3-210 | 3-210 |
De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Minister Landuyt kreeg onlangs het bezoek van ouders van slachtoffers van een verkeersongeval met dodelijke afloop, die een noodkreet hebben geslaakt en alle parlementsleden ook een brief hebben gestuurd. Ze begrijpen immers niet waarom de rechter een in hun ogen zeer milde straf heeft uitgesproken voor de bestuurder die een verkeersongeval veroorzaakte waarbij twee jonge vrouwen omkwamen en twee andere jonge vrouwen zwaar gewond werden. De families hebben door dit ongeval een zwaar trauma opgelopen.
Rekening houdend met de scheiding der machten kunnen we uiteraard geen oordeel vellen over de uitspraak van de rechter. Toch rijst de vraag of de minimumstraffen voor dergelijke misdrijven voldoende hoog zijn en of de strafmaat niet moet worden verzwaard indien intoxicatie of recidive mee aan de basis van de feiten ligt.
In de pers las ik dat de minister intussen een vergadering heeft gehouden over verkeersveiligheid die al bepaalde resultaten opleverde of intenties die misschien in de goede richting gaan. Toch heb ik nog concrete vragen.
Welke zijn de minimale en maximale straffen die de rechter kan uitspreken in een geval zoals hierboven aangehaald?
In welke mate moet rekening worden gehouden met verzwarende omstandigheden zoals dronkenschap of recidive?
Klopt het dat de uitspraak van de rechtbanken zeer uiteenlopend zijn naargelang van de gerechtelijke omschrijving?
Moet er niet gestreefd worden naar meer uniforme rechtspraak om te vermijden dat bij slachtoffers en hun familie een gevoel van willekeur ontstaat?
Is een wetgevend initiatief mogelijk of nuttig om strengere minimumstraffen op te leggen?
Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Conform artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek wordt een dodelijk verkeersongeval bestraft met een gevangenisstraf van 3 maanden tot 5 jaar, een geldboete van 50 tot 2.000 euro en een facultatief rijverbod van 8 dagen tot 5 jaar. In geval van recidive, dat wil zeggen in geval van een dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door een dader die reeds eerder werd veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf, kunnen de maximumstraffen worden verdubbeld. In geval van dronkenschap bedraagt het rijverbod minimum 3 maanden en maximum levenslang. Bovendien moet de veroordeelde opnieuw slagen voor het theoretisch en praktisch rijexamen en voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek alvorens hij of zij het rijbewijs terugkrijgt. In geval van bijzondere herhaling bedraagt het rijverbod minimum 1 jaar en maximum levenslang.
In het kader waarbinnen een vraag om uitleg beantwoord dient te worden, is het niet mogelijk de strafmaten van de verschillende politierechtbanken voor dodelijke verkeersongevallen met elkaar te vergelijken, maar we mogen ons inderdaad aan verschillen in uitspraken verwachten. Die verschillen hangen echter het meest af van de concrete omstandigheden van een dodelijk verkeersongeval en van de achtergrond en persoonlijkheid van de dader.
Mijns inziens zijn de straffen voor dodelijke verkeersongevallen reeds hoog genoeg om voldoende afschrikkingwekkend te zijn. Bovendien moeten de politierechters over een voldoende grote appreciatiemarge beschikken om gevangenisstraffen op te leggen. De wetgever heeft de appreciatiemarge voor de rechters bij het opleggen van een rijverbod reeds verkleind, onder meer voor dodelijke verkeersongevallen gepleegd door daders die zich in staat van dronkenschap en/of bijzondere herhaling bevinden. Het spreekt echter voor zich dat de wetgever steeds een wet kan aannemen waarbij de straffen voor dodelijke verkeersongevallen worden verhoogd of verminderd.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik ben het ermee eens dat er een appreciatiemarge moet blijven voor de rechter. Volgens mij speelt niet alleen de persoonlijkheid van de dader een rol, maar soms ook de persoonlijkheid van de rechter. Dat kan er toe leiden dat er een gevoel van willekeur is, omdat de ene rechter de naam heeft strenger te zijn dan de andere voor dergelijke misdrijven.
De uitspraken bij drugsdelicten worden via de procureurs-generaal enigszins gestroomlijnd, zonder dat de appreciatiemarge van de rechter in het gedrang komt. Dat zou ik in dit geval misschien wenselijk zijn.
De minister kaatst de bal terug naar de wetgever. Nu is het te laat om een initiatief te nemen, maar ik hoop dat het in de toekomst gebeurt en dat het afschrikkend effect bij recidive of rijden onder invloed wordt verhoogd.
(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)