Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-88

ZITTING 2006-2007

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eersteminister en minister van Justitie

Vraag nr. 3-5573 van de heer Buysse van 27 juni 2006 (N.) :
In beslag genomen auto's. — Gebruik door de federale politie.

Eind 2002 werd via een programmawet goedgekeurd dat de federale politie de mogelijkheid zou krijgen om (vooral dure) auto's die door het parket in beslag werden genomen, tijdelijk te gebruiken als anoniem dienstvoertuig. Aanleiding voor die maatregel was onder andere het feit dat nogal wat van die wagens in afwachting van een rechterlijke uitspraak toch maar stonden weg te roesten.

De inzet van die wagens door de federale politie zou er toe moeten leiden dat de politie met gelijke « wapens » zou kunnen optreden tegen zware misdadigers. Ook het feit dat men zo op een goedkope manier over dure voertuigen zou kunnen beschikken was meegenomen.

De wet bepaalde dat indien de verdachte wordt vrijgesproken en hij vanzelfsprekend opnieuw over zijn auto zou kunnen beschikken, de eventuele schade door de overheid moet worden hersteld.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Hoeveel wagens werden op basis van bovenstaande regeling aan de federale politie toegewezen ? Graag ontving ik een opsplitsing over de verschillende arrondissementen.

2. Hoeveel van die wagens dienden na uitspraak ten gronde terug te worden bezorgd aan de eigenaars ?

3. Hoeveel bedraagt de schadevergoeding die de overheid heeft moeten betalen aan de eigenaars ?

4. Is het niet nodig dat ook bepaalde diensten van de lokale politie (bijvoorbeeld de lokale recherchediensten) van deze maatregel zouden kunnen genieten ?

Antwoord : Artikel 35, § 2, van het Wetboek van strafvordering luidt :

§ 2. Indien de in de vorige paragraaf bedoelde zaken (bedoeld wordt : in beslag genomen zaken) bestaan uit voertuigen kunnen deze, voor zover zij eigendom zijn van de verdachte of inverdenkinggestelde, ter beschikking gesteld worden van de federale politie. De beslissing tot terbeschikkingstelling wordt genomen, naargelang het geval, door de procureur des Konings of de federale procureur, conform de richtlijnen van de minister van Justitie genomen in uitvoering van de artikelen 143bis en 143ter van het Gerechtelijk Wetboek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De terbeschikkingstelling houdt in dat de federale politie, die het voertuig als een goede huisvader dient te gebruiken, het kan gebruiken voor haar normale werking. In geval van teruggave, geeft elke minwaarde ingevolge gebruik van het voertuig, na compensatie met de eventuele meerwaarde, aanleiding tot vergoeding.

Het rechtsmiddel als bedoeld in artikel 28sexies kan slechts worden ingesteld binnen een maand vanaf de inbeslagneming als bedoeld in § 1. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van een jaar is verstreken te rekenen vanaf, hetzij de dag van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp, hetzij de dag van het verstrijken van de hoger bedoelde termijn van een maand.

Het bovenvermelde artikel is bestemd voor inbeslagnemingen die gebeuren op verzoek van de parketten. Voor inbeslagnemingen, bevolen door onderzoeksrechters, gelden de aanverwante bepalingen van artikel 89, tweede en derde lid, van het Wetboek van strafvordering.

De gestelde vragen kunnen beantwoord worden als volgt :

1. er werden tot op heden, enkele gevallen van oneigenlijke terbeschikkingstelling terzijde gelaten, nog geen in beslag genomen voertuigen ter beschikking van de federale politie gesteld op basis van de genoemde artikelen;

2. er werden dus ook geen wagens na de uitspraak ten gronde aan eigenaars terugbezorgd;

3. evenmin werd er schadevergoeding uitbetaald;

4. er bestaat eerder aanleiding om de bewuste bepalingen uit de wet te schrappen dan om ze uit te breiden naar andere diensten.

Er bestaan in hoofdzaak drie redenen waarom geen uitvoering werd gegeven aan de genoemde bepalingen :

a) De bepalingen voorzien dat de terbeschikkingstellingen in kwestie slechts kunnen gebeuren overeenkomstig de richtlijnen van het strafrechtelijke beleid (artikelen 143bis en 143ter Gerechtelijk Wetboek). Tot op heden zijn er geen zulke richtlijnen voorgesteld door het College van procureurs-generaal, zodat de bewuste bepalingen niet uitvoerbaar zijn.

De reden voor het uitblijven van zulke richtlijnen is meervoudig :

— gedurende de beslagfase blijven de voertuigen eigendom van de beslagen personen;

— deze personen worden geacht onschuldig te zijn tot aan hun definitieve veroordeling;

— het gebruik van hun in beslag genomen voertuigen door de federale politie vermindert de waarde van deze voertuigen, en houdt een inbreuk in op het eigendomsrecht van onschuldig geachte personen;

— het opstellen van richtlijnen betekent dat het College in abstracto moet bepalen in welke gevallen de verbeurdverklaring dermate imminent is, en dus een risico op teruggave zo minimaal, dat een terbeschikkingstelling kan overwogen worden. Zulk prejugeren is zeer moeilijk in functie van de bijzonderheden die zich in elk individueel dossier kunnen voordoen, en het is bovendien erg delicaat in het kader van de scheiding der machten.

b) Bij arrest van 3 november 2004 heeft het Arbitragehof gezegd voor recht dat artikel 89, derde lid, van het Wetboek van strafvordering (en dus ook artikel 35, § 2, laatste lid, SV), het gelijkheidsbeginsel schendt.

De schending bestaat erin dat de beslagene, vanaf de maand volgend op het beslag, één jaar moet wachten om de opheffing van zijn in beslag genomen voertuig te mogen vragen, terwijl hij geen jaar moet wachten om andere in beslag genomen goederen terug te vragen (artikelen 28sexies en 61quater, SV). De loutere kwalificatie « voertuig » biedt geen voldoende onderscheidingsgrond ten aanzien van andere in beslag genomen goederen, om een dergelijk verschil in behandeling te verantwoorden.

c) Om de waardevermindering van in beslag genomen goederen, onder meer voertuigen, tegen te gaan, werd door de wet van 26 maart 2003 « houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties » onder meer voorzien in de mogelijkheid om in beslag genomen goederen, die aan waardevermindering onderhevig zijn, tijdens de beslagfase te laten vervreemden door het COIV en door middel van zakelijke subrogatie te doen vervangen door hun geldwaarde, die verder in beslag blijft (artikelen 28octies en 61sexies, SV).

De methodes tot waardevast beheer van in beslag genomen goederen, ingevoerd door de wet van 26 maart 2003, zijn adequater dan deze waarbij men de voertuigen, tegen eventuele schadevergoeding, laat consumeren door de federale politie.