(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans
De tekst van deze vraag is dezelfde als die van vraag nr. 3-5872 aan de vice-eerste minister en minister van Justitie, die hiervoor werd gepubliceerd.
Antwoord : Zie hier mijn antwoord op de vraag van het geachte lid.
1 tot 5. In de mate dat de vraag van het geachte lid betrekking heeft op de vervolging van inbreuken op het Strafwetboek met betrekking tot delicten op internet, verwijs ik naar het antwoord dat mijn collega de minister van Justitie zal verstrekken. Overigens kan ik me niet uitspreken over een rechterlijke beslissing die in een andere Staat van de Europese Unie werd genomen en waarvan ik de motivering niet ken. Toch wil ik, in het algemeen, de richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (richtlijn inzake elektronische handel) in herinnering brengen, die in haar artikel 15.2 bepaalt : « de lidstaten kunnen voorschrijven dat dienstverleners de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis dienen te stellen van vermeende onwettige activiteiten of informatie door afnemers van hun dienst, alsook dat zij de bevoegde autoriteiten op hun verzoek informatie dienen te verstrekken waarmee de afnemers van hun dienst met wie zij opslagovereenkomsten hebben gesloten, kunnen worden geïdentificeerd ». In België werd deze verplichting vervat in artikel 21, § 2, van de wet van 11 maart 2003 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij.