3-210 | 3-210 |
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Op 1 februari stelde ik de minister een vraag over werkgerelateerde kankers naar aanleiding van een studie van de Franse ziekteverzekering van 30 januari 2007, die zeer onrustwekkende cijfers bekendmaakte omtrent de werkgerelateerde kankers. In 2005 circuleerde 4,8 miljoen ton chemische kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische producten in Frankrijk.
Uit het rapport bleek dat er 11.000 tot 32.000 nieuwe gevallen van werkgerelateerde kankers per jaar opduiken.
Veel kankers zijn het gevolg van blootstelling aan chemische producten in de jaren 1960 en 1970. Het rapport noemt de werkgerelateerde kankers als één van de prioriteiten inzake de preventie van arbeidsongevallen voor 2007. Vijf sectoren lijken uiterst gevaarlijk: de automobielsector, de metaalnijverheid, de industrie van minerale producten, de bouw en de papierindustrie. Er is een algehele mobilisatie in Frankrijk op alle bestuursniveaus omtrent deze oorzaak van kanker. Sectorgerichte en productgerichte preventie is het wapen om deze stille moordenaar te stoppen.
De minister antwoordde dat België reeds een uitgebreide reglementering hieromtrent heeft. Hij zei ook dat per jaar zowat 170 beroepskankers worden erkend door het Fonds voor de beroepsziekten. De voornaamste oorzaak is vanzelfsprekend asbest, waarvoor zowat 130 kankers per jaar worden erkend. Deze cijfers stemmen niet overeen met de eerder aangehaalde studie uit Frankrijk.
Nader onderzoek leert dat deze cijfers eveneens veel lager zijn dan het aantal dodelijke slachtoffers ten gevolge van werkgerelateerde kankers in Nederland. Zo stelt een rapport van de FNV `Werkgerelateerde sterfte in Nederland' dat er elk jaar 400 doden vallen enkel en alleen al tengevolge van mesothelioom, dit is borstvlieskanker veroorzaakt door blootstelling aan asbest. Het rapport stelt dat deze kanker nagenoeg volledig het gevolg is van de arbeidsomstandigheden van de slachtoffers. Vreemd genoeg worden in België slechts 130 slachtoffers erkend, terwijl ons land de grootste producent was van dit gif.
Ook het totaalcijfer van dodelijke werkgerelateerde kankers is in België veel te laag vergeleken met onze rechtstreekse buurlanden.
Volgens voormeld rapport zouden in Nederland 3.000 werkgerelateerde kankers worden opgetekend. Extrapolatie van de incidentie van kankers in de Established Market Economies (EME) volgens de ILO levert voor Nederland ook het cijfer van 3000 op. De studie van professor Steenland levert een cijfer op tussen de 1000 en de 1700.
Volgens de meest conservatieve schatting telt Nederland 1700 overlijdens door werkgerelateerde kanker en volgens de meest ruime schatting zou het gaan om 3000 overlijdens, terwijl de minister voor België het cijfer van 170 aangeeft.
Bovendien is het aantal dodelijke slachtoffers nog maar het topje van de ijsberg. Het is alvast zeer belangrijk dat elke kankerregistratie zou aangeven of de sterfte te wijten is aan het werk.
De conclusie van het recente rapport werkgerelateerde sterfte in Nederland is duidelijk: als arbeidsveiligheid en arbeidsomstandigheden meer prioriteit zouden krijgen, bij de werkgevers maar ook bij de overheid, valt er nog veel te winnen. Ik vond uw opmerking dat de belastingbetaler in principe niet opdraait voor de vervanging van schadelijke stoffen in minder schadelijke stoffen dan ook vreemd.
In Nederland werken werknemers in 2% van de bedrijven met kankerverwekkende stoffen, de zogenaamde risicovolle werkzaamheden wat kankerverwekkende stoffen betreft, aldus het Nederlandse ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Hoeveel mensen krijgen een werkgerelateerde kanker op jaarbasis in ons land?
Wat is het totaal aantal mensen dat lijdt aan werkgerelateerde kankers?
Hoe verklaart u het miraculeuze lage cijfer wat het aantal mensen betreft die overlijden ten gevolge van werkgerelateerde kankers vergeleken met landen als Frankrijk en Nederland?
Op welk cijfer komt men uit als men het percentage overlijdens door werkgerelateerde kankers van de ILO voor de Established Market Economies toepast op België? Hoe verklaart u de discrepantie met het door u aangegeven cijfer van 170 overlijdens?
Hebt u vanuit uw departement preventieacties opgezet? Zo ja, welke?
In hoeveel procent van de bedrijven werken werknemers met kankerverwekkende stoffen? Om hoeveel bedrijven gaat het en kan u in detail aangeven om welke stoffen het gaat? Waarom worden deze stoffen niet vervangen conform het substitutieprincipe?
In Nederland sterven elk jaar 400 mensen alleen al tengevolge van mesothelioom, wat quasi automatisch een werkgerelateerde kanker is. Hoe verklaart u dat in België hieraan slechts 130 mensen zouden overlijden?
Hoeveel ton chemische kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische producten circuleren er momenteel in België?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de minister.
Om te beginnen kan ik u geruststellen: mirakels bestaan volgens mij niet, er is voor alles een verklaring, alleen kennen we die soms niet of nóg niet. Miraculeus lage cijfers kan ik dus niet verklaren. Wat u lage cijfers noemt kan ik wel verklaren.
Er worden twee soorten cijfers door elkaar gehaald: de erkende gevallen van beroepsziekte enerzijds, en het aantal kankers dat volgens theoretische berekeningen mede aan het beroep zou kunnen te wijten zijn anderzijds.
Het Fonds voor de Beroepsziekten vergoedt kankers die op de lijst van de beroepsziekten staan, en hanteert daarbij criteria van blootstelling en van diagnose. Indien aan deze criteria is voldaan, hoeft géén bewijs geleverd te worden van een oorzakelijk verband. Dit principe kan vanzelfsprekend enkel gehanteerd worden voor kankers die met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid door de beroepsuitoefening veroorzaakt zijn.
Om hoeveel en om welke kankers gaat het?
In 2000 werden er 116 erkend, in 2001 122, in 2002 152, in 2003 180, in 2004 146, in 2005 179 en in 2006 186, meteen het hoogste getal tot nog toe.
Van 2000 tot 2006 gaat het om 5 longkankers door arseen, 16 longkankers door zeswaardig chroom, 3 longkankers door nikkel, 7 longkankers door homologen van naftaleen, 2 longkankers door polycyclische aromatische koolwaterstoffen, 17 schildklierkankers door ioniserende straling, 1 leverkanker door een virale infectie, 30 leukemieën door benzeen, 159 kankers van de neusholte en sinussen door houtstof, en tenslotte asbest. Voor asbest gaat het om 841 kankers waarvan 5 kankers van het strottenhoofd, 34 van het buikvlies, 550 van het longvlies en 252 van de longen.
Hierbij wil ik nog noteren dat in het verleden in ons land longkanker door asbest - ik heb het dus over longkanker niet longvlieskanker dat zo typisch is voor asbest - enkel werd erkend wanneer er tegelijk sprake is van chronische aantasting van de longen door asbest, het zogenaamde asbestose, een soort stoflong door asbest, een beetje vergelijkbaar met stoflong van de mijnwerkers. Sedert enkele jaren wordt bij ons longkanker erkend zonder asbestose wanneer werknemers hebben gewerkt met asbest gedurende 10 jaar voor 1985, toen in ons land zéér strenge maatregelen werden getroffen ter voorkoming van asbestblootstelling van werknemers. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de vroegere rookgewoonten van deze mensen, ook al kan hun longkanker in vele gevallen evengoed door tabaksrook veroorzaakt zijn. In deze soepele aanpak zijn we bij de pioniers in Europa.
Dat laatste punt, longkanker en tabaksrook brengt ons op het andere punt dat u aanhaalt: het grote verschil tussen de cijfers van met bijna-zekerheid door het beroep veroorzaakte kankers en van mogelijk door het beroep veroorzaakte kankers.
Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat de kans op longkanker erg verschilt in verschillende beroepsgroepen. Zelfs indien men via allerlei statistische technieken de invloed van rookgewoonten uitschakelt, blijven die verschillen bestaan. Door de toepassing van dezelfde statistische technieken weten we echter ook dat voor elke beroepsgroep het aantal longkankers spectaculair lager had gelegen als niemand gerookt zou hebben.
Uit die verschillen in longkankerrisico tussen verschillende beroepsgroepen kunnen allerlei conclusies worden getrokken.
Een conclusie zou kunnen zijn: we vergoeden alle longkankers van alle beroepsgroepen die meer dan het gemiddelde aantal longkankers hebben. Als je dat doet, dan ben je via een beroepsziektefonds vooral kankers aan het vergoeden die door roken veroorzaakt zijn.
Een andere conclusie zou kunnen zijn: je vergoedt enkel voor die beroepscategorieën die er bovenuit steken, de kankers die boven het gemiddelde van de bevolking liggen. Dan weet je echter niet wie je binnen die beroepsgroep wel en niet moet vergoeden. Aan een longkanker of aan een bloedkanker kan je niet zien waardoor hij is veroorzaakt.
Daarom neemt men in alle landen zijn toevlucht tot wettelijke criteria, tot blootstellingscriteria, die vrij veel gelijkenis vertonen met de onze en die leiden tot cijfers van erkende beroepsziekten, die ook grote gelijkenis vertonen met de onze en dus niet miraculeus laag zijn.
Toch zullen er nog gevallen zijn die volgens onze criteria vergoed zouden kunnen worden, maar nooit werden aangegeven. Dat heeft dan veelal te maken met de moeilijkheden bij het opsporen van beroepsgebonden omstandigheden wanneer de ziekte zich pas tientallen jaren na de blootstelling openbaart, en meer nog met het feit dat niemand eraan denkt.
Ik keer even terug naar uw vergelijking met enkele ons omringende landen.
Uit de door u aangehaalde studie van de Franse ziekteverzekering blijkt dat de Caisse Nationale d'Assurance Maladie des Travailleurs Salariés, de CNAMTS, in 2005 2059 beroepskankers heeft erkend. Dat is dus heel wat minder dan de door de studie van het Institut de Veille Sanitaire vooropgestelde 11.000 tot 23.000 nieuwe gevallen per jaar die mogelijk met de beroepsuitoefening te maken hebben.
Het Franse ministerie van Arbeid heeft aan de hand van een SUMER-enquête (Surveillance médicale des risques professionnels), geraamd dat in 2003 ongeveer een 2,3 miljoen werknemers hebben blootgestaan aan kankerverwekkende agentia.
Daarenboven heeft een enquête, uitgevoerd door het Institut de Veille Sanitaire, het sterke vermoeden doen blijken dat per jaar 4 tot 8,5 procent van de op jaarbasis voorkomende nieuwe gevallen van kanker hun oorsprong zouden vinden in de beroepsuitoefening.
De cijfers die u opgeeft uit de studie `Werkgerelateerde sterfte' zijn gebaseerd op een extrapolatie naar de Nederlandse situatie van ramingen opgesteld door onder meer de Internationale Arbeidsorganisatie in het kader van het SafeWork-programma. Zij liggen ook in de buurt van de Franse studie.
Deze cijfers worden als realistisch ervaren en niets laat toe voor ons land een betere schatting te doen.
Nederland heeft geen erkenningssysteem van vergoedbare beroepsziekten zoals ons land, maar hanteert een systeem van melding van aangiften door de arbodiensten aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. Om deze redenen is het aantal Nederlandse aangiften bij het NCvB moeilijk te vergelijken met het aantal erkenningen van mesothelioom bij werknemers door het Fonds voor de Beroepsziekten.
Uw bewering dat mesothelioom, longvlieskanker of buikvlieskanker, een quasi automatisch werkgerelateerde kanker is, kan ik niet bijtreden. Er zijn minstens zoveel slachtoffers die nooit met asbest gewerkt hebben. En voorts moet men er rekening mee houden dat de cijfers van het Fonds voor de Beroepsziekten alleen over werknemers gaan.
De FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg is in het kader van het Europees Sociaal Fonds promotor van een project Chemische risico's. Binnen dit project werden in samenwerking met teams van verschillende universiteiten, een aantal instrumenten ontwikkeld die aanzetten tot het correct omgaan met chemische stoffen:
Deze instrumenten werden onder meer tijdens colloquia, voorgesteld aan preventieadviseurs, leden van de hiërarchische lijn en sociale partners.
Het substitutieprincipe, het principe om het kankerverwekkende agens door een andere stof te vervangen, is een zeer goed principe. Het wordt overal waar dat mogelijk is door onze inspectiedienst afgedwongen. Dat is echter niet altijd mogelijk, zoals bijvoorbeeld bij benzeen dat in ruwe petroleum zit of bij houtstof. Voor benzeen zijn heel wat toepassingen verboden en voor de toepassingen waar het wel kan worden zeer strenge voorwaarden opgelegd. Voor houtstof kunnen passende beschermingsmaatregelen worden genomen.
Voor asbest daarentegen gelden sedert 1985 zeer strenge maatregelen en is er sinds vele jaren een volledig verbod.
Ik ben niet bevoegd om een registratiesysteem in te voeren dat het tonnage van kankerverwekkende, mutagene of reprotoxische stoffen kan bepalen dat in ons land circuleert. Een dergelijk onderzoek zou in elk geval enorm veel studie vergen. Mijn collega Verwilghen is allicht beter geplaatst om in te schatten of dat mogelijk is. De hoeveelheid is echter niet het enige criterium om het gevaar voor de werkende bevolking of de bevolking in haar totaliteit in te schatten.
Collega Demotte en ikzelf zien erop toe dat het Fonds voor de Beroepsziekten verder werk maakt van criteria die ons in staat moeten stellen meer echte beroepskankers te erkennen.