3-210

3-210

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 22 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de maatregelen om de onevenwichtige verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen weg te werken» (nr. 3-2206)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Op 7 juli 2005 stelde ik minister Verwilghen een vraag over de vaststelling dat bij de federale wetenschappelijke instellingen een hoogst onevenwichtige verdeling van de betrekkingen bestond ten nadele van de Nederlandstaligen. Die scheeftrekking stond absoluut niet in verhouding met het bevolkingsaandeel van beide volkeren in dit land. Na onderzoek bleek immers dat op 1 januari 2005 gemiddeld slechts 46,54% van het personeel bij die instellingen Nederlandstalig was en 53,46% Franstalig, terwijl het bevolkingsaandeel van de Vlamingen zoals bekend ongeveer 60% bedraagt en dat van de Franstaligen rond de 40% schommelt.

De minister bevestigde toen dat mijn cijfers correct waren en dat er onaanvaardbare scheeftrekkingen waren. De minister deelde mij in dat verband ook mee dat hij in een eerste fase naar een herstel van het evenwicht zou streven. Hij kondigde ook aan dat hij de daaropvolgende maanden samen met de diensten van het Federaal Wetenschapsbeleid en met de nieuwe afdelingshoofden maatregelen, ook budgettaire, zou uitwerken. In het raam van het personeelsplan van het Federaal Wetenschapsbeleid voor het jaar 2005 zei de minister dat hij dringend concrete maatregelen zou nemen om het evenwicht te garanderen. Hij verduidelijkte de plannen door te stellen dat het een evenwicht op de evenredige vertegenwoordiging van de bevolkingsgroepen gebaseerd moest zijn.

Dat waren allemaal veelbelovende voornemens in het licht van de zware scheeftrekkingen die waren vastgesteld. Wij waren dan ook benieuwd wat er van die voornemens in de praktijk is terechtgebracht. Daarom hebben we de oefening die we begin 2005 voor de federale wetenschappelijke instellingen maakten, nog eens overgedaan op 1 januari 2007 op basis van de gegevensbestanden die op de webstek www.pdata.be kunnen worden teruggevonden. Dat is dus twee jaar na het inzamelen van de vorige gegevens en anderhalf jaar na de veelbelovende aankondigingen van de minister.

Welnu, de resultaten van die oefening zijn zwaar teleurstellend. Hadden de Vlamingen in 2005 46,53% van de betrekkingen in de federale wetenschappelijke instellingen, dan is dat vandaag opgelopen tot 47,1%. Dat is dus een vooruitgang met pakweg een half procent op twee jaar tijd. Dat wil zeggen dat als we dat tempo aanhouden, de achterstand van de Vlamingen over 52 jaar zal zijn ingehaald en zal overeenstemmen met datgene waarop wij volgens ons bevolkingsaantal recht op hebben. We hebben dus nog een halve eeuw te gaan. Dat is het globale beeld.

Bekijken we echter het beeld per instelling, dan zien we zelfs helemaal geen eenduidige vooruitgang meer. Het blijkt nu dat in 7 van de 15 instellingen - we laten de Nationale Plantentuin even buiten beschouwing omdat die zich in een overgangsfase bevindt - nog een verdere achteruitgang van het aandeel van de Nederlandstaligen te noteren valt, soms in niet onaanzienlijke mate. Ik geef het meest frappante voorbeeld. Als we de cijfers van Pdata mogen geloven, dan bezetten de Nederlandstaligen momenteel nog geen 34% van de betrekkingen in de Koninklijke Sterrenwacht van België. Dat is nog eens 3% minder dan twee jaar geleden. Dat is natuurlijk een individuele analyse van één instelling, maar zelfs daaruit kunnen we niet afleiden dat er een gericht beleid werd gevoerd om alle wanverhoudingen weg te werken. De globale vooruitgang van ongeveer een half procent op twee jaar tijd ten voordele van de Nederlandstaligen moet dan ook veeleer worden beschouwd als het toevallige resultaat van een aantal schommelingen, eerder dan als het gevolg van een doelgericht beleid.

Vanuit deze vaststellingen plaatsen we dus grote vraagtekens bij wat de minister hier anderhalf jaar geleden poneerde.

Kan de minister de cijfers die ik heb gegeven bevestigen en wat is de stand van zaken? Welke maatregelen heeft de minister concreet genomen om de disproporties weg te werken die hij zelf heeft erkend en waarvan hij zei dat hij ze zou rechttrekken? Sinds wanneer zijn die maatregelen in werking en hoe komt het dat ze niet het effect hebben opgeleverd dat de minister ons hier anderhalf jaar geleden heeft voorgespiegeld? Hoe komt het dat in bijna de helft van de gevallen het aandeel van de Vlamingen er nog verder op achteruit is gegaan?

Overweegt de minister in de korte periode vóór de ontbinding van de kamers nog iets te ondernemen om de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen bij de federale wetenschappelijke instellingen krachtig bij te sturen en aan de flagrante wanverhoudingen écht een einde te maken?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.

Aangezien enerzijds de beperkte budgettaire mogelijkheden het niet mogelijk maakte met bijkomende aanwervingen iets te doen aan de onbalansen en het anderzijds om sociale redenen niet wenselijk is lopende contracten op te zeggen, werd ervoor geopteerd de disproporties stapsgewijs weg te werken via de beschikbare aanwervingsmogelijkheden, al dan niet na natuurlijke afvloeiingen.

Aan de verantwoordelijken werd gevraagd om de passende maatregelen te nemen en aldus de zaak recht te trekken. Zo moest er bij nieuwe aanwervingen worden overgegaan tot een verscherpte screening van de situatie van het personeelsbestand in beide taalrollen om de noodzaak tot herstel van het taalevenwicht te verzoenen met de personeelsnoden voor de uitvoering van de opdrachten.

Deze aanpak heeft geleid tot een aantal correcties, zoals blijkt uit de hierna volgende cijfers. Hierbij wordt voor de verschillende wetenschappelijke instellingen behorend tot het Federaal Wetenschapsbeleid een vergelijking gemaakt tussen de verdeling van het personeelsbestand over de Nederlandse en Franse taalrol op 1 februari 2007 en de verdeling zoals die werd gegeven bij de vraag om uitleg van 24 maart 2005 van de heer Van Hauthem.

Voor ARA-Brussel gaat het om 48 Nederlandstaligen en 49 Franstaligen, samen 97 personeelsleden, of 49,48% Nederlandstaligen en 50,52% Franstaligen. KB telt 136 Nederlandstaligen en 159 Franstaligen, samen 295 personeelsleden, of respectievelijk 46,10% en 53,90%. Uw cijfers, mijnheer Van Hauthem, staan hier ook vermeld, maar ik neem aan dat u die bij de hand hebt.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Wij hebben de cijfers van Pdata en onze vraag is ook of die cijfers correct zijn. Komen de cijfers die u nu citeert ook van Pdata?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Er staat geen bron vermeld. De cijfers liggen in dezelfde lijn, maar het gaat om een iets andere datum.

KBIN telt 191 Nederlandstaligen en 204 Franstaligen, samen 395 personeelsleden. Dat wil zeggen 48,35% Nederlandstaligen en 51,65% Franstaligen.

Ik geef nu de cijfers van andere instellingen.

KMMA: 155 Nederlandstaligen en 117 Franstaligen, totaal 272 of 56,99% en 43,01%.

BIRA: 51 Nederlandstaligen en 64 Franstaligen, totaal 115 of 44,35% en 55,65%.

KMI: 78 Nederlandstaligen en 118 Franstaligen, totaal 196 of 39,80% en 60,20%.

KS: 54 Nederlandstaligen en 95 Franstaligen, totaal 149 of 36,24% en 63,76%.

KMKG: 160 Nederlandstaligen en 189 Franstaligen, totaal 349 of 45,85% en 54,15%

KMSK: 124 Nederlandstaligen en 125 Franstaligen, totaal 249 of 49,80% en 50,20%.

KIK: 72 Nederlandstaligen en 60 Franstaligen, totaal 132 of 54,55% en 45,45%.

In totaal betekent dit 1.069 Nederlandstaligen en 1.180 Franstaligen, totaal 2.249 of 47,53% versus 52,47%.

De analyse van de toestand op 1 februari 2007 maakt duidelijk dat de grote disproporties binnen een afzienbare tijd via bovengemelde werkwijze onmogelijk kunnen worden verholpen.

De grootste disproporties situeren zich bij het personeel, dat door de instellingen op eigen middelen werd aangeworven. Deze werkwijze heeft niet kunnen verhinderen dat in sommige gevallen het onevenwicht is vergroot. De administratie werd daarom gelast om het ontwerp personeelsplan 2007 zodanig uit te werken dat het taalevenwicht maximaal wordt gecorrigeerd, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat de kerntaken van de instellingen dienen verzekerd te blijven. Bovendien kregen de beheerscommissies van de federale wetenschappelijke instellingen behorend tot het Federaal Wetenschapsbeleid de opdracht erop toe te zien dat iedere aanwerving bijdraagt tot het realiseren/corrigeren van het taalevenwicht.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Als we het antwoord van de minister van 2005 met dit antwoord vergelijken, blijkt dat we er een heel klein beetje op vooruitgaan. Over 52 jaar zal de zaak dus rechtgetrokken zijn.

De minister beweert dat men toch niet zomaar mensen kan ontslaan. Ik stel wel vast dat men scheeftrekkingen kan realiseren door de taalkaders te negeren. Achteraf zegt men dan dat men de taalkaders niet kan respecteren, omdat men dan in de sociale problemen komt. Men heeft dus eerst de sociale problemen gecreëerd om nadien de taalkaders manifest de negeren. Achteraf zegt men dan: `We gaan toch geen mensen op straat zetten!' Dit kan toch niet!

Er is heel duidelijk een sociaal passief ten aanzien van de Nederlandstaligen. Kan dit op korte termijn worden rechtgetrokken? De minister geeft een eerlijk antwoord. Hij zegt dat hij anderhalf jaar geleden iets heeft voorgespiegeld dat hij politiek niet kan waarmaken. Dat is inderdaad eerlijk maar tegelijk ook een duidelijke illustratie van de manier waarop men in dit land omgaat met de taalwetgeving.