(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
Als de arme landen zich opnieuw overladen met schulden, heeft het rijke Westen dat aan zichzelf te danken, aldus één van de belangrijkste conclusies uit een rapport van Eurodad, een samenwerkingsverband van vijftig niet aan overheden gebonden organisaties, die ijveren voor het schuldenvrij maken van de armste landen.
De afgelopen jaren is zowel door afzonderlijke landen als door de Wereldbank en het International Monetair Fonds (IMF) voor tientallen miljarden dollars aan schulden kwijtgescholden aan vooral Afrikaanse landen. De kwijtschelding moet ervoor zorgen dat die landen meer geld overhouden voor onderwijs en gezondheidszorg.
Helaas blijkt dat deze landen nieuwe schulden aangaan, zowel bij landen als bij commerciële instellingen onder voorwaarden die niet afwijken van de normale kapitaalmarkt. De Wereldbank en het IMF hebben gedreigd dit gedrag te zullen afstraffen door geen of minder leningen onder gunstige voorwaarden meer te verstrekken.
Beide instellingen willen zo voorkomen dat uitlenende landen en commerciële instellingen meeprofiteren van het onder gunstiger voorwaarden verstrekte IMF- en Wereldbankgeld.
De door hen vooropgestelde maatregelen om dit gedrag af te straffen, zullen volgens de heer Francesco Oddone, een onderzoeker van Eurodad, de zaak verergeren. Het dichtdraaien van de kranen bij IMF en Wereldbank drijft Afrika nog verder in de armen van bijvoorbeeld China.
De Chinese president Hu Jintao reist de komende dagen door acht Afrikaanse landen, zoals Mozambique en Zambia. Deze landen hebben sterk geprofiteerd van de internationale schuldenlastreductie. De Chinese president heeft aangekondigd zaken te komen doen. Hij heeft 5 miljard dollar bij zich voor investeringen en 3 miljard dollar voor leningen aan Afrikaanse landen.
Als het Westen de afgelopen jaren de hulp — die op verschillende topconferenties is beloofd — daadwerkelijk had overgeboekt, was de greep van de nieuwe geldschieters niet zo groot geweest, aldus de bikkelharde conclusie van Eurodad.
« Door niet te leven volgens de eigen toezeggingen, worden ontwikkelingslanden voor een dilemma geplaatst : ofwel het risico lopen dat je je weer overlaadt met schulden of vast blijven zitten in onderontwikkeling wegens een chronisch gebrek aan fondsen' », aldus Oddone namens Eurodad.
Hoe groot de greep van de nieuwe geldschieters is, soms ook wel de nieuwe koloniale machthebbers van Afrika genoemd, weet niemand. Actuele cijfers over de schuldopbouw van de armste landen ontbreken, en vaak is niet vast te stellen hoe de deals in elkaar zitten.
China sluit veel contracten voor de levering van grondstoffen af, gepaard met leningen en toezeggingen over het uitvoeren van infrastructurele werken. Die combinatie maakt het moeilijk te bepalen hoe groot de nieuwe schuld in werkelijkheid is.
Een ding is volgens Eurodad duidelijk : als het zo doorgaat, wordt de schuldreductie van de afgelopen jaren weer ongedaan gemaakt.
Graag had ik dan ook een antwoord gekregen op de volgende :
1. Hoe reageert u op de vaststelling van Eurodad dat de arme landen zich opnieuw financieel in de nesten werken tengevolge de houding van de Wereldbank en het IMF die landen die teveel nieuwe schulden aangaan geen leningen aan gunstige voorwaarden wil verstrekken ?
2. Hoe reageert u op de stelling dat het dichtdraaien van de steun vanuit het IMF en de Wereldbank Afrika nog verder in de armen van China drijft ?
3. Wat zijn de gevolgen van de toegenomen invloed van China op de houding van de Afrikaanse landen wat de mensenrechten betreft ?
4. Meent u niet dat België dit moet aankaarten bij het IMF en de Wereldbank, gezien haar sterke vertegenwoordiging in deze instellingen ? Zo ja, kan dit expliciet worden toegelicht ? Zo neen, kan men uitvoerig aangeven waarom dit niet is aangewezen ?
Antwoord : Het geachte lid vindt hieronder het antwoord op de door haar gestelde vragen.
Het IMF en de Wereldbank hebben de voorbije jaren belangrijke sommen kwijtgescholden aan ontwikkelingslanden in het kader van het zogenaamde HIPC-initiatief (« Heavily indebted poor countries ») en het MDRI-initiatief (« Multilateral debt relief initiative »). Het doel van deze operaties was en is — want de uitvoering van deze initiatieven loopt nog steeds verder — de te zware externe schuldenlast van een aantal arme landen tot draagbare proporties terug te brengen en hen in staat te stellen meer middelen vrij te maken voor hun ontwikkeling, met name in het kader van het nastreven van de millennium-ontwikkelingsdoelstellingen.
Het spreekt voor zich dat deze initiatieven slechts het gewenste effect zullen hebben indien die landen niet binnen de kortste keren in een toestand belanden van een nieuwe onhoudbare schuldenlast. Een van de gevaren die zich voordoet is het « free rider »-fenomeen, waarbij kredietverstrekkers gebruik maken van de door de schuldverlichting vrijgekomen ruimte om nieuwe, niet-concessionele leningen toe te staan. Om dit te voorkomen moeten alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid nemen : de landen in kwestie, de internationale financiële instellingen en potentiële crediteuren en donoren.
Het IMF en de Wereldbank hebben een op elkaar afgestemd beleid ontwikkeld met het oog op het vrijwaren van een houdbare (buitenlandse) schuld in landen met een laag inkomen.
Centraal in dit gemeenschappelijk beleid staat een rigoureuze en nauwgezette opvolging van de houdbaarheid van de buitenlandse schuld van deze landen, op basis van systematische analyses van de schuldhoudbaarheid.
Het hoofddoel van deze analyses is de lage inkomenslanden een leidraad te bieden bij hun toekomstige leningsbeslissingen, die rekening houdt met hun nood aan middelen en hun huidige en toekomstige capaciteit om leningen terug te betalen, alsook met hun specifieke omstandigheden. Deze analyses zijn tevens een leidraad voor multilaterale en bilaterale kredietverstrekkers en donoren bij hun beslissingen voor het verstrekken van kredieten en giften aan deze landen. Doordat de analyses toekomstgericht zijn, kunnen zij ook tijdig waarschuwen wanneer nieuwe schuldproblemen de kop zouden opsteken.
De analyses houden rekening met de te verwachten economische ontwikkeling, mogelijke externe schokken en de kwaliteit van het beleid van een land. Op die manier wordt nagegaan hoeveel schuld elk land kan dragen alvorens in problemen te komen.
Met betrekking tot de specifieke vragen vindt het geachte lid hierna de volgende antwoorden :
1. De Wereldbank en het IMF moeten kredieten verstrekken op een verantwoorde wijze. Dit betekent dat hun kredieten niet mogen bijdragen tot het verergeren van de schuldproblematiek van een land en dat er moet worden op toegezien dat de verstrekte middelen effectief worden aangewend voor armoedebestrijding. De hogervermelde schuldanalyses moeten ertoe bijdragen dat voor iedereen duidelijk is hoeveel een ontwikkelingsland kan lenen tegen marktvoorwaarden (dit kan dus wel degelijk economisch verantwoord zijn in welbepaalde gevallen), waar concessionele leningen aangewezen zijn en waar giften de te verkiezen financieringswijze is. In het algemeen is het verkieselijk dat donoren de armste landen bijstaan met giften, eerder dan met kredieten. Zowel de Wereldbank als het IMF moedigen donoren aan om hun officiële ontwikkelingshulp te verstrekken in de vorm van giften. Het beleid van het IMF en de Wereldbank is er dus op gericht iedereen te responsabiliseren : debiteuren, crediteuren en donoren.
De Wereldbank en het IMF moedigen zowel de crediteuren als de debiteuren aan om bij hun kredietverlening en schuldbeheer rekening te houden met de resultaten van deze schuldanalyses. Deze schuldanalyses spelen met name een belangrijke rol bij het beleid van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (IOA), het concessionele luik van de Wereldbankgroep. Deze laatste heeft een beleid uitgewerkt om de lage inkomenslanden te ontraden schulden aan te gaan tegen ongunstige voorwaarden. Dit beleid komt erop neer dat voor landen die geen rekening houden met de resultaten van de schuldanalyses, de IOA het volume van haar bijstand terugschroeft of de voorwaarden ervan verstrengt. Dit beleid lijkt mij gerechtvaardigd en verdedigbaar indien men wil vermijden dat de belangrijke inspanningen inzake schuldverlichting teniet worden gedaan.
2. Wie de middelen verschaft die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de armste landen is op zich niet belangrijk. Van belang is onder welke voorwaarden dit gebeurt, hoe de middelen worden aangewend en ervoor te zorgen dat de verstrekte middelen de toekomst niet belasten.
Het hierboven geschetste beleid van ontrading werd in de praktijk nog niet toegepast. Het is dan ook op zijn minst voorbarig te stellen dat dit beleid de Afrikaanse landen in de armen van China, of andere nieuwe kredietverstrekkers, heeft gedreven. In ieder geval zou het een zeer slecht signaal zijn indien de internationale financiële instellingen hun houding inzake schuldbeheer zouden afzwakken om te vermijden dat ontwikkelingslanden zich tot China zouden richten.
3. Het probleem met de kredieten die recent werden verleend door China, (met name in Afrika) is dat weinig gekend is over de precieze voorwaarden waaronder die verstrekt worden. Hierdoor is het moeilijk te beoordelen of die kredieten de schuldhoudbaarheid van de debiteuren in het gedrang brengen. Het is daarom van belang dat de debiteurlanden duidelijkheid verschaffen over de voorwaarden verbonden aan de leningen die door hen zijn aangegaan.
Het valt niet te ontkennen dat de indruk bestaat dat het kredietbeleid van China in Afrika eerder gericht is op het verzekeren van de grondstoffenbevoorrading van China en het creëren van afzetmarkten voor Chinese produkten, dan op de ontwikkeling van de plaatselijke economie en armoedebestrijding. Deze indruk wordt versterkt door de aard van een aantal gefinancierde infrastructuurwerken en de manier waarop deze worden gerealiseerd (met een grote inzet van Chinese arbeidskrachten en een beperkte betrokkenheid van de lokale beroepsbevolking). Aan de financiering zijn ook geen voorwaarden verbonden inzake de bescherming van het milieu, sociale rechten, mensenrechten of het respect voor de democratie. Het valt dan ook te vrezen dat de gevolgen op deze domeinen negatief zullen zijn. Het is echter hoopgevend dat ook in Afrika kritische stemmen opgaan tegenover de kredietpolitiek van China.
4. Onze Belgische vertegenwoordigers ondersteunen actief het beleid van het IMF en Wereldbank inzake het continu beheersen van de schuld in de landen die recent van een schuldkwijtschelding genoten hebben. Zij hebben in hun interventies in de Raden van Beheer herhaaldelijk hun ongerustheid geuit over de snelle heropbouw van schulden in sommige van die landen. Zij ondersteunen een geval-per-geval-benadering, zodat bij het bepalen van de schuld die een land redelijkerwijze kan dragen, en dus hoeveel nieuwe kredieten dat land kan aangaan, en in welk tempo, rekening kan worden gehouden met de specifieke zwakke en sterke punten van het land in kwestie. Het is echter essentieel dat de crediteurlanden, met inbegrip van de « nieuwe » crediteuren, hun verantwoordelijkheid nemen en rekening houden met de resultaten van de schuldanalyses van het IMF en de Wereldbank.
Onze Belgische vertegenwoordigers hebben in de raden van beheer ook herhaaldelijk gepleit voor maatregelen om het fenomeen van de « free riding » tegen te gaan, zonder daarbij expliciet bepaalde landen met de vinger te wijzen.