Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-84

ZITTING 2006-2007

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid

Vraag nr. 3-6296 van mevrouw Anseeuw d.d. 17 november 2006 (N.) :
Kredietverlening. — Private equity-fondsen. — Risico's voor de banken.

Verschillende partijen in de financiėle wereld maken zich ongerust over de te royale kredietverlening van banken aan « private equity »-fondsen. Deze maand gepubliceerde de Britse Financial Services Authority (FSA) een discussiedocument over de private equity-sector, waarin eveneens gewag werd gemaakt van risico's voor het financiėle systeem « as such » tengevolge de kredietrisico's die banken lopen door hun kredieten aan private equity fondsen. Het is wachten op het eerste grote bedrijf dat bezwijkt onder de schuldenlast na een overname door een durfinvesteerder, aldus het rapport van de toezichthouder op de Britse financiėle sector. De Britse toezichthouder maakt zich zorgen dat banken niet altijd voldoende « prudent » zijn bij het verlenen van krediet voor overnames. Vaak krijgen de bedrijven « excessieve leningen » en is onduidelijk aan wie de banken de leningen doorverkopen. Dit kan grote economische risico's met zich meebrengen, aldus de FSA. De FSA wil meer aandacht besteden aan het toezicht op private equity, in de vorm van een « expertisecentrum » voor alternatieve beleggingen. De FSA wil echter geen nieuwe toezichtregels voor de private equity-industrie. Het mag inderdaad niet de bedoeling zijn bijkomende regellast te creėren.

De Europese centrale banken kondigden begin september al aan de betrokkenheid van het Europese bankwezen bij private equity te onderzoeken. De Nederlandsche Bank (DNB) wil niet reageren op het FSA-rapport, maar ook deze toezichthouder uit in haar magazine van deze maand vergelijkbare zorgen. Volgens DNB zorgt de hoge concurrentie in de buy-out-markt voor een « spanningsveld tussen het adequaat beoordelen van de risico's en het competitief prijzen van de leningen ».

Javier Echarri, de secretaris-generaal van de European Private Equity and Venture Capital Association (Evca), wijst in een reactie op het FSA-rapport ook naar de banken. « Doordat zij bereid zijn steeds grotere leningen te geven, stijgen de prijzen », zegt hij. « Als de kredietmarkt instort zijn wij de eerste die daaronder lijden. » De niveaus van de leningen worden « angstaanjagend groot ».

Het feit dat banken hun leningen kunnen doorverkopen aan onder meer « hedge funds » is hier een belangrijke oorzaak van. Veel banken kijken alleen nog of ze een lening binnen drie maanden kunnen doorverkopen. De korte termijnoptiek primeert op de lange termijnoptiek. De focus van de banken is meer op het binnenhalen van de fee in plaats van op de risico's.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Deelt de geachte vice-eersteminister de ongerustheid vanwege de Britse en Nederlandse toezichthouder aangaande de te zware lasten die private-equity fondsen opleggen aan overgenomen ondernemingen tengevolge excessieve leningen, waardoor hun knowhow en lange termijngroei wordt gefnuikt ?

2. Hoe reageert hij op de vaststelling vanwege de Britse en Nederlandse toezichthouders dat banken zich blootstellen aan ernstige kredietrisico's door kredieten aan private equity-fondsen ?

3. Zijn er indicaties dat ook Belgische bedrijven die werden overgenomen door private equity-fondsen met excessieve leningen worden opgezadeld om de overname te financieren en kan hij dit uitvoerig toelichten ?

4. Is hij het eens met de vaststelling dat de hoge concurrentie in de buy-out-markt voor een spanningsveld zorgt tussen het adequaat beoordelen van de risico's en het competitief prijzen van de leningen ?

5. Hoe meent hij dat er moet worden opgetreden bij toekomstige private equity-overname ? Volstaat het huidige reglementaire kader of moeten er bijkomende knipperlichten worden voorzien ?

6. Hoe staat hij ten opzichte van het voorstel om een expertisecentrum inzake alternatieve beleggingen op te richten ? Bent u bereid gelijkaardige maatregelen te bepleiten in Belgiė in samenspraak met de Commissie voor bank-, financie- en assurantiewezen (CBFA) ? Zo neen, kan hij zijnstandpunt uitvoerig toelichten ? Zo ja, tegen wanneer wil hij dit invoeren en welke middelen worden hiervoor uitgetrokken ?

Antwoord : Na bevraging van de Commissie voor bank-, financie- en assurantiewezen, kan ik het geachte lid het volgende meedelen.

1. Private equity activiteiten hebben wereldwijd een enorme groei gekend over de laatste jaren. Factoren die deze evolutie sterk hebben beļnvloed zijn de lage rente, de ruime liquiditeit, de « search for yield » van beleggers en het toenemend aantal spelers op de private equity markt in de afgelopen jaren.

Vooreerst lijkt het mij opportuun om een situatieschets te geven met betrekking tot het sterkst gegroeide segment binnen de private equity activiteiten, in het bijzonder de leveraged buy-out (LBO) verrichtingen die een sterke groei gekend hebben. Een leveraged buy-out kan omschreven worden als een overname met hefboomeffect of de acquisitie van een onderneming middels de oprichting van een andere onderneming die schulden aangaat om de eerste over te nemen. Volgens een recent rapport van Fitch (« It's high tide in the European leveraged credit market », Fitch Ratings, 7 september 2006) verdubbelden in West-Europa in 2005 de LBO activiteiten (de totale waarde van de LBO transacties steeg op een jaar tijd met 97 %), waardoor de totale waarde van de LBO transacties in dat jaar een recordhoogte van 75 miljard euro bereikte. Deze trend bleek zich ook tijdens de eerste helft van 2006 door te zetten met een groei van 48 % jaar op jaar.

In het kader van een studie van de Europese Centrale Banken, waarvan het rapport wordt verwacht in de loop van het eerste kwartaal van 2007, werd in de loop van september 2006 een bevraging uitgevoerd bij de grote Europese banken, gericht op de financiering van LBO's door de Europese banksector.

In het kader van deze Europese studie werden eveneens Belgische kredietinstellingen bevraagd.

Hierbij werd vastgesteld dat de posities van de bevraagde Belgische banken in LBO's relatief beperkt blijven (voornamelijk posities in de minder risicovolle delen (« tranches ») van de schuldfinanciering, snelle doorverkoop van posities aan andere marktpartijen, enz.), gericht is op mid- en small-caps, de verrichtingen kaderen binnen de algemene kredietprocedures van de instellingen (met betrekking tot kredietanalyses, beslissingsorganen, documentatie, risicobeoordeling, monitoring van de verrichtingen, enz.) met meer specifieke procedures en intern opgelegde regels/beperkingen voor LBO's (zie verder).

Bovenvermelde vaststelling met betrekking tot de Belgische sector, impliceert echter niet dat ik de bezorgdheid van andere lidstaten niet zou delen, in die zin dat de LBO activiteiten wel degelijk gepaard kunnen gaan met risico's.

De hoge liquiditeitsgraad (zie ook vraag 4) en de stand van de conjunctuur blijken hierbij determinerend voor de risico-performantie verhouding van een LBO investering.

Een van deze risico's betreft de toenemende schuldgraad (leverage) van de transacties. Meer bepaald zetten agressieve leverage ratios de overgenomen ondernemingen sterk onder druk om hun doelstellingen inzake rendabiliteit te halen. Bij tegenvallende economische omstandigheden kan dit de onderneming onder druk zetten om haar kosten te drukken om zo alsnog haar doelstellingen inzake rendabiliteit te halen, maar dit kan ten koste gaan van de lange-termijn strategie van de onderneming of kan kapitaalsuitgaven noodzakelijk maken.

Binnen de LBO markt merken we bovendien een toenemend aantal herkapitaliseringen (zogenaamde recaps waarbij de aandelen van de initiėle LBO investeerders door het betrokken bedrijf worden teruggekocht met geleende middelen). Het nadeel van een dergelijke strategie is dat het bestaande gedeelte aan eigen kapitaal (het equity deel) verder wordt vervangen door bijkomende schulden. Met andere woorden wordt het leverage effect nog versterkt, waardoor de financiėle structuur van het bedrijf verzwakt wordt.

2. Wat betreft het gevaar voor de banken zich bloot te stellen aan ernstige kredietrisico's, verwijs ik naar de toenemende back-ended nature van de LBO deals. Immers worden de meer risicovolle tranches (B en C tranches) in een LBO deal doorgaans op het einde van de looptijd ineens terugbetaald, in tegenstelling tot het minder risicovolle deel van de lening (A tranche), die geleidelijk aan worden afgelost. Deze toenemende back-ended nature van de LBO deals verhoogt dan ook de noodzaak aan een goede opvolging van de kredieten, om te vermijden dat eventuele moeilijkheden bij de terugbetaling van LBO leningen pas over een aantal jaren aan het licht zouden komen.

Een aantal kanttekeningen kunnen evenwel worden gemaakt bij de impact van bovenstaande evoluties op de risicopositie van de Belgische banken. Met het oog op de beheersing van de risico's verbonden aan LBO financiering, namen de bevraagde banken specifieke maatregelen.

Vooreerst worden de risico's beperkt door het opleggen van interne risicolimieten inzake LBO financiering. Via dergelijke regels leggen banken zichzelf onder meer beperkingen en/of regels op met betrekking tot de omvang van de LBO investeringen, de beslissingsprocedures, het doorverkopen van LBO posities, en dergelijke meer.

Bovendien komt een groot deel van de uiteindelijke risico's bij de institutionele beleggers terecht en niet bij de banken daar de meest risicovolle delen van LBO financiering (achtergestelde tranches) meestal voorbehouden worden voor de institutionele beleggers. Mede hierdoor blijven de posities van de banken in deze delen van een LBO lening doorgaans beperkt. Ten slotte verkopen de banken een belangrijk deel van hun posities in een LBO transactie doorgaans relatief snel door (maar dit is afhankelijk van het business model dat de bank hanteert), waardoor de uiteindelijke positie van de banken in dergelijke activiteiten beperkt wordt.

3. De Commissie voor bank-, financie- en assurantiewezen heeft medegedeeld hierover geen inlichting te hebben.

4. De concurrentie op de LBO markt is inderdaad hoog, wat het gevolg is van de hoge liquiditeit die er op dit moment is. Deze concurrentie heeft voornamelijk een impact op de kapitaalstructuur van de transacties en de prijzen. Wat betreft de kapitaalstructuur van de LBO's, is het aandeel van de meer risicovolle (achtergestelde) delen van een deal sterk toegenomen ingevolge de vraag naar meer risicovolle en bijgevolg potentieel meer rendabele posities (search for yield) vanwege de institutionele investeerders. Een belangrijk deel van de druk op de prijzen wordt dan ook opgevangen door de institutionele beleggers, die precies in de meest achtergestelde en dus meest gevraagde delen van een lening investeren.

Een ander risico dat potentieel voortvloeit uit de grote concurrentie betreft de tendens tot het verschaffen van kredieten aan ondernemingen uit meer risicovolle sectoren.

5. Er is geen specifieke bancaire reglementering van toepassing op de private equity activiteiten van de Belgische kredietinstellingen. Niettemin dienen de banken voor deze activiteiten — net zoals voor alle bancaire activiteitenkapitaal aan te houden in functie van het risico verbonden aan de activiteiten. In de mate dat LBO-financiering een verhoogd risico zou omvatten, zal dit gereflecteerd worden in hogere kapitaalsvereisten voor de kredietinstelling. Bovendien kadert de LBO activiteit van de banken binnen hun kredietverleningsactiviteit, waar uiteraard wel een strikte omkadering met betrekking tot organisatie, risico-opvolging, en dergelijke meer van toepassing is.

Daarnaast bestaan er in Belgiė twee types gereglementeerde « private equity fondsen » : de openbare privak (prifonds), enerzijds, en de private privak, anderzijds. Op heden zijn twee openbare privaks ingeschreven op de lijst bij de CBFA.

Wat betreft de openbare privak lijkt de reglementair vastgelegde maximale schuldenlast een voldoende bescherming te bieden. De openbare privak mag namelijk, krachtens de op haar toepasselijke reglementering, slechts ontleningen aangaan tot maximum 10 % van haar activa. Volledigheidshalve kan erop gewezen worden dat een openbare privak tevens ontleningen in deviezen kan aangaan, waaraan leningen van eenzelfde waarde zijn gekoppeld met als enig doel deviezen te kopen, mits ingevolge deze verrichtingen haar netto-schuldpositie ongewijzigd blijft en zal blijven. Het gevaar van excessieve leningen op het niveau van de openbare privak, en het hiermee verbonden gevaar dat de privak ten gevolge van excessieve leningen te zware lasten zou opleggen aan de door haar overgenomen vennootschappen, lijkt derhalve ingeperkt door het reglementaire kader (cf. vraag 1). Bovendien mag een openbare privak zelf geen kredieten verstrekken. De specifieke reglementering toepasselijk op openbare privaks bevat daarentegen geen regels inzake de maximale schuldenlast van de entiteiten waarin de privak een participatie neemt.

Voor de private privaks bevat de reglementering geen beperking inzake mogelijke ontleningen. Het gevaar op excessieve leningen is aldus, door het specifieke reglementaire kader inzake de private privaks, niet geheel uitgesloten.

Verder vermelden we in dit verband nog dat de sector verschillende beroepsverenigingen kent die autoregulerend werken. Net zoals dit het geval is voor venture capital beroepsorganisaties in andere lidstaten, hebben ook de leden van de Belgian Venturing Association (BVA) (waarvan de banken met een relatief belangrijke private equity activiteit lid zijn) zichzelf onder meer een zogenaamde « code of ethics » opgelegd.

De private privaks worden ingeschreven bij de FOD Financiėn. Ik dien u dan ook te verwijzen naar het antwoord van mijn collega, de minister van Financiėn.

6. Ik zal de problematiek verder onderzoeken samen met de Belgische toezichthouders, in het bijzonder de CBFA. De oprichting van een expertisecentrum lijkt in de huidige context echter niet aanbevolen.