(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
De tekst van deze vraag is dezelfde als die van vraag nr. 3-6295 aan de vice-eersteminister en minister van Financiėn, die hiervoor werd gepubliceerd.
Antwoord : Ziehier mijn antwoord op de vraag van het geachte lid.
Private equity activiteiten hebben wereldwijd een enorme groei gekend over de laatste jaren. Factoren die deze evolutie sterk hebben beļnvloed zijn de lage rente, de ruime liquiditeit, de « search for yield » van beleggers en het toenemend aantal spelers op de private equity markt in de afgelopen jaren.
Binnen de private equity activiteiten hebben « leveraged buy-out » (LBO) verrichtingen in het bijzonder een sterke groei gekend. Een « leveraged buy-out » kan omschreven worden als een overname met hefboomeffect of de acquisitie van een onderneming middels de oprichting van een andere onderneming die schulden aangaat om de eerste over te nemen. De bedoeling is om een minimum aan cash in te brengen in vergelijking met de waarde van de doelonderneming (vandaar het hefboomeffect). De activa van deze laatste dienen meestal ter dekking van de geleende bedragen bij de overname. Volgens een recent rapport van Fitch verdubbelden de LBO activiteiten in West-Europa in 2005 (de totale waarde van de LBO transacties steeg op een jaar tijd met 97 %), waardoor de totale waarde van de LBO transacties in dat jaar een recordhoogte van 75 miljard euro bereikte. Deze trend bleek zich ook tijdens de eerste helft van 2006 door te zetten met een groei van 48 % jaar-op-jaar.
In het kader van een studie van de Europese Centrale Banken, waarvan het rapport wordt verwacht in de loop van het eerste kwartaal van 2007, werd in de loop van september 2006 een bevraging uitgevoerd bij de grote Europese banken, gericht op de financiering van LBO's door de Europese banksector. Bij dit soort onderwerpen is internationale samenwerking belangrijk aangezien het hier gaat om mondiale ontwikkelingen.
In het kader van deze Europese studie werden eveneens Belgische kredietinstellingen bevraagd. We stelden hierbij vast dat de posities van de bevraagde Belgische banken in LBO's relatief beperkt blijven (voornamelijk posities in de minder risicovolle delen (« tranches ») van de schuldfinanciering, snelle doorverkoop van posities aan andere marktpartijen, ...), gericht is op mid- en small-caps, de verrichtingen kaderen binnen de algemene kredietprocedures van de instellingen (met betrekking tot kredietanalyses, beslissingsorganen, documentatie, risicobeoordeling, monitoring van de verrichtingen, ...) met meer specifieke procedures en intern opgelegde regels/beperkingen voor LBO's (zie verder).
1. In het kader van de hoger vermelde bevraging van Belgische banken werd dieper ingegaan op de risico's die met LBO activiteiten gepaard gaan. De hoge liquiditeitsgraad (zie ook vraag 4) en de stand van de conjunctuur blijken hierbij determinerend voor de risico-performantie verhouding van een LBO investering.
Een van deze risico's betreft de toenemende schuldgraad (« leverage ») van de transacties. Meer bepaald zetten agressieve leverage ratios de overgenomen ondernemingen sterk onder druk om hun doelstellingen inzake rendabiliteit te halen. Bij tegenvallende economische omstandigheden kan dit de onderneming onder druk zetten om haar kosten te drukken om zo alsnog haar doelstellingen inzake rendabiliteit te halen, maar dit kan ten koste gaan van de lange-termijnstrategie van de onderneming of kan kapitaalsuitgaven noodzakelijk maken.
Binnen de LBO markt merken we bovendien een toenemend aantal herkapitaliseringen (zogenaamde « recaps » waarbij de aandelen van de initiėle LBO investeerders door het betrokken bedrijf worden teruggekocht met geleende middelen). Het nadeel van een dergelijke strategie is dat het bestaande gedeelte aan eigen kapitaal (het equity deel) verder wordt vervangen door bijkomende schulden. Met andere woorden wordt het leverage effect nog versterkt, waardoor de financiėle structuur van het bedrijf verzwakt wordt.
2. We kunnen in dit verband de toenemende « back-ended nature » van de LBO deals vermelden. Immers worden de meer risicovolle tranches (B en C tranches) in een LBO deal doorgaans op het einde van de looptijd ineens terugbetaald, in tegenstelling tot het minder risicovolle deel van de lening (A tranche), die geleidelijk aan worden afgelost. Deze toenemende « back-ended nature » van de LBO deals verhoogt dan ook de noodzaak aan een goede opvolging van de kredieten om te vermijden dat eventuele moeilijkheden bij de terugbetaling van LBO leningen pas over een aantal jaren aan het licht zouden komen.
Een aantal kanttekeningen kunnen evenwel worden gemaakt bij de impact van bovenstaande evoluties op de risicopositie van de Belgische banken. Met het oog op de beheersing van de risico's verbonden aan LBO financiering namen de bevraagde banken specifieke maatregelen.
Vooreerst worden de risico's beperkt door het opleggen van interne risicolimieten inzake LBO financiering. Via dergelijke regels leggen banken zichzelf onder meer beperkingen en/of regels op met betrekking tot de omvang van de LBO investeringen, de beslissingsprocedures, het doorverkopen van LBO posities, en dergelijke meer.
Bovendien komt een groot deel van de uiteindelijke risico's bij de institutionele beleggers terecht en niet bij de banken daar de meest risicovolle delen van LBO financiering (achtergestelde tranches) meestal voorbehouden worden voor de institutionele beleggers. Mede hierdoor blijven de posities van de banken in deze delen van een LBO lening doorgaans beperkt. Ten slotte verkopen de banken een belangrijk deel van hun posities in een LBO transactie doorgaans relatief snel door (maar dit is afhankelijk van het business model dat de bank hanteert), waardoor de uiteindelijke positie van de banken in dergelijke activiteiten beperkt wordt.
3. We hebben hierover geen indicaties.
4. De concurrentie op de LBO markt is inderdaad hoog, wat het gevolg is van de hoge liquiditeit die er op dit moment is. Deze concurrentie heeft voornamelijk een impact op de kapitaalstructuur van de transacties en de prijzen. Wat betreft de kapitaalstructuur van de LBO's, is het aandeel van de meer risicovolle (achtergestelde) delen van een deal sterk toegenomen ingevolge de vraag naar meer risicovolle en bijgevolg potentieel meer rendabele posities (« search for yield ») vanwege de institutionele investeerders. Een belangrijk deel van de druk op de prijzen wordt dan ook opgevangen door de institutionele beleggers, die precies in de meest achtergestelde en dus meest gevraagde delen van een lening investeren.
Een ander risico dat potentieel voortvloeit uit de grote concurrentie betreft de tendens tot het verschaffen van kredieten aan ondernemingen uit meer risicovolle sectoren.
5. Er is geen specifieke bancaire reglementering van toepassing op de private equity activiteiten van de Belgische kredietinstellingen. Niettemin dienen de banken voor deze activiteiten — net zoals voor alle bancaire activiteiten — kapitaal aan te houden in functie van het risico verbonden aan de activiteiten. In de mate dat LBO-financiering een verhoogd risico zou omvatten, zal dit gereflecteerd worden in hogere kapitaalsvereisten voor de kredietinstelling. Bovendien kadert de LBO activiteit van de banken binnen hun kredietverleningsactiviteit, waar uiteraard wel een strikte omkadering met betrekking tot organisatie, risico-opvolging, en dergelijke van toepassing is.
Daarnaast bestaan er in Belgiė twee types gereglementeerde « private equity fondsen » : de openbare privak (prifonds), enerzijds, en de private privak, anderzijds. Op heden zijn twee openbare privaks ingeschreven op de lijst bij de CBFA.
Wat betreft de openbare privak lijkt de reglementair vastgelegde maximale schuldenlast een voldoende bescherming te bieden. De openbare privak mag namelijk, krachtens de op haar toepasselijke reglementering, slechts ontleningen aangaan tot maximum 10 % van haar activa. Volledigheidshalve kan erop worden gewezen dat een openbare privak tevens ontleningen in deviezen kan aangaan, waaraan leningen van een zelfde waarde zijn gekoppeld met als enig doel deviezen te kopen, mits ingevolge deze verrichtingen haar netto-schuldpositie ongewijzigd blijft en zal blijven. Het gevaar van excessieve leningen op het niveau van de openbare privak, en het hiermee verbonden gevaar dat de privak ten gevolge van excessieve leningen te zware lasten zou opleggen aan de door haar overgenomen vennootschappen, lijkt derhalve ingeperkt door het reglementaire kader (cf. vraag 1). Bovendien mag een openbare privak zelf geen kredieten verstrekken. De specifieke reglementering toepasselijk op openbare privaks bevat daarentegen geen regels inzake de maximale schuldenlast van de entiteiten waarin de privak een participatie neemt.
Voor de private privaks bevat de reglementering geen beperking inzake mogelijke ontleningen. Het gevaar op excessieve leningen is aldus, door het specifieke reglementaire kader inzake de private privaks, niet geheel uitgesloten.
Verder vermelden we in dit verband nog dat de sector verschillende beroepsverenigingen kent die autoregulerend werken. Net zoals dit het geval is voor venture capital beroepsorganisaties in andere lidstaten, hebben ook de leden van de Belgian Venturing Association (BVA) (waarvan de banken met een relatief belangrijke private equity activiteit lid zijn) zichzelf onder meer een zogenaamde « code of ethics » opgelegd.