nemen, strekkende tot het uitvaardigen van enig bevel of verbod aan hoven of rechtbanken. ».

Art. 5

Deze wet treedt in werking de dag waarop hij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

12 juli 2007.

Isabelle DURANT.
Marcel CHERON.
José DARAS.
Josy DUBIÉ.
Carine RUSSO.