4-38/1 | 4-38/1 |
12 JULI 2007
Dit wetsvoorstel neemt, met enkele wijzigingen, de tekst over van een voorstel dat reeds op 8 juli 2003 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-28/1 — SE 2003).
Reeds op 22 december 1995 diende de heer Santkin een wetsvoorstel in tot wijziging en aanvulling van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek houdende de regels betreffende de huurovereenkomsten met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van de huurder in het bijzonder.
Artikel 23 van de Grondwet bepaalt immers dat ieder het recht heeft op een behoorlijke huisvesting. Nu dit recht thans verheven is tot de rang van grondwettelijk recht, dient de wetgever het een concrete invulling te geven opdat het beoogde doel wordt bereikt, namelijk de bescherming van de menselijke waardigheid.
Zoals de opstellers van het Algemeen Verslag over de armoede onderstrepen, is het van het grootste belang dat de nodige middelen ingezet worden om te voorkomen dat een gezin op straat komt te staan.
De destijds ingediende tekst lag geheel in de lijn van deze opvatting.
De tekst, die elementen aan de Franse wet ontleende, beoogde wijzigingen aan te brengen in afdeling II van boek III, titel VIII, hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek, die regels bevat ter bescherming van de hoofdverblijfplaats van de huurder, door middel van een aanvulling in artikel 11, enerzijds, en de invoeging van een nieuw artikel 11bis, anderzijds.
Met de aanvulling in artikel 11 wilde de indiener de beoordelingsbevoegdheid van de rechter verruimen door objectieve elementen vast te stellen die het recht op huisvesting inhoud geven.
De woning is de plaats waar de kinderen opgevoed worden, waarin het gezin een levensbelangrijk houvast vindt. Het is ook uiterst belangrijk dat men met zekerheid kan beschikken over een woning van goede kwaliteit voor een billijke prijs en in een aangename omgeving.
Door een nieuw artikel 11bis in te voegen wilde men de bestaansonzekerheid verminderen waarin sommige gezinnen zich bevinden. Voor de armsten onder ons, die als mens en in hun gezin al voldoende leed aan den lijve ondervinden, is de angst voor uitzetting uit hun woning ondraaglijk, maar de dreiging met uitzetting in een koudeperiode is nog veel erger.
In die omstandigheden gaat het immers om meer dan bestaansmoeilijkheden alleen. Het is dan voor hen een kwestie van overleven.
Tijdens de zitting 1997-1998 heeft de toenmalige minister van Justitie een wetsontwerp ingediend tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de rechtspleging inzake huur van goederen en van de wet van 30 december 1975 betreffende goederen, buiten particuliere eigendommen gevonden of op de openbare weg geplaatst ter uitvoering van vonnissen tot uitzetting.
Tijdens de bespreking van dit ontwerp in de Senaat in het kader van de evocatieprocedure werden talrijke amendementen ingediend om de ter goedkeuring voorgelegde bepalingen te verbeteren.
Uiteindelijk heeft de wet van 30 november 1998 aldus een artikel 1344ter in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd. Dit artikel is van toepassing op elke vordering ingeleid bij verzoekschrift, bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning waarbij de uithuiszetting wordt gevorderd van een natuurlijke persoon die een huurovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in afdeling II of afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek, uit een goed dat blijkens de inleidende akte de huurder tot woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, tot verblijfplaats dient.
Ongeacht of de vordering bij verzoekschrift, bij vrijwillige verschijning of bij dagvaarding aanhangig wordt gemaakt, wordt volgens het voorschrift van de wet na een termijn van slechts enkele dagen een afschrift van het verzoekschrift gezonden naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, van de verblijfplaats van de huurder.
Ook is bepaald dat de huurder zich kan verzetten tegen de mededeling van het afschrift van de inleidende akte aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, ofwel in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, ofwel bij de griffie binnen een termijn van twee dagen na de oproeping bij gerechtsbrief, ofwel bij de gerechtsdeurwaarder binnen een termijn van twee dagen na de betekening.
Om de betrokkenen, die vooral tijdens de wintermaanden in een bijzonder pijnlijke situatie terechtkomen, zo goed mogelijk te helpen, menen we dat ook de verenigingen voor de verdediging van de huurders moeten worden ingelicht en dit op dezelfde manier als de OCMW's.
De diensten van de huurdersvereniging kunnen met name vooraf adviezen verstrekken indien ze zich van bij de aanvang van de procedure over de zaak kunnen buigen. Zo controleren zij of de procedures regelmatig verlopen, geven zij informatie over de beroepsmogelijkheden en kunnen zij minnelijke overeenkomsten sluiten tussen de eigenaars en de huurders, waardoor uitzetting onnodig wordt.
Maar in de meeste gevallen komen de huurders te laat of zelfs op de dag vóór de uitzetting langs. In dergelijke omstandigheden moet absoluut worden vermeden dat het tot uitzetting komt, want dat is werkelijk onmenselijk.
Dus wordt contact opgenomen met alle betrokken partijen (eigenaar, advocaat, deurwaarder), worden voorstellen tot aflossing van de schuld gedaan en worden termijnen gevraagd. Indien het onmogelijk wordt de uitzetting te vermijden, wordt actief op zoek gegaan naar een nieuwe, vaak voorlopige woning, en wordt daar een concrete oplossing voor gevonden.
Dit wetsvoorstel heeft tot doel artikel 1344ter van het Gerechtelijk Wetboek in die zin te wijzigen.
In navolging van de Franse wet beogen wij met deze bepaling bovendien dat de uitzettingsmaatregelen opgeschort worden tijdens de koudste maanden van het jaar om het proces van maatschappelijke uitsluiting waarvan steeds meer mensen het slachtoffer worden, enigszins in te dijken. Hierdoor wordt het eigendomsrecht niet aangetast aangezien deze bepaling uitzetting alleen dan verbiedt wanneer het niet mogelijk is een nieuwe woning te vinden.
Dit voorstel wijzigt artikel 1344quater van het Gerechtelijk Wetboek dus in die zin.
| Philippe MAHOUX. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In artikel 1344ter van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 november 1998 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. Paragraaf 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
« De griffier zendt op dezelfde wijze een afschrift van het verzoekschrift naar de organisatie voor de verdediging van huurders die het dichtst bij de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de huurder is gelegen. »
B. Paragraaf 3 wordt aangevuld met het volgende lid :
« De gerechtsdeurwaarder zendt op dezelfde wijze een afschrift van het verzoekschrift naar de organisatie voor de verdediging van huurders die het dichtst bij de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de huurder is gelegen. »
C. In § 4 worden tussen de woorden « het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn » en de woorden « van het afschrift van de inleidende akte » de woorden « en aan de dichtstbijzijnde organisatie voor de verdediging van huurders ingevoegd ».
Art. 3
In artikel 1344quater, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 30 november 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. De woorden « en dit in het bijzonder tijdens de winterperiode » vervallen;
B. De laatste volzin wordt vervangen als volgt :
« Ondanks het verstrijken van de vroeger toegekende termijnen moeten alle uitzettingsmaatregelen die op 1 december van elk jaar niet uitgevoerd zijn, opgeschort worden tot 28 februari van het volgende jaar, tenzij de betrokkene opnieuw gehuisvest kan worden in dusdanige omstandigheden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de eenheid, de financiële middelen en de behoeften van het gezin. »
Art. 4
Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
12 juli 2007.
| Philippe MAHOUX. |